Fietsen in en rond Peking (okt ’13)

Ni hao” (“gegroet” in het Chinees, maar dat had je al lang door)

Het is de doorsnee Zandvoordenaar waarschijnlijk nog niet opgevallen, maar het is dezer dagen zeer moeilijk om ons ergens te vinden in onze contreien.
Dat komt omdat wij eigenlijk met onze fiets door de Chinese provincies Beijing en Hebei aan het snorren zijn. Snorren is een groot woord want er moet hier dagelijks heel wat afgeklommen worden.
We zijn zo ergens de derde september ’s morgens in Peking aangekomen en hebben onze intrek genomen in een groot Pekinees hotel van 26 verdiepingen hoog.
Die dag hebben we buiten wat comateus geslaap enkel nog onze fiets in elkaar geknutseld en zijn we ’s avonds vroeg de doos ingekropen.

HINDERNISSEN PARCOURS

De volgende dag hadden we uitgetrokken om uit te vissen of we onze fiets een beetje gemakkelijk op de trein konden krijgen om vervolgens naar Shanghai te sporen en daar ten zuiden van de stad te beginnen fietsen.
Place to be was Beijing South station waar alleen supersnelle, hypermoderne treinen aan een gezapige gemiddelde snelheid van 300 km/h vertrekken.
Na veel gerondvraag uiteindelijk een vriendelijke Chinese dame gevonden die ons wilde helpen met het stellen van de nodige vragen aan de uiteraard ééntalige ticketbalie. Bleek dat het wel mogelijk was om een fiets per trein te versassen, maar dat de fiets in een doos diende te zitten. Diezelfde doos die we de dag voordien deskundig van rond onze fietsen hadden gepeld dus. Ik had redelijk wat tijd nodig gehad om mijn fiets in elkaar te steken, worstelend met heel wat aanpassingen en zag het eigenlijk niet meer zitten om die fiets terug uit elkaar te trekken, weer in die doos te plooien om vervolgens de volgende dag die fiets weer in elkaar te puzzelen (en dat proces nog een keer te herhalen voor de terugkeer). Thuis hadden we twee mogelijke routes in gedachten: 1. ten zuiden van Shanghai fietsen 2. fietsen in een grote straal rond Peking. Optie 2 werd het dus.

Fietsen in Peking zelf valt eigenlijk reuze mee; er lopen brede fietspaden doorheen de hele stad, maar er zijn een aantal addertjes onder het macadam. Niettegenstaande er aan weerskanten van de wegen een breed fietspad is, rijdt iedereen in de richting die hij het best vindt en auto’s vinden zo’n breed fietspad ideaal om lang op te parkeren. Afslaand verkeer houdt enkel rekening met rollend materieel dat groter en dus potentieel gevaarlijker is dan henzelf. De vele collega-inboorling-fietser zwalpt ongecontroleerd over dat fietspad en houdt enkel rekening met zichzelf  terwijl je elektrische brommertjes (of liever: scootertjes) nauwelijks hoort aankomen. Verkeerslichten dienen enkel ter decoratie, dus kruispunten nemen doe je best na een achttal keer van links naar rechts te kijken en boven al dit fraais zijn afstanden in Peking zijn niet te onderschatten, vrolijk geparfumeerd met de nodige roetdampen.
Ondanks al deze venijnige addertjes slaagden we er toch in met behoud van lijf en leden ons in deze krioelende miljoenenstad fietsend voort te bewegen.

Peking staat zo’n beetje synoniem voor “Grote Muur, Tian’ Anmen en Verboden Stad” (heden ten dage heet deze stad-in-de-stad Palace Museum).
De grote muur komt later aan bod, maar het plein van de Hemelse Vrede (nog niet zo lang geleden toch wel iets minder vredig, toen er wat tanks over de stenen rolden) en de Verboden Stad stonden vandaag op het lijstje.
Die stad waar de Ming en de Qing (Qing als laatste) dynastieën (ongeveer van 1400 tot 1900) huis hielden is behoorlijk uitgestrekt (zo’n 2 km lang en eentje breed) en staat vol met belangrijke en imposante gebouwen. Gebouwen waar de keizer audiëntie hield, gebouwen waar de nieuwe maankalender werd voorgesteld, plaatsen waar de keizer zich voorbereidde op een audiëntie, enz.
Aansluitend bezochten we nog het Jingshan park, een bescheiden molshoop van rond de 100 m met 3 tempels erop van waar je een overzicht hebt op de ommuurde verboden stad. Best wel indrukwekkend.

GIJ ZULT NIET KOKEN

Terwijl Katrien bij de groentenleverancier vóór het hotel wortels aan het kopen is en de Chinees tegelijkertijd introduceert in onze rijke Vlaamse taal met het aanleren van het woord “workel”, zit ik hier naarstig als maar kan een nieuw verslagje te typen.
Er staan inmiddels al vier Chinezen strategisch rond Katrien gedrapeerd, enthousiast “wolkel” aan het scanderen in de volle oveltuiging dat dit een Engels woold is. Hahaha, altijd lachen met die Chinezen (en zij met ons zijt daal maal zekel van).
We zitten hier momenteel op een dakterrasje met een frisse 600 ml Tsingtao pint, uitzicht op een sectie Chinese muur en eventjes aan het bekomen van een pittige driedaagse fietstocht om hier te raken.
Hoe dat verliep lees je nu direct. Accrochez vous.

