Slalommen tussen buffels en olifanten (Tanzania okt ’11)

Jambo, Jambo,

Of nog beter, hujambo , Swahili voor ; “hoe gaat het met je ?

Vooreerst, het is hier verdraaid moeilijk om internet te vinden en als je er dan al gevonden hebt verdwijnt je volledig getikte tekst in het cybernieks door één van de dagdagelijkse stroompannes. Ferm frustrerend.

FIETSEN DOOR EEN WILDPARK

Het begin van onze reis verliep zeer voorspoedig vanuit Dar Es Salaam over de drukke Tanzam highway die Tanzania met Zambia verbindt in een globaal geziene noord-zuid richting.

De kindjes stormen vanuit hun hutjes naar de weg, “mzungu !!!” roepend (witte mens), soms gillend uit hun prille longetjes en de volwassenen doen iets gelijkaardigs, maar een beetje minder enthousiast.

Qua eten is het leven hier behoorlijk simpel, ofwel is het kuku met chipsi of wali (kip met friet of rijst) ofwel is het mbuzi (geit) met diezelfde combinatie en als je geluk hebt is het stadje of dorpje een rivier of meertje rijk en serveren ze er de vis uit. Is de plaats iets toeristischer, dan vind je ook wel iets anders op het menu, lees: meer westers.

Op de derde dag van onze reis moesten we Mikumi nationaal park doorkruisen per fiets waar naar het schijnt heel wat actieve en carnivore creaturen in rondlopen. 50 km lang loopt de doorgaande A7 door dit wildpark en op foto’s op Google earth (check maar eens) zie je groepjes leeuwen langs de kant van de weg liggen.  Best spannend kunnen we verklappen, want niettegenstaande leeuwen gedurende de dag zelden jagen (wegens de hitte) zijn we toch niet heel zeker dat ze kunnen weerstaan aan twee weldoorvoede, sappige voorbijfietsende vlamingen. Continue de weg afspiedend passeerden we het controlehutje  waar de parkwachter ons eens vluchtig bekeek en vervolgens verder kletste met zijn collega. Er stond een lichte wind en de weinige bladeren ritselden ongestoord in de wind.  50 km lang scanden onze ogen en oren de onmiddellijke omgeving af. Geregeld zagen we olifanten, buffels, apen, giraffen vanop de weg door de savanne struinen, maar de gevreesde leeuwen waren niet op de afspraak. Waren we nu ontgoocheld of opgelucht ? Ik weet het nog altijd niet.

De leeuwen hebben we later ten overvloede gezien vanuit de comfortabele veiligheid van een safariwagen. Op een bepaald moment was de afstand leeuw – Henk slechts één meter.  Zo geruisloos mogelijk en ietwat nerveus schoof mijn linkerarm naar het hendeltje om het raampje omhoog te draaien.

De fietsen houden zich goed, niettegenstaande de wegen hier soms nauwelijks wegen te noemen zijn.  De Chinezen zijn hier opvallend “en masse” neergestreken om alles in de tarmac te gieten. Dus; gravel lovers: haast je voor de Chinees hier alles verhardt.

Wij zitten nu in Babati, een stoffig nest (net als zovele andere plaatsjes) op twee dagritten van Arusha. We hebben net twee verschrikkelijk harde dagen achter de kiezen.  De weg vanuit Dodoma (hoofdstad) richting Arusha is hier namelijk geen weg meer te noemen maar is één grote zandbak met keien afgewisseld met ingewand onvriendelijke ribbelstroken, wasbord voor de kenners. Onze vooruitgang was dan ook te vergelijken met die van twee kreupele palingen in een confituurpot. Maar desalniettemin bereikten we elke avond ons doel. Morgen wacht ons een zalige strook asfalt all the way  naar Arusha.

In Arusha  gaan we proberen een wagen te huren voor een week teneinde het fameuze Ngorogoro park en het even fameuze Serengeti park te bezoeken en “en passant”  Ol Doinyo Lengai, een actieve vulkaan te beklimmen. Als we die vulkaan effectief gaan kunnen opkruipen zal afhangen van: 1. kunnen we een wagen ritselen ?, 2. kunnen we gemakkelijk ter plaatse raken (we zitten hier per slot van rekening niet in de polders) ? én 3. kunnen we een gids ritselen ?
Voor den elektriek hier weer uitvalt post ik vlug dit berichtje en groet jullie cordiaal vanuit het tropische Tanzania.

