Into the Wild (Alaska sept ’14)

DAG 1

Amerikaanse nationale parken zijn populair en zo is ook Denali N.P. in de staat Alaska. Het zomerseizoen is hier echter van korte duur en bijgevolg sluit dit park mid september al zijn deuren voor alle gemotoriseerd verkeer. Vermits wij zelf de aandrijving van onze fiets zijn vallen wij niet in deze categorie.
Van begin af aan was dat al het plan; het park in fietsen en niet afgeleid worden door luidruchtige collega bezoekers. Wij en de wilde beesten.

Voor we effectief konden vertrekken kregen we eerst een video gepresenteerd en een uitvoerig gesprek/briefing met ranger Mike over alle gevaren die klaarblijkelijk als open vallen op ons lagen te wachten. We konden ook niet ontsnappen aan de “bear box”, een zwarte plastic ton waar je je voedsel dient in te bewaren wanneer je niet op de campsites overnacht.

Uiteindelijk vertrokken we om 13.30 en kregen we direct een 10% helling gepresenteerd voor enkele kilometers vooraleer we door een “denning” gebied reden. Een grassig gebied met heel wat naaldbomen en ideaal voor elanden. Die zagen we overigens enkel in de verte. Nog steeds onder een stralende zon passeerden we mijl 15, de plaats waar het asfalt overgaat in gravel en na nog wat klim- en daal werk kwamen we aan mijl 29 waar een gezonde slagboom alle verkeer onherroepelijk terugstuurde.
Klaarblijkelijk reden we daar het magische dierenrijk binnen want nog geen mijl verder hobbelde op zo’n 500 meter afstand een grote bruine gedaante in de rivierbedding. Een grizzly ! Het was ondertussen 17.50 en onze avondbestemming – Igloo Creek campground – was niet meer veraf. “misschien is kamperen niet echt verstandig” bedacht ik eventjes intern, maar een andere optie was er helemaal niet. 85 mijl (137 km enkele richting) tot aan Wonder Lake én terug zonder de minste toeristische voorziening of opvangnet (want géén gsm bereik), dat is wat voor ons lag. Maar goed dat onze gezamenlijke moedertjes niet wisten wat hun kroost zo ver overzee aan het uitspoken waren!
De campground schitterde in zijn eenvoud en verlatenheid. Het was ondertussen licht aan het regenen en we kookten ons potje onder het afdakje van het toilet, mooi op afstand van ons tentje dat we toch wel 150 m verder neergepoot hadden. Precies zoals ons geïnstrueerd werd. Koken en slapen moet je in berengebied strikt gescheiden houden en alle etenswaren moeten na de maaltijd in een metalen “food locker” (een metalen soort kist of kast waar bruintje ondanks al zijn intelligentie en kracht niet bij kan). Ook dat deden we volgens het boekje. Met beren valt niet te spotten en dat was deze jongen ook niet van plan.
Eenmaal in ons tentje was het best wel spannend. Elk geluidje analyseer je onherroepelijk. Toch vielen we relatief snel in slaap.