Met 57 km op de teller van alleen in het Pekinese stadsverkeer te rijden navigeerden we met behulp van een pas aangekochte Chinees/Romaans schrift-kaart naar de regio ten noorden van de hoofdstad.
Dat ging heel vlotjes mede dankzij die tweetalige kaart, want de meeste verkeersborden en wegwijzers staan meestal alleen in het Chinees aangegeven, flink lastig voor een westerling.
50 km nadat we ons hotel verlaten hadden, kwamen we op een eerste splitsing die niet op de kaart stond en de Chinese karakters vond ik ook niet terug.
Gokje gewaagd en een kruispunt verder stond er wel iets dat we op onze kaart terugvonden. Onmiddellijk veranderde het landschap drastisch van urbaan  naar weelderig groen bergachtig gebied. De toon werd onmiddellijk gezet; vanaf nu was het klimmen en dalen geblazen.
Een poging ietwat verder om aan een litertje benzine te raken in een benzinestation liep teleurstellend af. Om zelf te kunnen koken hadden we aan een klein litertje benzine genoeg voor ons gasbrandertje. Helaas: geen benzine te krijgen voor brandstofflessen of geen benzineleveringen onder de 50 liter. Je probeert dan  duidelijk te maken met woordenboekjes, handgebaren en dergelijks dat je dat litertje écht nodig hebt om te koken, maar een vastberaden Chinees die de wet respecteert en hoofdzakelijk de sancties vreest bij het niet naleven van die wet, ga je niet op andere gedachten brengen. Ze wijzen dan naar een A4tje vol met Chinees geschrift en denken dat je dat kunt lezen en blijven je daarbij bestoken met Chinees gebrabbel. Dat A4tje vermeldde waarschijnlijk iets dergelijks: “Gij zult geen benzine verkopen aan bleekscheten op fietsen zelfs al betekent dit voor hen de hongerdood“.
Gelukkig vonden we een tiental km verder een basic hotelletje waar we trouwens in de verte een eerste blik op een stukje Chinese muur konden werpen. De uitbater en zijn entourage transformeerden op slag van een lethargische staat naar een bijna molenwiekende euforische staat bij het aanschouwen van onze westerse high tech fietsen en het bijpassend charmerend en intrigerend exotisch man- en vrouwvolk. Na een ietwat onrustige nacht op harde bedden en een op zijn zachtst gezegd vreemd ontbijt (maïspap met pickels, een rood brokje kweetniewat en een vet dik eierkoekbrood) klommen we terug op ons aluminium ros voor het vervolg van het traject richting Simatai alwaar een maagdelijk stukje Chinese muur op ons lag te wachten.
Onder een stralende zon werd ons direct een fikse beklimming gepresenteerd en op de rustige weg werden we constant ingehaald door Chinezen op koersfietsen, mountainbikes, plooifietsen. De tenuetjes varieerden van semi professioneel naar jaren 80 kledingstijl tot het soort samenraapsel van kleren dat onze Zandvoordse Alain M. dagelijks op zijn fiets rondshowt. Blijkbaar heeft de meer welstellende Chinees ontdekt dat je niet alleen een fiets vol kunt stapelen met allerhande producten maar er ook tochtjes mee kunt maken bij wijze van nuttige vrije tijdsbesteding. Ze gaan er op vooruit.
Boven op het colletje stonden de rappe arriveerders de tragere aan te moedigen en wij werden op een heuse staande ovulatie getrakteerd. Er volgde een verfrissende afdaling gevolgd door een volgende fikse beklimming nu naar 1180 m. Geen fietsende Chinese medemens meer te zien ook.
Toen onze krachten zowat grotendeels opgesoupeerd waren en we tegen 18.00 een etablissement in de smiezen kregen dat zo’n beetje op een hotelletje leek, was de keuze ook snel gemaakt. Afstappen, afladen en inchecken. Een welverdiende 600 ml pint volgde en nog later tijdens het avondmaal een tweede.