IN EN ROND ARUSHA

Het heeft bloed, zweet en tranen gekost om in Arusha te raken. Giftige hellingen, strakke tegenwind, maar vooral een bar slechte weg persten beetje bij beetje alle jus uit onze vlaamse kuiten. Maar vlaamse kuiten kunnen heel wat aan. Eergisteren (13 oktober) werden we aangenaam verrast door een strook biljart effen fluisterasfalt, niettegenstaande onze kaarten nog stoffig en ribbelig grind beloofden. In pure extase draaiden we de pedalen rond als twee hamsters in zo’n draaimolentje en om 12.00 uur hadden we al 68 km op de teller. Wat asfalt al niet vermag. Nooit en te nimmer klaag ik nog over de slechte staat van bijvoorbeeld de Oostendse Velodroomstraat of het voormalig Gistels kassietje, want dit zijn/waren juweeltjes van wegenkundig vernuft in vergelijking met dat onding hier.
Maar het levert wel mooie plaatjes op; veel inboorlingen verplaatsen zich op oubollige Indische of Chinese fietsen voor korte tot middel lange afstand en meestal hangen daar dan nog 3 plastic tonnen met water aan vast, of een stapel hout, of een fikse bundel suikerrietstengels, of een gevlochten mandje met kippen of iets dergelijks erin.
Naarmate we Arusha naderden kwamen de Masai steeds prominenter in beeld. Meestal langs de kant van de weg hun geiten of koeien leidend, ook veel op de fiets gewapend met traditionele stok, autobandsandalen aan de voet, en omwikkeld met rode, paarse doek.
4 van die masai hebben we ook specifiek om een foto gevraagd, maar die waren dan ook schitterend geschilderd op het gezicht.
Hier in Arusha zijn we na aankomst direct aan het onderhandelen geslaan om een jeep te huren voor een aantal dagen en om een actieve afgelegen vulkaan te beklimmen ( Ol Donyo Lengai). Morgen vergelijken we verder prijzen en hopen dan op 16 oktober effectief te vertrekken. Parken die we zullen we binnenrijden : Manyara, Tarangire, Ngorongoro en Serengeti. Hopelijk zien we eens van die gespikkelde snellopers (cheetahs) of luipaarden want die ontbreken nog op ons lijstje.
Wanneer ik dit berichtje kan posten weet alleen Joost, want internet en de betrouwbaarheid van den elektriek kunnen euhm…heel wat beter laat ons zeggen. Tot de volgende