DAG 2

We werden wakker en na een korte body-check bleken we beiden nog geheel intact ! Hoeraa ! Géén nachtelijke beer die met één van onze ledematen of met het totaalpakket Katrien als een beer in de nacht was verdwenen. Zouden we die 6 dagen wildernis dan toch nog levend uitfietsen ?
Om 10.30 terug de fiets op onder een waterig waterzonnetje.
We zijn nog maar goed opgewarmd en de ochtendprut is nog maar net uit onze lodderogen verwijderd of Katrien merkt een paar honderd meter voor ons uit, op de weg, een vrolijk zwarte stappende gedaante op. “Kan een fietser zijn” merk ik snugger op, maar voor alle zekerheid memoriseren we de exacte positie en bedenken we een strategie voor het geval het een beer is en wat te doen wanneer we die plaats binnen een kleine minuut bereiken.
Op die exacte locatie is het eerste wat ons opvalt een bijna meterlange berenkak. Scat zeggen ze hier. Breed uitgesmeerd op de gravel, vol met onverteerbare bessenpitten en getuigend van, zeg maar, de spuitpoep. Van een aan diarree lijdende beer echter geen spoor. Spannend. Tot plots enkele struiken een paar tiental meter verder op mysterieuze wijze uit zichzelf beginnen heen en weer te wuiven niettegenstaande er geen zuchtje wind staat.
Er zit zo’n 50 meter tussen ons en de bewegende struiken en je moet geen wiskundig wonder zijn om te beseffen dat de bewegende struiken 10 maal dichterbij zijn dan de beer gisteren op 500 meter afstand.
En dan gebeurt het. Een meer dan gezonde (buiten de diarree gerekend) grizzly (ursus horribilis – de naam alleen al) verlaat het struikgewas en waggelt de gravel op. Volgens het boekje moeten we ons kenbaar maken als “mens” en moeten we ten allen tijde vermijden bruintje te verrassen. Beren houden niet van verrassingen en wij ook niet (toch niet van het onaangename soort). Dat doen we dus maar en tot onze verrassing (en tevens ook opluchting) stopt grizzlymans even zijn gewaggel, kijkt ons aan met een look van “onnozelaars” en waggelt dan onverstoord verder in de richting die ook wij uit moeten. Tof. Eventjes overleg.
De beer stapt nu vlotjes verder op de weg, hier en daar snuffelend aan struiken en ons totaal negerend. Dat doen wij niet, het negeren, integendeel: wij nemen de ene foto na de andere want de 50 meter tussen ons en de beer daarjuist waren net iets te oncomfortabel om wat plaatjes te schieten. Uiteindelijk beslist zijne beerlijkheid om net naast de weg een heuveltje wat nader te besnuffelen op iets eetbaars en wij zien onze kans schoon om van de gelegenheid in Tom Boonen stijl voorbij de beer te fietsen. Onze hartslag gaat ondanks de korte sprint van 175 terug naar 110, iets minder geagiteerd zeg maar. We nemen nog een paar duizend foto’s en beslissen dan om verder te fietsen want we moeten zien in Wonder Lake te geraken, een frisse 47 mijl verder het wilde park in.
Onder een steeds meer dreigende hemel trappen we westwaarts en amper 20 minuten verder stoten we op beer nummer drie. Dit park zouden ze beter Grizzly National Park dopen! Deze beer heeft ons direct opgemerkt en schudt verder de struiken dooreen op zoek naar iets eetbaars. Dit knuffelig beertje zit ook net iets te dichtbij om argeloos voorbij te fietsen, dus maken we wat menselijk lawaai (luid praten en zingen) om de beer ervan te overtuigen dat we geen bessen, wortels (van boomwortel) of een andere beer-lekkernij zijn (beren zijn opportunisten maar bovenal planteneters). Op zijn gemakje schoffelt hij/zij wat aarde dooreen, besnuffelt de struiken en hobbelt traagjes verder de heuvel naast de weg op. Een nieuwe sprint reduceert prompt de afstand tussen beer en mens. Oef, weeral goed afgelopen.
Sinds beer 2 hebben we onze fietsstijl drastisch aangepast. Voortdurend spieden we links en rechts het struikgewas af, produceren menselijk geluid wat gezien onze stembanden niet moeilijk lijkt, maar praat en lul maar eens constant tegen je partner. Uiteindelijk vallen we terug op het zingen van wat ons maar binnenvalt. “Ik spring uit een vliegmachien, alleen maar om jou te zien…”, of “vandaag is rood, de kleur van je lippen…”, en bij het naderen van elke onoverzienlijke bocht bellen we als gek met onze… hmmm fietsbel.
Het werkt, we ontmoeten nog beer 4 (iets verder en scharrelend in de rivierbedding onder ons) én beer 5, weeral iets te dichtbij om zomaar voorbij te fietsen. Ondanks alle adrenaline en dergelijke lichaamssappen zijn we zééér tevreden over deze fietsdag. Want de hoofdreden waarom we Denali N.P. met stip op onze kaart aanduidden was net het wilde, onvoorstelbare, wildlife en de schitterende uitzichten natuurlijk. Dit viel vandaag dik tegen want een dik wolkenpak verhinderde om de bovenste helft van de Alaska Range te zien, maar dat vonden wij helemaal niet erg want de “wildlife” was mééér dan aanwezig.