HET DORP IS WEG

Vertrekkende vanuit ons hotelletje (vlakbij Liulimiao voor de van detailkaart voorzien lezer) begonnen we direct aan een pittig klimmetje en na km drie rolden we een prachtig decor in. Een mooie bergweg kronkelde langs diepe ravijnen en grillige bergtoppen verder het landschap in. Diep onder ons baande een rivier zich een weg door het mooie bergmassief en achter iedere bocht werd het decor indrukwekkender. Op een bepaald moment stond er een filmcrew standby, wachtend op parapenters die in de bergkloof gingen overvliegen.
We reden later langs een groot meer – al flink vermoeid en in het vallende duister – richting Simatai, een plaatsje dat ideaal gelegen is voor een bezoekje aan een mooi stuk Chinese muur.
Dat was echter buiten de naarstigheid van een lokale Chinees gerekend. Simatai is in 2 à 2,5 uur via de expressweg vanuit Peking bereikbaar en daarmee ideaal voor dagtrippers voorzien van een automobiel of aanverwant vervoermiddel. In 2010 zijn ze blijkbaar begonnen met de renovatie van het stuk muur in de buurt  van het dorpje en zoals in China al eens meer gebeurt : de volledige omgeving incluis. Er worden kosten nog moeite gespaard. Dit houdt dan meestal in dat volledig dorpen van de kaart worden geveegd, nieuwe dorpen elders worden neergepoot, een resem nieuwe wegen wordt aangelegd enz. Voor een Chinesobeet (mens die geen Chinees kan lezen of schrijven) die afgepeigerd en scheel van de honger en voorzien van een niet zo gedetailleerde kaart af komt gefietst in het duister en tegengehouden wordt op een gloednieuwe weg die er volgens zijn kaart niet mag zijn is dit uiterst verwarrend en demotiverend. Met behulp van een ontoereikend woordenboekje probeer je dan uit te vissen hoe je in het dorpje dient te geraken, waarop de manspersoon die je de weg verspert een Chinese woordenvloed over je heen kiepert.
En dat is nu eens iets waar wij met ons polderverstand eens niet bij kunnen. Als je als Chinese inboorling nu een persoon voor je hebt die duidelijk niet van de streek is, laat staan continent, die vreemde klanken uitstoot en heel vreemd reageert op hetgeen je in het Chinees (want dat is nu toch een taal die iedereen spreekt?) tegen hem zegt en bovendien een boekje onder je neus steekt en zinnetje aanwijst die zegt “ik spreek geen Chinees“, dan leuter je toch niet verder in het Chinees ? En dat is dus geen alleenstaand geval hé. Elke Chinees die wij aanspreken kwettert onverstoord verder in het Chinees terwijl wij uit pure armoede in het Zandvoords antwoorden en eigenlijk hilarische “gesprekken” voeren. We gaan er eens eentje filmen, dan wordt het heel duidelijk.
Dus nu ook deze Chinees. Wij maar teken doen dat we het niet verstaan en stilletjes aan de moed verliezen (want moe en hongerig en nood aan wat rust) terwijl het kereltje tot vervelens toe waarschijnlijk hetzelfde vertelt.
Uiteindelijk doet hij teken hem te volgen wat we bij gebrek aan alternatief dan ook maar doen. Met zijn elektrisch snorfietsje sjeest hij ons voor terwijl wij gelukkig makkelijk bergaf kunnen volgen. Een drietal km verder rijdt hij ons in het stikduister een pas neergepoot dorp binnen, spreekt een paar mensen aan en verdwijnt weer in het duister. Een ander manspersoon komt op ons afgestapt en zegt : “ I hotel“. Zo’n overdaad aan verstaanbare informatie zijn wij natuurlijk niet gewoon, maar gedwee volgen we de man naar een huisje zoals er wel nog een paar honderd identieke exemplaren van staan in het dorp. Ik vraag hem “is this a hotel ?” waarop hij een verlichte zuil naast zijn deur aanwijst waarop staat “Folk inn”. Blijkt het dus een soort homestay of B&B te zijn. In China begot. De Chinezen gaan ervoor me dunkt. Hij toont ons onze kamer, een ruime mooie kamer met twee bedden en een functionele en westerse badkamer even verder. Eigenlijk heel Europees.
Maar eerst moeten we nog eten en de kerel neemt ons mee naar de hoek van de straat waar een 6 tal personen zitten te kaarten. Eentje stuift er direct in zijn keuken en een kwartiertje later zitten we al te smullen van een lekker doch laat avondmaal.
Een beetje moe van de verloren kilometers en het wat latere uur, kruipen we rond 20.30 in ons bedje.
Simatai dorp, de muur en heel de inboedel is dus gesloten (en dat al sinds 2010), dus sturen we onze bolide in de richting van Jinshanling, een zo mogelijk nog kleiner dorpje net aan de andere kant van de bergkam. Onderhevig aan zwaartekracht én per fiets zijn we genoodzaakt op een weg te fietsen en die lopen dus in veel gevallen niet zomaar de bergen in, maar er vlijtig rond. Nu ook, maar de “omleiding” valt mee en bedraagt slechts 25 km. Rond de middag arriveren we  in het kleine dorpje Jinshangling in de provincie Hebei.
We vinden er vlug een hotel, hebben al direct uitzicht op een stukje muur in de verte en houden ons de rest van de dag onledig met wat slenteren door het dorpje en het schrijven van wat verhaaltjes voor deze site.
Morgen plannen we dus onze eerste bestorming van de Chinese muur, een bouwsel dat tot spijt van wie ’t benijdt NIET vanuit de ruimte te zien is.
Hoe dat verliep en het vervolg lees je verder.

 SLECHTE BUUR = GROTE MUUR

Chinezen hebben altijd al iets gehad met muurtjes. Muurtjes zijn multifunctioneel: je kan er tegen plassen, het breekt de wind, het bemoeilijkt de doorgang van alles wat zich over de grond beweegt, enz.  Het muurtje waar ik hier gewag van maak is er echter eentje van een buitenproportionele omvang. De oud-Chinese medemens was er indertijd al vroeg mee begonnen wat mede verklaart waarom dit bouwwerk zo omvangrijk is geworden. “Indertijd” mag je redelijk ruim nemen, t.t.z. tussen 684 en 645 voor Christus. Aanvankelijk was het eerst een muur van aangestampte aarde, later adobe, nog later stenen en eindigend in baksteen. Er zijn verschillende periodes geweest in verschillende gebieden waarop de muur en zijn nut voorbijgestreefd waren, maar telkens kwamen er nieuwe dynastieën die opnieuw renoveerden, bijbouwden en verbeterden.
De laatste golf van bouwwoede (en dat mag je ook letterlijk nemen want er sneuvelden ontelbare Chinese zieltjes tijdens al dat gesleur, gemetsel en gekap) kwam er tijdens de Ming dynastie (zowat tussen 1372 en 1644).
Na 1644 werd de muur definitief aan zijn lot overgelaten en zorgden weer en wind, plantengroei én de mens voor het verval van dit immens bouwwerk.
Grote misvatting is ook dat de muur een aaneengesloten muur is. Vele stukken zijn compleet vernield en verdwenen, andere stukken zijn ruïnes en een heel kleine minderheid is in verschillende fases en tijdstippen in onze moderne tijd gerenoveerd (en ook op verschillende manieren).
Het stukje waar wij vandaag op gingen lopen, een behoorlijk aaneengesloten stuk slingert imposant als een langgerekte draak over de bergkammen. Om de zoveel meter wordt de muur onderbroken door een grote wachttoren of door een aftakking.