PARKEN EN VELE VELE DOLLARS

Hujambo folks,

Jawel, het huren van een Landrover Jeep is gelukt al zijn daar toch wel enkele uren over gegaan. Auto’s huren wordt hier zelden gedaan en als je probeert te huren zit er meestal een chauffeur/gids aan vast zodat de totale vrijheid een utopie blijft. In het beste geval kan dat kereltje teen en tander leerrijks uit zijn mouw schudden maar onze vorige twee chauffeurs/ gidsen hun commentaar hadden we zelf wel kunnen verzinnen. Bij het naderen van een olifant zeiden ze ” olifant” en bij het zien van een giraf: “giraf”. Tja, beter alleszins dan “giraf” roepen bij het zien van een olifant, maar veel wijzer word je daar niet van. Vroeg je om een naam van een vogel, dan bleef het arctisch stil.
Zonder gids dus, zelf dat robuuste staaltje Brits technisch vernuft besturen en hopen niet te verdwalen in de onmetelijke afrikaanse vlaktes.
En zo reden we respectievelijk Tarangire, Manyara, Ngorongoro en Serengeti National Park binnen. Een zeer prijzige bezigheid daar je per park van 35 tot 50 $ per persoon en per 24 uur dient te betalen, vermeerderd met 30 $ per persoon per nacht voor een basic kampeerplaatsje, plus nog eens 10.000 Tanzaniaanse shilling voor een binnenlands geregistreerde wagen. Afdalen in de Ngorongoro krater kost je 200 $ per wagen en je moet er nog eens een gids bijnemen én je mag max. 6 uur ín de krater vertoeven.
Als je dus een aantal van die parken combineert, is de Tanzaniaanse schatkist een flink stuk rijker geworden (x duizenden toeristen). ’t Is dan ook des te wraakroepender dat met die gigantische geldstroom niet veel gedaan wordt.
Maar de residerende beestjes zijn dus waar je voor komt, en met een beetje geluk zien je van knappe tot heel knappe dingen. Onze eerste luipaard zagen we in Tarangire een uur voor zonsondergang uit een boom glippen, recht op onze auto afstevenen, voorbij de neus van de wagen stappen, en regelrecht de savanne in op zoek naar iets warmbloedigs om zijn/haar scherpe bijters in te zetten.
Leeuwen hebben we in overvloed gezien; meestal slapend/luierend onder een boom in de schaduw, soms spelend met elkaar, soms vervaarlijk grommend naar die pesterige dingen in die blikken dozen op wielen (de safarist-toerist) en heel af en toe eens gedreven knagend en trekkend aan een dode olifant of iets dergelijks eetbaars.
Tijdens de ochtend van de dag dat we omstreeks de middag het befaamde Serengeti national park uit moesten zijn, viel onze robuuste Landrover Defender (door mezelve ondertussen “onze trusty steed” ofte ons trouwe werkpaard genoemd) volledig onverwacht in een Tanzaniaanse panne. Pannes komen meestal onverwacht en nu was het niet anders. Plat op de buik onder de wagen want van daar ergens kwam een nogal verdacht en ongezond geluid en speurend naar een onderdeel dat ofwel weg was, ofwel in verwrongen of gespleten staat. Al snel kreeg ik de linkerachter schokdemper in het snotje en zag daar iets wat me niet echt zinde. Een kapotte amortisseur ! Terdju, wat nu ? Een 5 tal minuten later stopt er een gemotoriseerde inboorling en samen plaatsen we de twee losgekomen onderdelen terug in elkaar en kunnen we “pole, pole” verder rijden.
Maar een 15 tal kilometer verder schiet diezelfde schokdemper terug in een deuk wanneer we iets te snel over een ferme bobbel rossen en zijn we terug bij af. We beseffen nu dat die schokdemper ons in die staat geen 250 km over bar slechte grindwegen all the way naar Arusha zal brengen. Aan 20 km/h sukkelen we met een kapotte achtervering naar de entrance gate waar we 1. terug ontvangst hebben op onze gsm en het verhuurbedrijf kunnen bellen om instructies, 2. eten en drinken voorhanden is en 3. misschien iemand is die ons beter kan helpen. En dat blijkt ook te zijn; het verhuurkantoor heeft overal zo zijn mannetjes en één van die mannetjes vervangt onze kapotte demper met een 6e handse demper en geeft voor vertrek een hele exposé en uitleg waarvan ik slechts één iets versta: pole,pole; het Swahili voor rustig rustig. Dat proberen we ook te doen, maar wanneer je de Serengeti uitrijdt, kom je in de Ngorongoro conservation area terecht, dien je 50$ per persoon te betalen, zelfs om er gewoon te passeren (terwijl dit een “gewone” weg is die twee steden verbindt, zonder enig ander alternatief) en moet je rekening houden dat de entrance gate (voor ons de uitgang) om 18.00 u sluit. We hadden geen proviand meer, en hadden geen zin om nog eens 2 x 30 dollar uit geven voor een simpele camping. M.a.w.; de pole pole, werd een jachtige westerse variant. We haalden de gate op tijd, de schokdemper hield zich bewonderenswaardig kranig en nog voor het donker stopten we in Mto wa Mbu en zochten er logies. De volgende dag leverden we onze, iets mindere “trusty steed” braafjes af bij het verhuurbedrijf in Arusha.

LAKE NATRON EN NOG MEER DOLLARS

Voorzien van een nieuwe “trusty steed”, haspelden we de honderd en zoveel km’s van Arusha naar Mto wa Mbu terug af. Buiten mezelve en Katrien zaten nu ook Ariane en Deborah, twee –zo zou later blijken – taaie françaises. Die hadden we opgescharreld nadat Ariane Katrien had gevraagd of we met onze Landrover toevallig niet in de richting van Lake Natron gingen. Katrien antwoordde negatief want we hadden deze lus aanvankelijk wel gepland, maar dit ging ons nog wat extra dagen kosten (dagen die we minder konden fietsen) en de naar verluidt slechte weg erheen gecombineerd met lichtjes alarmerende berichten over rivaliserende stammen en onenigheid hadden ons doen besluiten Lake Natron en de nabije actieve vulkaan te laten voor wat het was.
Actieve vulkanen oefenen echter een aantrekkingskracht op mij uit vergelijkbaar met de aantrekkingskracht die een fris glas water op een bruistablet uitoefent. Deze twee meiden met hun rugzak probeerden ondanks alle moeilijkheden (lange slechte weg, geen openbaar vervoer, onzekere veiligheidssituatie) toch tot bij Lake Natron te geraken en wij, met de forse Landrover ter onzer beschikking gingen dat gewoon overslaan ?
Neen dus, mijn hersenen gaven groen licht, Katrien was akkoord en voor we het wisten zaten we met vier gepakt en gezakt in een nieuwe Landrover.