DAG 3

Genoeg over beren. Gisteren (dag 2) was beregoed, maar qua atmosferische omstandigheden was er nog wat werk aan de winkel. We reden toen over Polychrome pass, een veelkleurige met diepe afgronden gezegende bergpas en via de Toklat River (waar we middagmaalden) en Eielson Visitor Center (later meer daarover) bereikten we uiteindelijk op dag 2 omstreeks 19.20 (jawel, vrij laat) Wonder Lake, 137 km verwijderd van de bewoonde wereld.
Deze campground,vol-ledig ter onzer beschikking, werd onze thuisbasis voor dag 3. Een geplande rustdag zonder fiets.
Eén probleempje was het gebrek aan nabije riviertjes of meertjes. “Wonder Lake” hoor ik jullie denken ? Correctomundo, maar de campground en het meer lagen net iets te ver van elkaar als je water nodig hebt om te koken enz.
De campground was gelukkig voorzien van een “shelter” en een “walk-in food locker”. Een food locker om voedsel veilig uit de beer zijn klauwen te houwen en een “shelter” om droog te zitten bij vochtige meteorologische omstandigheden. Die food locker werd wegens zijn ruime afmetingen (een hutje zeg maar) ons logies voor 2 nachten, iets wat je niet zou moeten proberen tijdens het “seizoen”.
Vermits het meer en riviertjes te ver waren, haalden we water uit het dakje van onze shelter. Dat dakje was -zoals het in Scandinavië wel meer voorvalt – begroeit met gras en struikjes. We plaatsten onze kookpotjes onder de drup en in geen tijd waren die gevuld met kakelvers regenwater.
De Alaska Range bleef op dag drie verborgen onder en achter een dik pak wolken, maar van echte alles verzuipende regen mochten we zeker niet klagen.
We begonnen aan de McKinley Bar River trail deels om ons warm te houden, maar zeker ook om eens te voet de wildernis te trotseren.
Spannend was het heel zeker. Ver weg van alles beginnen aan een bijna 10 km lange wandeling doorheen “prime bear habitat” enkel gewapend met onze gepolijste stembanden en een bus pepperspray. Berensporen in het slijk vonden we genoeg, maar de beren zelf hadden belangrijke zaken te bespreken en desgevallend niet in de buurt en eigenlijk ontmoet ik liever een beer op mijn fiets dan in mijn wandelschoenen.
De sneeuw die we de morgen van dag 3 ontdekten toen we de deur van onze foodlocker openzwaaiden werd de rest van dag 3 aangevuld. Na het avondpotje koken kropen we ook vroeg onder de wol om ons klaar te stomen voor de grote terugkeer naar de beschaving én dag 4.