Al vlug ondervonden we dat het geen tochtje op de zeedijk ging worden maar ongemeen klimmen en dalen met variërende graden van steilte. Katriens korte beentjes hadden soms de grootste moeite de bijna halve meter trappen in één keer te nemen. We hadden geluk met het weer, want de wazige lucht begon op te klaren en rond 10.00 u was het zicht onbeperkt. Zover je kon kijken groen beboste bergen en heuvels en daarin een kilometerslange stenen muur slingerend en kruipend door berg en dal.
Jinshanling en de aangrenzende Simatai (mits geopend) en Gubeikou secties zijn daarentegen iets minder makkelijk bereikbaar dan bijvoorbeeld Badaling (het beeld dat iedereen in zijn hoofd heeft van dé muur) en zijn daardoor stukken en pakken rustiger. Badaling is één grote kermisattractie, maar omdat het nog steeds de moeite waard is om te zien ook op ons programma later. Jinshanling overtreffen zal een beetje mission impossible zijn denken we. De massa die erop af komt en de bijbehorende Chinese aanpak van volk lokken én entertainen en het blijkbaar bijbehorende arsenaal aan kermistoestanden en pure kitsch is iets waar de inboorling wild van wordt. Een westerling krijgt hier meestal schuim van op de lippen en een onverklaarbare jeuk op niet nader te noemen plekken op het lichaam.
Jinshanling heeft dat dus niet, is lang genoeg om aan de 75% luie toeristen te ontsnappen als je maar ver genoeg stapt en klimt en afdaalt en klimt en afdaalt.
Bij het ter perse gaan van dit artikeltje is onze klimtocht op de Jinshanling sectie reeds  driedagen passé composté, maar nog altijd doen de bovenbeenspieren én de kuiten pijn bij het nemen van trapjes.
Voor elke would-be China reiziger: Jinshanling, Gubeikou en SimataiMutianyu – en Huanghuacheng zijn de te prefereren stukken muur waar je zonder al te veel kwelende, kwekkende Chinezen én dito kermisattracties mooie muurwandelingen en klimpartijen kunt maken.

KATHEDRAAL VAN LAPSCHEURE

Wat die kwekkende Chinezen en kitscherige attracties betreft (en we hebben helemaal niets tegen Chinezen), wel: da’s eventjes wennen, maar eerlijk gezegd went het niet en irriteert het wel een beetje.
Een Chinees wordt volgens ons behoorlijk ambetant en voelt zich waarschijnlijk zeer ongelukkig wanneer het stil is. Ze hebben een voorliefde voor veel lawaai, praten niet tegen mekaar maar roepen bijna. Vorige nacht nog een zeskoppig groepje jonge snaken proberen diets te maken dat je rond 23.00 u. best niet tegen elkaar staat te roepen vlak voor je hoteldeur in een gang die zo’n beetje de akoestiek heeft van de kathedraal van Lapscheure. Ze kijken dan schaapachtig en doen – zich niet bewust van hun kabaal – ongestoord verder, tot je na nog tweemaal acte de présence te geven denkt je pointe duidelijk te hebben gemaakt. Ze druipen dan af en de stilte omhult je eindelijk als een zacht deken. Denk dan ook maar niet dat je dankzij je doortastend en kordaat westers ingrijpen hen andere oorden hebt laten opzoeken. Oh nee, ze hebben je zeker niet verstaan en zijn waarschijnlijk weg gegaan omdat ze zelf moe werden.
De kennis van het Engels van de gemiddelde Chinees begint en eindigt in het beste geval met een kordaat tot zeer luid “Hallo“. Daarbij scoren ze dan ook meteen bij de omstaanders. Als er dan eens eentje tussen zit die wat Engels kan spreken, moet je je oren spitsen tot in het oneindige, want de hoeveelheid haar die op het Engels staat is vergelijkbaar met de wintervacht van een yak.

Genoeg geklaagd. Is China dan het te mijden land voor lieden die van rust en ingetogenheid en alles wat wij prijzen houden ? Misschien wel, misschien niet, maar er zijn genoeg mogelijkheden om toch rust en stilte te vinden. Vermijd gewoon drukke steden en wegen en blijf weg van de grooooote attracties. Of neem die grote trekpleisters tot je in gecontroleerde doses. Op tijd en stond een portie lawaai kan ook wel eens leuk zijn, maar bij voorkeur niet als er geslapen moet worden.
China is trouwens het land bij uitstek om je eens uit te leven in de miljoenen restaurantjes die het land rijk is. Buiten een zeer gevarieerde én lekkere keuken is het gewoon leuk omdat alles wat bij ons niet kan, hier wel kan. Ondergetekende vindt dit zeer leuk en imiteert zonder gène de inboorling. Hoe dat dan precies is ? Lees verder mijn beste.

Neem pen en papier en kopieer.

Wordt door iedereen gedaan en zijn gewone tafelmanieren:
1. slurpen als een bezetene (slurpen is een manier om je hete noedels gekoeld naar binnen te werken)
2. smekken en eten met open mond. Extra punten voor wie daarbij nog kan praten
3. boeren. heel beleefd; betekent dat je maaltijd heeft gesmaakt
4. servietten, botjes, beentjes alles wat je niet wenst in te slikken: één adres: de grond. Hoe ? gewoon spuwen tiens (op tafel mag ook).
5. van spuwen gesproken: (enkel in eenvoudige etablissementen), de keel eens goed schrapen en ferm rochelen op de grond. extra punten als de eigenaar of ober erover uitglijdt
6. Scheten laten ? Geen probleem. Van al dat methaan in je darmenstelsel wordt je toch maar ongemakkelijk.
7. je spreekt geen Chinees en weet niet wat te bestellen? Ga eens rondlopen in het zaakje, begluur alle borden, haal de ober erbij en wijs gewoon aan wat je wenst te eten. Je maakt er alleen maar nieuwe vrienden mee. Moet je bij ons eens proberen; hà.
8. Verstokt roker ? opsteken die handel ! extra punten voor wie een Havana opsteekt.

Met uitzondering van puntje 5 en 8 (ook de Havana optie) doen we alles op dagelijkse basis. Kwestie van het weer af te leren bij thuiskomst.
Zijn Chinezen dan barbaren ? Neen. Hier gelden gewoon andere regels én zij denken en doen heel anders. Zo is dat trouwens overal ter wereld.