De eerste dertig km was de staat van de weg nog behoorlijk goed, maar dat veranderde drastisch daarna. Af en toe veranderde de weg in een doorploegd zandveld, waar je probleemloos een halve auto in kwijt kon. Was er geen diep zand te doorploegen, dan was de route rijkelijk voorzien van die ribbels die ervoor zorgen dat alle loszittende onderdelen van je wagen eraf rammelen. Af en toe konden we gelukkig wel de route verlaten en parallel over iets minder gecorrodeerde tracks rijden. Maar bovenal was het landschap weids, bezaaid met candelabra cactusbomen, verre hoge bergen, de grote slenk rotswand, Masai herders en krijgers.

Na een 40 tal km echter stonden we vast voor een barrière waar we eventjes 40 dollar (10 per persoon) mochten ophoesten.
20 km verder naderden we terug een controlepost. Ariane en Deborah hadden al een slaapzak klaargelegd en aangekomen bij die post zaten ze allebei gehurkt tussen de zetels en bedekt met die slaapzak verborgen. Terug moesten we 10 dollar per persoon ophoesten en met een bang hartje ging ik betalen en hoopte ik dat de truc zou lukken. Het kereltje keek eens naar de auto, liep naar de slagboom en opende die. Slik. Toch wel spannend
Toen we op een aantal km van Lake Natron kwamen, daagde voor de derde keer een controlepost op. Terug hetzelfde scenario, maar nu kon ik het niet meer laten om toch eens ferm van mijn foert te maken over al dit gemakzuchtig geldgewin. Niet dat we kostenloos mochten passeren, maar inwendig gniffelend hadden we toch weer een mouw gepast aan dit hebberig “tol-betalen-voor-onze-barslechte-weg”.
We installeerden ons op de eerste campingplaats die we zagen en hadden direct al contact met een gids voor de beklimming van de Oldonyo Lengai vulkaan die als een bijna perfecte kegel lag te pronken onder een staalblauwe hemel. Voor 100 dollar zou een plaatselijke Masai ons diezelfde nacht berg op leiden. Vannacht mag je heel letterlijk interpreteren, want de beklimming wordt meestal rond middernacht gestart. Zo kun je ontsnappen aan de moordende hitte van overdag, maar wat blijft en bleef is de moordende hellingsgraad, maar meer daarover in het volgende bericht.

In de buurt waren nog een aantal bezienswaardigheden, zoals een waterval, een gefossileerde voetafdruk van een vroege mens en Lake Natron uiteraard met zijn flamingo’s (zie ook de film: The constant gardener). Daarvoor moesten we samen met onze gids naar het nabijgelegen dorpje Engare Sero rijden om er in het plaatselijke kantoortje te gaan betalen, want de 100 dollar voor de gids moch niet direct aan hem betaald worden.

In dat kantoortje werd ons al snel duidelijk dat de hele streek besmet was met dezelfde ziekte: hebzucht. Voor elke (pietluttige) bezienswaardigheid moest per persoon 10 dollar betaald worden. Ik ga hier niet beschrijven wat ik allemaal tegen dat ambtenaartje hebben gezegd, ik ben beleefd gebleven, maar ik heb hem heeel duidelijk gemaakt, dat dit niet kon, dat dit zelfs voor westerse toeristen bijna onbetaalbaar wordt en heel moraliserend en toch wel een beetje over mijn toeren heb ik daar een hele speech gehouden. Het eind van de speech was zo ongeveer: “ok, jij doet ook maar wat je opgedragen wordt, ik betaal met plezier de 100 dollar voor de gids, dat is een redelijke prijs in relatie met geleverde prestaties, maar die andere attracties interesseren mij al lang niet meer (wat niet waar was), ik weiger daar voor te betalen en jullie hebzucht geeft deze hele onderneming een zeer bittere smaak. Salut en de kost“. Niet dat het allemaal veel zal uitmaken, maar het moest gewoon gezegd worden.