DAG 4

Ik open mijn ogen en door het roostertje in de deur van de foodlocker waar we in slapen zie ik een fel licht. Ai, nog meer sneeuw. Het zal moeilijk worden, zoniet onmogelijk om terug in de bewoonde wereld te raken.
Een beetje bezorgd zwaai ik de deur van de foodlocker open en sta ik in shock voor me uit te staren! Sneeeeeeuw, massa’s sneeuw.
Gelukkig ligt dat witte goedje voor ons in de verte op de Alaska Range en Mount Denali (aka Mount McKinley) en niet waar wij ons bevinden. Er is geen wolkje te bespeuren en staar me te pletter op dit onverwacht spektakel.
Na een aantal minuten word ik iets gewaar onder mijn middel. Het voelt fris aan. Kan ook niet anders want ik sta in mijn onderbroek te gapen naar het in het prille morgenlicht ontluikende gebergte voor me.
Noord Amerika’s hoogste piek baadt in een zacht ochtendzonnetje op zo’n 60 km in vogelvlucht. Wetend dat deze piek meer in de wolken zit dan wat anders, genieten we dubbel en stormen (met kleren aan) naar buiten.
Niet verwonderlijk dat we nu ook weer laat beginnen fietsen, maar we hebben onze terugtocht naar de Parks Highway over drie dagen gespreid en gepland. We zijn in 2 dagen tijd in Wonder Lake geraakt maar gezien het mooie weer en het gevoel zo lang als mogelijk in the wild te verblijven, willen we op ons gemak terugfietsen.
Het is quasi windstil, het vriest lichtjes en we fietsen in een winters landschap met een absoluut ongehinderd zicht op de Alaska Range. We hebben vandaag maar 22 mijl te fietsen en we genieten volop van wat zich voor onze wielen ontplooit.
Vandaag kruisen géén beren ons pad, enkel een schattige grondeekhoorn laat zich gewillig fotograferen. Na amper 34 km stoppen we bij het Eielson Visitor Center, netjes gesloten “for the season” en bijna hermetisch dichtgetimmerd voor het aanstormende wintergeweld. Onder een luifel zetten we ons tentje op en genieten in T-shirt uit de wind in de laatste uurtjes zon. Die avond gaat het kwik flink onder nul en zijn we blij met onze winter slaapzak en extra fleece slaapzakje.

DAG 5

Ondanks de zeer koude nacht hebben we goed geslapen dankzij onze slaapzakken en thermisch ondergoed.
Wanneer we de tent openritsen zit Mount Denali met zijn kop in de wolken. We ontbijten in wat de laatste zon van die dag zal zijn en vertrekken rond 10.00 u.
Zoals gewoonlijk rij ik voorop en amper 400 meter van onze kampplaats en juist in een tweede onoverzichtelijke bocht bots ik bijna met mijn ochtendlijke kop op een gigantische grizzly. Mijn ochtendlijke kop en humeur schakelen direct naar survival mode en ik knijp hartstochtelijk in mijn voor- en achterrem. Dat doet mijn fiets stilstaan en maar goed ook. De grizzly heeft ons opgemerkt en ook dat is goed. De harige viervoeter heeft gelukkig meer interesse in zijn al dan niet eetbare plantaardige omgeving wat ons de broodnodige seconden de tijd geeft om voorzichtig achteruit te trekken.
Beertje collargol trekt er zich allemaal niets van aan en trippelt rustig verder onze richting uit. Wij trekken ons voor alle zekerheid ook nog maar een beetje terug. We nemen ondertussen wat foto’s (ja, we kunnen spreken van een zekere gewenning) en zetten onze fietsen in de richting van de weg die steil daalt. Je weet maar nooit. De beer komt nu wel heel dicht bij ons en kiest plots drastisch voor een andere richting, weg van de weg en een klaterend riviertje in. Dit geeft ons de kans om voorbij te spurten en eenmaal voorbij de risky zone nog wat foto’s te nemen. Een grizzly is een uiterst dankbaar onderwerp om te fotograferen, maar niemand wil té dicht komen.
Dit was dus beer zes en met nog één dag te gaan in het park wellicht niet de laatste. Dat is ook zo, want we komen nog beer 7 én 8 tegen allemaal zonder kleerscheuren, ontbrekende ledematen, gapende wonden of in pulp getimmerde fietskaders.
Het moet gezegd, de beren van Denali zijn uiterst gemanierd en wel opgevoed !
Terug ter hoogte van Polychrome pass in een hevige sneeuwbui zie ik plots iets zeer snel mijn richting uit lopen. Een beer is het niet, daarvoor is de gestalte te klein, maar het heeft 4 poten, een wel heel pluizige staart en een kop waar ik niet direct een naam kan op plakken. Ik ben te druk bezig het dier te identificeren zodat de arctische vos mij totaal verwonderd voorbijstuift. Vlak bij Katrien houdt deze vos plots halt om een plasje te doen en iets eetbaars uit de berm te halen. Katrien -alert zoals altijd – grijpt direct naar haar digitale vriendje en neemt een aantal zuivere foto’s.
De prille ochtendzon van deze morgen heeft al lang het onderspit moeten delven en we zijn ondertussen al een aantal uur bezig in hevige sneeuwval aan het fietsen. Gelukkig blijft het wegdek befietsbaar en in de vroege avond bereiken we terug Igloo Creek Campground. Dat ligt er nog even onbevlekt en verlaten bij als bij onze eerste passage en we voelen ons een beetje thuis.
Het is nu bar koud en een kille ijsregen tovert onze groene tent in een mum van tijd wit. In plaats van onder het afdakje voor het toilet, koken we nu vrolijk in het toilet (ruime toiletten die dankzij een doordachte ventilatie helemaal niet naar toilet ruiken) en kruipen relatief vroeg onder de wol.