Nog wat pluspunten van onze Chinese medemens ? Er zijn er genoeg:
1. Een Chinees is altijd aanspreekbaar, zij het op restaurant, in het toilet, in gesprek met iemand anders, op de fiets, in de politiewagen, liggend en werkend onder een vrachtwagen,…kwestie van ze gewoon te verstaan en vice versa en daar wringt het schoentje
2. een Chinees krijg je haast niet boos. Boos worden en schelden is “gezicht verliezen” en dat proberen ze ten allen tijde te vermijden. Een Chinees gaat jezelf ongewild eerder boos maken dan andersom
3. ze zijn best hulpvaardig, kwestie van ze uit te leggen wat je wil en hun antwoord te verstaan (zucht)
4. 95% van de Chinezen is zo eerlijk als wat
5. Chinezen bedoelen het in bijna alle gevallen goed, en hebben het beste met je voor (al lijkt het soms wel anders).
6. Je hoeft geen engels te kunnen spreken. Verstaan de meesten toch niet. Met vlaams of eender welke taal geraak je ver genoeg. Bespaar je de moeite in andere talen te denken. Ze worden er trouwens niet ongemakkelijk van. De meesten ratelen ook gewoon door in het Chinees zelfs nadat je uit je vertaalwoordenboekje het volgende zinnetje hebt aangewezen: “ik spreek en lees geen Chinees).
7. Een Chinees lacht gemakkelijk en apprecieert snel een universeel erkend vriendelijk gebaar. Wel opletten met “universeel” want veel van onze gebaren betekenen iets anders in China. Haha, ’t blijft spannend.
Ik ga maar stoppen, want de helft van jullie heeft misschien al afgehaakt, maar deze blog dient ook nog een beetje om de gaten ter grootte van een gemiddelde emmenthaler in mijn brein virtueel te dichten. Memories, overpeinzingen, anekdotes, veel vervliegt, papier blijft bestaan.
Volgend verslagje beschrijft de fietstocht van de Jinshanling muur naar de Badaling sectie én de wandeling erop. En wat meer is: ik hou het kort, want kort is ook goed en lang is een Chinees.
Salut

 NAAR DE KERMIS

Met een tiental kilometer muur in de kuiten ging het fietsen een stuk minder vlotjes. Onze route vandaag liep langs een verzameling van kleine witte lijntjes op mijn primitieve landkaart. Geen drukke wegen dus, maar wel degelijk een potentieel groot risico op radeloos verkeerd rijden.
De witte lijntjes in kwestie bleken inderdaad kleine wegen te zijn waar amper verkeer op zat en wegwijzers of borden stonden er gedurende de hele dag niet. Toch zijn we geen enkele keer verkeerd gereden en dat dankzij volgende strategie: 1. schrijf op een stukje papier een aantal dorpjes die op je kaart staan (in Chinese karakters natuurlijk) 2. vraag bij elke splitsing aan de hopelijk aanwezige inboorling welke richting je uit moet fietsen 3. vraag het even verder nog maar eens voor alle duidelijkheid 4. spreek de naam van het dorp niet uit maar wijs gewoon naar je blaadje papier. Deze aanpak werkt dus écht heel goed en daardoor arriveerden we diezelfde avond na een heerlijk rustige rit in het nietige Tanghekou in een even nietig en simpel logement.

De volgende dag reden we constant in een diepe kloof langs een brede rivier, maar het zicht op de nochtans zeer nabije bergen was ver van klaar. Het liep voortdurend lichtjes bergop en op het einde van de canyon kwamen we bij een stuwdam. Een 8 km lange klim gevolgd door een iets langere afdaling bracht ons die avond in Yongning.
De 43 km die ons van Badaling scheidden waren rap weggefietst en al vlug zaten we goed en wel geïnstalleerd bij een ouder koppeltje die van hun boerderij een logies gemaakt hadden. Met een dagje muurklimmen in het verschiet gingen we even de boel verkennen. De weg naar de ingang van de Badaling sectie van de Chinese muur wordt geflankeerd links en rechts door souvenirzaakjes en andere commercie bedrijvende etablissementen. Een hardnekkige mist en koude wind dreven ons snel terug naar ons kamertje waar we direct spontaan op onze knietjes vielen en twee uur lang tot de weergoden baden om mooi weer voor morgen.

En dat geschiedde ook. Een stralend zonnetje, blauwe lucht en nauwelijks wind. Ideaal om wat te gaan afzien op de muur.
Al vlug werd het duidelijk dat we niet alleen waren.
Hele bussen en treinladingen vol waren al op weg naar de muur.
Bij de ingang kun je zowel links als rechts aan de muur beginnen, maar rekening houdende met de stand van de zon en het zicht op de rest van de muur kozen we om met het rechter gedeelte te beginnen. Dat was duidelijk minder bevolkt dan het linker gedeelte. De muur hier is volledig gerestaureerd en is best indrukwekkend. Misschien wel iets te gerestaureerd. Sommige stukken waren zo steil dat menig Chinese mede toerist zich krampachtig aan de ijzeren leuningen vastklampte ter ondersteuning (in Jinshanling -ter vergelijking- zijn er nog steilere stukken zonder die ijzeren hulpstukken).

WORTEL TERREUR

Het linker gedeelte was op zijn zachtst gezegd een pak drukker. Als een processierups wrongen we ons tussen de toeristen door naar boven. Het meest te ontzien gedeelte is tussen het stuk waar je het hoogste punt van de muur bereikt (rond de 880 m) en de kabelbaan. Er was bijna geen doorkomen meer aan. Voetje voor voetje schuifelend naar boven omsingeld door honderden kwelende, kwekkende Chinezen en af een toe een handjevol westerlingen. Voorbij dat hoogste punt duikt de muur als een waterval naar beneden en op slag is de massa verdwenen. Je bent er wel nog niet alleen, maar het scheelt al een stuk. Hoe verder je dan gaat, hoe minder druk. Op een bepaald punt kom je aan een dichtgemetselde wachttoren wat meteen het einde betekent van het te bewandelen stuk muur. Je ziet de muur evenwel nog kilometers lang in de verte weg kronkelen tot het bouwsel na de zoveelste bergkam uit het zicht verdwijnt.

Terugkeren naar het beginpunt kun je door op je stappen terug te keren om nogmaals die flessenhals te doorworstelen of je kunt de weg  nemen die terug naar de ingang leidt. Daarbij passeer je nog tientallen souvenirstalletjes en twee plaatsen waar een aantal zielige beren om worteltjes zitten te bedelen. Voor 3 yuan mag je dan wortelen gooien. Zeer groot was mijn goesting om de wortelcommercant samen met zijn oranje attributen in de put tussen de beren te katapulteren. Ik had er graag 30 yuan voor betaald. Enkel China’s meedogenloos rechtssysteem weerhield mij hiervan. Een gemiste kans.