Tijdens het terugrijden naar ons kampement, begon Daniel, onze meegereisde gids zelf aarzelend en een beetje terughoudend: ” maar IK kan je wel naar die plekken brengen en dan geef je mij persoonlijk maar iets”. Pardon ? nu was ik toch wel een beetje verrast, maar mijn interesse was gewekt, en met plezier ging ik die gast een faire en mooie fooi geven voor het ons op sleeptouw nemen naar die bezienswaardigheden.
Uiteindelijk huren wij een jeep om autonoom en zelfstandig dingen te ontdekken en zien, maar hier gaat dat niet zomaar, gidsen en vooral, betalen (fors betalen) komt er helaas haast altijd bij. “De mzungu is drager van een portefeuille gevuld met van die groene amerikaanse flappen, en ’t is da da we moeten hebben” is helaas de heersende gedachte in het noorden van Tanzania.

Terug op de camping aten we een vervroegd avondmaal en kropen rond 20.00 u in de tent in de hoop nog een tukje te kunnen doen vooraleer de beklimming te starten.
In mijn geval ging dat niet goed; ik kon niet echt de slaap vatten, temeer daar het nog altijd drukkend heet was en er geen wind stond die door het gaas van ons compleet openstaand tentje kon circuleren.
Katrien had beslist niet mee te gaan, ze voelde zich niet echt goed en we wisten ook dat de beklimming niet simpel ging zijn.

Om 23.30 hoorde ik de ritssluiting van de tent van onze franse buren opengaan en struikelde ikzelf ook uit onze tent. Amaai, nog nooit zo vroeg opgestaan om een wandeling te beginnen.
De Merapi in Indonesië beklommen we om 01.00 u., maar dit was het absolute record.
Ariane, Deborah, mezelve en gids Daniël plus een “autobewaker” die voor 50.000 shilling op onze jeep ging passen (jawel, ze zijn zeer vindingrijk in het vinden van bijverdiensten) moesten eerst nog een halfuur in het stekeduister richting vulkaan rijden vooraleer we de beklimming konden beginnen.

FRANSE KONTJES

Onder een fonkelende sterrenhemel en in volslagen duisternis begonnen we aan de klim naar de bijna 2900 meter hoger top van de vulkaan.Onder een fonkelende sterrenhemel en in volslagen duisternis begonnen we aan de klim naar de bijna 2900 meter hoger top van de vulkaan.

Onmiddellijk was het al vollen bak naar boven, maar ondergetekende ging zich niet laten doen door de twee Françaises en zo ging het ook de eerste twee uren maar toen schakelde de vulkaan een tandje hoger en ging de hellingsgraad van 45° tot rond de 50° graden gecombineerd met een ondergrond die je gewoon het best kunt vergelijken met los zand zoals we hier in onze vaderlandsche duinen terugvinden, maar dan gitzwart.
Ik had mezelf – voor de tropen althans – warm ingeduffeld, maar al vlug speelde ik mijn fleece uit, ritste vervolgens mijn broekspijpen van mijn broek en zette zelfs de rits van mijn broek open teneinde een tochtje (“trek” zoals we hier in de westvlaanders zeggen) te creëren. Allemaal vergeefse moeite, want het tempo bleef verschroeiend hoog, niemand wou onderdoen voor de ander, de breaks waren schaars en kort, en de helling wees ongenadig en constant richting hemel.
Ik begon het nu wel heel moeilijk te krijgen, en toen ik tijdens de eerste twee uur nog gezwind samen met de gids op kop liep, moest ik nu de derrières van beide dames bekijken, er zijn ergere dingen.
Maar ik had moeite om het blitse tempo te volgen. De Françaises hadden elk wel twee wandelstokken ter beschikking en dat bleek hen wel ferm te helpen op die onstabiele mensonvriendelijke ondergrond. Met behulp van alle ledematen die ik tot mijn beschikking had kroop ik af en toe achter de dames aan.
Iets voorbij halfweg, haalden we nog een klein groepje in. Samen waren we dan ook de enige mensen op deze veeleisende vulkaan.
Na een lange en heftige beklimming bereikten we omstreeks 04.30 de top van de vulkaan, we waren dan al enkele fumarolen gepasseerd. Da’s zo een beetje hetzelfde als eens goed snuiven boven een schaaltje rotte eieren en is niet direct bevorderlijk voor een goede ademhaling, maar ik heb al erger geweten (Kawa Ijen op Java bijvoorbeeld).
De vulkaan bestaat uit een diepe krater (enkele jaren geleden was diezelfde krater nog helemaal gevuld, maar de laatste eruptie zorgde ervoor dat de vulkaan zijn keel leeghoestte zodat we nu terug met een gapend gat zitten) en een tweede kratertop er vlak naast, maar die is voorlopig niet actief.
Vermits het nog stikdonker was en er frisse wind stond, zochten we ze goed als mogelijk een beschut plaatsje om de te wachten op de komst van de zon.
Na 10 minuten met zijn vieren dicht bij elkaar te zitten koukleumen, sprong ik recht en begon de kraterwand op en af te wandelen. Nu was die wand niet zo fameuze breed, maar liep ie wel bijna horizontaal en kon ik zo goed doorstappen om mezelf warm te houden.
En toen kwam de zon op en konden we het spektakel aanschouwen; vlak onder ons een 150 meter diep gat waar op verschillende plekken rook uit opsteeg, in de verte de massieve Ngorongoro krater, het blinkende Natron meer, de Serengeti in de verre verte, en letterlijk overal diepe kloven die van de kraterwand steil naar de basis van de vulkaan liepen; een schitterend schouwspel.
Nu konden we volop genieten in de wetenschap dat het zwaarste gepasseerd was.
De afdaling was vooral in het begin op bepaalde punten behoorlijk tricky en was je gewoon genoodzaakt om als een vierpotige krab, naar beneden te kruipen. Nog nooit zo’n steile beklimming/afdaling gehad.
Zonder ongelukken arriveerden we omstreeks 9 uur terug beneden bij de Landrover en lagen we een halfuurtje later vol-ledig uitgeteld op onze matrasjes in de schaduw van de kleine boompjes. Het was ondertussen al weer snikheet.