DAG 6

Onze witte tent van gisteren is nog altijd dapper wit wanneer ik rond 8.30 mijn kant openrits. Ook de omgeving ziet er zo’n beetje kerstmis-achtig uit. Niks mis met kerstmis al is het een beetje vroeg dit jaar.
We beginnen te fietsen richting uitgang (;nog een dikke 35 mijl te gaan) en binnen het halfuur komen we terug aan de slagboom waar de auto’s en campers terug mogen rijden. We worden er bij het oprijden van het viewing platform hartelijk onthaald door een familie Ecuadorianen die ons prompt enkele chocolaatjes presenteren. We scheppen natuurlijk op met onze 8 beer ontmoetingen !
Af en toe haalt een auto ons nu in of kruist ons en na een tijdje in perfecte stilte te hebben gefietst is dat wel even wennen. Maar heel vaak gaan de handjes of duimen van de bestuurders de lucht in en voelen we ons ware helden die de onherbergzame wildernis hebben overleefd.
Maar het is nog niet gedaan: we zitten nog altijd voor een dikke 30 mijl in het park en er kan nog heel wat ons pad kruisen.
En dat gebeurt ook daadwerkelijk.
In de “denning” zone, de zone waar de elanden verondersteld worden aan een nageslacht te werken, zien we plots een tiental meter naast de weg een groot gewei blikkeren tussen het groen.
Een gigantische elandstier (de eland is notabene de grootste hertachtige ter wereld met een schofthoogte* van meer dan 2 meter) met de tong uit de lange bek loopt zo bronstig als een dekhengst achter een vrouwtjes exemplaar aan. Wij springen van onze fiets, proberen een veilige afstand te behouden, want tegen alle verwachtingen in is zo’n bronstige stier stukken gevaarlijker dan de pluizige grizzly. Testosteron zorgt ervoor dat zo’n stier uiterst onvoorspelbaar en humeurig is. Vlak voor onze neus steekt het koppel rustig de baan over en een toevallige collega passant zet ongewild het hele plaatje in perspectief. Met een mens in de voorgrond zie je pas hoe geweldig groot zo’n eland is !
Nét op dat moment horen we op de achtergrond en in de verte een roedel wolven huilen. Neen we verzinnen dit niet om dit verhaaltje extra allure te verschaffen, het is echt zo gebeurd!
Dit park heeft ons gewoon alles getoond wat we wilden zien, horen of ruiken ! We prijzen ons echt gelukkig en zeer geprivilegieerd dit allemaal te hebben meegemaakt.
Met een zekere krop in de keel en met spijt rijden we na 6 dagen wildernis en 274 km op de teller Denali N.P. uit
*de afstand tussen de grond en schoft; het uiteinde van de voorpoot, ofwel de schouderhoogte

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s