 KORT LONTJE

Met Badaling nog vers in de kuiten begonnen we aan het vervolg van ons fietstripje.
Een 2 of 3 tal dagen fiks door stampen had ons moeten in Wutai Shan brengen maar de immer presente rimpelingen in het landschap zorgden ervoor dat drie dagen uiteindelijk zes dagen werden. De rimpelingen muteerden van korte klimmetjes naar lange beklimmingen, culminerend in een epische beklimming van Wutai Shan.

Over de eerste vier dagen kunnen we relatief kort zijn: we opteerden voor de meest directe route richting Wutai Shan, daarbij kiezend voor de “groene” wegen op mijn kaartje. “Groen” staat voor de iets rustigere weg, maar in China weet je maar nooit. Onze fietstocht in de ruime omgeving van Peking op die groene wegen was een meer dan welkome afname in druk verkeer t.o.v het hectische Peking zelf. De groene wegen waar we nu op zaten waren echter een stuk drukker en werden fel gefrequenteerd door luid toeterende kolenvrachtwagens. De regio rond Peking en Datong is steenkoolgebied en dat hebben we aan den lijve ondervonden. Niet door smog, maar juist door die vrachtwagens en de vele steenkool-verdeel-bedrijfjes langs de weg. Voeg hierbij nog een heel legertje “rekketeks” (zo noemen wij die driewielerige kleine vrachtwagentjes naar het geluid dat ze produceren) die dikke zwarte roetwolken onze richting uit spuwen  en nog een ferme kudde grote en kleine bussen en je begint al te begrijpen dat er leukere fietsroutes zijn. Als het droog is, heb je heel wat opwaaiend stof en krijg je bijna spontaan stoflong. Als het regent zie je eruit als Bart Wellens na een slijkerig cyclocross wedstrijdje.

Hoogtepunten tijdens die 4 dagen? Waren op één hand te tellen: 1. het hangende klooster nabij Hunyuan (als een zwaluwnest hangend aan een imposante rotswand zo’n 70 meter boven de begane grond) 2. China’s oudste en hoogste houten pagode in Ying Xian. 3. Katriens steeds imposanter wordende kuiten 4. Henks steeds korter wordend lontje.***

Op dag vijf veranderden we van rijrichting bij het verlaten van Ying Xian en stevende onze route recht af op de als een muur voor ons liggende bergen.
Zonder pardon liepen de eerste drie kilometers steil de bergen in en na een korte afdaling klommen we iets minder steil verder in een mooie bergkloof om in de late namiddag al te arriveren in Sha He. Het was amper 15.30, maar een volgende beklimming lag al te wachten op ons en die was niet van de poes. Dachten we. Dus einde rit.

Tijdens een avondmaal in buffet-stijl in een overdruk volksrestaurant hoorden we buiten een hele reeks knallen en ontploffingen. Vuurwerk zoveel was duidelijk, maar een reden of aanleiding voor deze buskruiterige uitspattingen hadden we niet meteen. Al moet er niet direct een reden zijn, want Chinezen en vuurwerk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Pak de Chinees zijn vuurwerk af (het stinkt en maakt een hels kabaal, woehoe) en het volk verliest direct zijn reden van bestaan. Maar de intensiteit en de duur van deze vuurwerkorgie moest toch wel een verklaring vinden in een of andere feestdag of zo.
En zo was het ook: mid-herfst. De westerling die niet door de uiteenspattende vuurpijlen, gillende keukenmeiden, en kettingbommen (of hoe heet je zo’n oneindige reeks klappertjes die klinken als mitrailleurvuur?) afgeleid is, kan her en der kleine “altaartjes” met offergaven ontdekken. Een bedanking richting zwerk én goden voor het voorzien van zovele vruchten en groenten tijdens de oogst? Mogelijk.
Ooit al eens iemand met een brandende sigaret vrolijk een vuurwerkwinkel zien binnenstappen ? Hier geen probleem. Het arsenaal aan vuurpijlen en dergelijke dat zo’n doorsnee prutswinkeltje verkoopt is naar onze bescheiden mening genoeg om het ruimteveer Challenger naar Sirius en terug te schieten.
Toch één Chinese jonge vrouw met verschrikt gezicht, tranen in de ogen en vingers in de oren zien vluchten voor al dat geweld.

CHINESE COL BUITEN CATEGORIE

Dag zes dan; de rit van Sha He naar Wutai Shan en een rit die wel eens de koninginnenrit zou kunnen worden. Dachten we. Starthoogte 1000 meter, eindbestemming 1700 meter, met naar alle waarschijnlijkheid een welriekend colletje daartussen.
Wutai Shan zelf is de naam van de hoogste bergtop (3050 m) en één van de vele locaties met tempels en kloosters in een ruimer gebied. Dit gebied is één van de vier belangrijke gebieden in China voor het Boeddhisme.
De klim begon onmiddellijk bij het buiten rijden van het hotel en zou zo’n 35 km lang aanhouden. De weg bleef maar eindeloos in een schitterend berggebied naar boven kronkelen om zo op 2520 m hoogte uiteindelijk weer af te dalen tot in Taihuai, het dorpje met alle toeristische voorzieningen. De klim was lang maar was eigenlijk best vlotjes verlopen en in de vroege vooravond hadden we al een dak boven ons hoofd. We waren beiden wat verkleumd, want daarboven was het goed fris en tijdens een afdaling krijg je niet veel warmer. Het weer was bovendien weeral eens van morgenzon naar sluierwolken en laaghangende soep geëvolueerd, dus dat bevordert ook niet echt het warm krijgen.