We probeerden allemaal wat te slapen, maar in mijn geval bleek dat niet echt te lukken en bleef het bij wat rusten en dommelen. Rond de middag was de temperatuur al weer onnodig hoog en alleen maar nadenken was al lastig genoeg. Met een uiterste krachtinspanning hees ik mijn gepijnigd corpus recht en sleepte het linea recta naar het vrolijk fris klaterende riviertje waar Katrien en één der Françaises al bruistablet-gewijs zaten in op te lossen.
3 kwartier later en nu toch een beetje afgekoeld en schoongespoeld reden we nog met de Landrover naar het Natron meer voor een nabij kijkje op de grote flamingokolonie die er in het zilte water naar algen aan het vissen was.

Die avond zorgde onze Landrover nog voor een onwelkome verrassing; de dieselfilter bleek lek en de meer dan 200 km lange rit terug naar Arusha zou niet te halen zijn met zo’n lekkend onding. Een plaatselijke mechanieker kwam na een hele ingewikkelde procedure (die ik jullie wil besparen) met een oplossing, maar zo was ook de rekening die ons later werd gepresenteerd.
Er kwam weer heel wat onderhandelen, voet bij stuk houden, boos worden enzoverder aan te pas, want het was maar al te duidelijk dat dit een zoveelste poging was om dollars uit de reeds uitgeperste mzungu te persen.

En zo verlieten we met een dubbel gevoel deze desolate, geldonvriendelijke kontreien. Met een lichtjes gepimpte oude dieselfilter (de originele lekkende dichtingsring werd gewoon door een ander rubbertje vervangen) stoven we terug naar Arusha, zetten de Françaises af in Arusha en doken ons bedje in.
Nog vier dagen waarvan twee fietsdagen scheidden ons van het finale einde.
De eerste dag stopten we in Moshi aan de voet van de Kilimanjaro, de avond erop arriveerden we in Same.
Nu werd het wel heel duidelijk dat we niet al fietsend Dar es Salaam zouden kunnen bereiken, dus zochten we ons heil in het gemotoriseerd vervoer. ’s Morgens vroeg vertrokken we fietsend uit Same en gewapend met een sullig kartonnetje met de tekst “lifti dar” (lift naar dar es salaam aub) erop hoopten we dat een vrachtwagen of forse jeep ons zou meenemen all the way tot in Dar.
Telkens een potentiële lift ons naderde, stak ik het bordje in de lucht, maar 40 km verder en verschillende voorbijstekende vrachtwagens later moesten we wel besluiten dat we er zo niet gingen raken.
Bij het eerste gehuchtje hielden we halt, haalden de zakken van onze fiets en een goed halfuur later zaten we al in een met ijzerdraad en bouten aan elkaar gehouden gammele bus op weg naar Dar.
De volgende dag na het obligate fietsje demonteren en in doos steken, nog een ultieme aanval op souvenirs ingezet, in een taxi en ’s avonds het vliegtuig in richting België.;

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s