Na zes dagen onafgebroken fietsen en eigenlijk nog maar twee “rustdagen”, was het wel weer eens tijd om een dagje ter plaatse te blijven. Die twee “rustdagen” waren eigenlijk ook verre van rust, er kwam weliswaar geen fiets aan te pas, maar het beklimmen van die duizenden steile trappen op die twee stukken muur is
ook behoorlijk intens.
Een echte rustdag dus nu, met het gezapig kuieren in en rond enkele mooie buddhistische tempels en kloosters en het gemoedelijk kuieren in de vele winkeltjes en streekproduct stalletjes.

Hoe we ons verder door China bewogen lees je in een volgend en laatste verslagje.

*** Het samenvallen van druk verkeer, stof en lawaai, steenkool partout, de Chinese drang naar vooruitgang ten koste van vooral natuur en het ontbreken van die mooie natuur en gewoon de globale lelijkheid zorgden ervoor dat ik toch wel wat mokkend en humeurig op mijn fiets rondreed. Katrien had er minder last van, maar ik miste vooral de rust en de natuur

ZIMBABWAANS BRUIN

Compleet gekloosterd en klaar voor het vervolg van onze fietsreis trokken we de hoteldeur achter ons dicht en onder een volledig dichtgetimmerd wolkendek lieten we Taihuai achter ons. Na een 25 tal km zachtjes bergaf te sjezen, volgde een korte heftige klim van zo’n 200 hoogtemeters. Intussen waren we ook helaas dat dichtgetimmerd wolkendek in gefietst. Spreek je nog van mist als je klimmend de wolken in fietst ? De korte klim werd gevolgd door een zeer lange afdaling tot bijna zeeniveau doorheen een machtig decor die duurde tot we onze eindbestemming van de dag bereikten. Klein detail was dat we door dat wolkendek dat als het ware met ons mee afdaalde weinig van dat machtig decor konden zien. Hoe weten we dan dat het een machtig decor was ? Hmm. We dwalen af. Wie zich dat ook afvraagt moet maar mailen.

De volgende dag begon onder een zo mogelijk nog meer dicht-getimmerd uitspansel.
Tot een flink stuk in de namiddag trotseerden we een felle regen en bevuilden we ons zelve met al dat nat geworden prut van de weg. Slijk, kolengruis en Chinezenmochels* (de inboorling schraapt de keel luid- keels en rochelt*** dan vol overgave richting wegdek) en meer van dat fraais. Voorbij stuivende vrachtwagens lanceerden die onverkwikkelijke mix van op de weg recht op ons en zorgden ervoor dat we al snel zo smerig waren als het wegdek zelf.
Voor we ons hotel binnengingen die avond gaven we onszelf buiten een flinke afspoelbeurt onder de waterkraan. Vergeet alle flacons zelfbruiner, en fiets gewoon een uurtje bij regenweer langs Chinese wegen en je ziet vanzelf Zimbabwe-donkerbruin tot zwart.

Onze landing uit het hooggebergte vond zijn hoogtepunt (laagtepunt eigenlijk) op zeeniveau in Baoding. Een zoveelste stad waarbij je eerst tientallen in aanbouw zijnde woonblokken tot wel 30 hoog passeert vooraleer tot de chaotische kern door te dringen. We aten rond de middag een volledige eend met bijhorende deegwaren en groenten en dat smaakte bijzonder goed. Vanaf heden bekijk ik de nobele Zandvoordse Keignaert-eend met geheel andere ogen. Wie mij eerstdaags kwijlend langs de Keignaert oevers ziet strompelen weet wat er in mij omgaat. Zouden de verschillende soorten anders smaken? Een wetenschappelijk doch ervaringsgericht onderzoek dringt zich op.

We hadden geen zin om opgeslokt door het drukke en stoffige verkeer de Chinese hoofdstad binnen te karren en besloten de 130 km die Baoding van Peking scheidt per bus te overbruggen. Na heel wat Babylonisch over en weer gecommuniceer in het grote busstation geschiedde aldus.

De km teller stond ondertussen op 1300 km en gezien onze ervaringen de vorige dagen op stoffige en drukke wegen met net iets te weinig natuurpracht en rust, hadden we  besloten om de laatste week van onze vakantie  per trein (én zonder fiets) naar het zuiden van China te sporen.
Of dat lukte verneem je in het allerlaatste verslagje van deze 2013 reis.

***de mochel wordt uitgescheiden d.m.v. de rochel (of was het nu vice versa?) Voor vragen; één eamailadres

LI-MET-DE-PET

Na een zeer zonnige smogloze Pekingdag die o.a. diende om treintickets te regelen naar het zuiden (terug tickets hadden we online al geregeld) stonden we op 26 september als twee glunderende peuters op de eerste schooldag klaar om de G101 Bullet trein van Peking naar Shanghai te nemen. China’s paradepaardje op treingebied is een mooi staaltje technisch vernuft op zijn Chinees. Een slanke gestroomlijnde witte HST (hard sjezende trein) stond stampvoetend op ons te wachten. Amper een aantal km weg van het station haalt het beest al alles uit de kast. Aan een rotvaartje van 306 km/h knalden we de 1350 km naar Shanghai in 5 uur 30. Het kan nog rapper, maar deze Bullet hield een viertal maal halt.

Hop de taxi in, verkassen naar Shanghai Zuidstation om 2 uur later de K181 naar Yushan te nemen. Afstand: 700 km ongeveer. Deze lange-afstandstrein van Shanghai naar Kunming deed er ongeveer 7.30 u. over.
Topsnelheid: 80 km/h. “Hard seat” wat betekent : goedkoopste ticket en drukste coupés. Tussen de Li-met-de-pet.
Vriendjes gemaakt met mister Li, die ons bij aankomst in Yushan om 22.50 u. meetroonde naar de wagen van zijn wachtende broer en ons  vijf minuten later afzette aan een hotel en alles regelde voor ons. De volgende morgen had ie beloofd ons de resterende 50 km naar Jinshan te voeren, maar een overijverige baas eiste zijn enige vrije dag op en dus kon hij ons alleen maar naar het busstation voeren. En dat lag een duizelingwekkende 200 meter van het hotel. Maar meneer Li stond er die morgen, reed de 200 meter, begeleidde ons mee naar het busstation en betaalde zowaar ons busticketje.
Een uurtje later stonden we in Jinshan aan de voet van Sanqing Shan (shan spreek je uit als san en betekent berg). Hier planden we vier dagen om de vele wandelpaden te verkennen van deze berg.

Het berggebied is (bij gunstig weer) ont-zet-tend mooi en zou de komende dagen de spreekwoordelijke pleister op de tekort-aan-natuur-wonde moeten worden.
Wie ooit al eens de plaatselijke meeneem Chinees heeft bezocht thuis, heeft waarschijnlijk al dan niet bewust de kitscherige schilderijen en kalenders gezien met grillige scherpe pieken, groen bebost en gehuld in mysterieuze nevelen. Zo ziet het er hier uit !

DUIZELINGWEKKENDE AFGRONDEN

Gewapend met een nogal primitief kaartje trokken we met gemengde gevoelens (want toch wel zeer dikke mist) de eerste morgen de bergen in. De eerste 800 hoogtemeters pleeg je in een kabelbaantje (kabelbaantjes, lawaai, vuurwerk, toeteren, rochelen, copieuze maaltijden waar je maar een vierde van opeet, groepsactiviteiten, de sigaret, de rekketek én de auto zijn allemaal onmisbaar en noodzakelijk voor een gelukkig en voorspoedig Chinees leven).
Op 1200 m stap je uit het bakje  en wacht een redelijk uitgebreid netwerk van wandelpaden op de toerist.

De term “paden” is echter relatief. Het betreft  hier namelijk een bont samenraapsel van houten steigers door naaldwoud, steile trappen tussen rotsen en betonnen “zwevende” steigers. Vooral die steigers stelen de show en dragen bij tot de majestueuze uitstraling van het gebied.
Die betonnen steigers zijn namelijk best lang (variërend van enkele meters tot bijna 4 km.) en zijn veelal aan loodrechte rotswanden verankerd. Wanneer je dan over de balustrade kijkt, eist een duizelingwekkende diepte al je aandacht op. Voor je, naast je, achter je, boven en onder je zie je ontelbare grillige granieten rotspieken en formaties die treffende namen gekregen hebben zoals: king monkey looking at treasure, 2 pinguins presenting peach, giant boa, fox gnawing at rabbit, eastern goddess, sea lion eating moon enz.
De benamingen lijken vergezocht, maar veel fantasie moesten we niet aanboren. Het leek wel alsof een aantal artiesten druk in de weer waren geweest met het beeldhouwen van die rotsen. Niet dus. Puur natuur.
Als kers op de taart staan knoestige en door weer en wind geteisterde naaldboompjes krampachtig (maar met succes) houvast te zoeken in het graniet. Check de foto’s die volgen en veel zal duidelijk worden.

De eerste dag echter niet zo bijster veel gezien wegens de dikke mist met uitzondering van een tweetal uur waar de wolken een niveautje hoger gingen hangen en we eindelijk vat kregen op het landschap.
Maar net die mist/wolken maakt ook de charme uit van dit berggebied. Als het bijvoorbeeld in flarden rond of tussen bergen hangt, of als het dal in wolken is gehuld en de pieken vrij zitten.

De volgende drie dagen waren qua weer ronduit schitterend en onze digitale kameraadjes transfereerden ontelbare megabytes richting memorycard. Ze gloeien nog altijd na.

EEUWIG LEVEN ! IEMAND ?

Het is niet enkel een wreed schone bergzone, maar ook één van de weinige plaatsen waar het Taoïsme ongehinderd kon verder floreren en waar de vele tempels niet vernield werden tijdens de culturele revolutie onder grote roerspaan Mao (zonder kabelbaantje en betonsteigers behoorlijk ontoegankelijk).
De monniken waren destijds (nu iets in mindere mate) op zoek naar het eeuwige leven en hadden -zo beweren althans sommige tongen – bronnen die het eeuwige leven boden. Ze maakten zelfs (kruidige) pillen die de slikker ervan het eeuwige leven gaven.

Enige smet op al dit moois was weerom dat we niet alleen waren. En dat geldt eigenlijk zo’n beetje voor het gehele Chinese grondgebied.
Ze zijn namelijk met heel veel en ze zijn overal, Tibet en de Chinese woestijnen uitgezonderd. En ze zijn er vooral wanneer een van de twee “golden weeks” aanbreken. “Golden weeks” zijn zowat de grote vakantie in China en duren welgeteld 7 dagen .
Deze golden week was er naar aanleiding van de nationale feestdag van China (1 okt).
Dan neemt iedere Chinees die over minstens een paar Yuan beschikt in volgorde van rijkdom ofwel 1. Een week vrijaf thuis, 2. de bus 3. de trein 4. de wagen 5. het vliegtuig. De overgrote meerderheid reist in eigen land en als je weet dat ze met 1.2 biljoen zijn, dan moeten we er geen tekeningetje bij maken denk ik zo maar een beetje.

Chinezen reizen ook bij voorkeur in groep. Dan loopt er een gids voorzien van megafoon of persoonlijk luidsprekersysteem én bijpassend vlaggetje op lange stok luid kwekkend van het ene punt naar het andere punt. Iedere groep heeft minstens een tiental eenheden die niets liever doen dan luid roepen en tieren. Wanneer een vergelijkbaar tiental in een andere groep op afstand dit hoort, moet dit beantwoord worden middels liefst nog luider gebrul en geroep.
Niet iets wat je met bergen vereenzelvigd.

Wat minder storend is, maar minstens even typerend is dat de doorsnee Chinese madam haar beste zondagse tenue aantrekt voor een uitje in de bergen. Denk aan gigantische sjacossen, korte minirokken met kousenbroeken, naaldhakken en hoeden die niet zouden misstaan op Waregem koerse.
Dan moet je wel weten dat als je iets wil zien van het gebied, onorthodoxe trappen met een onverbiddelijke steiltegraad (en ze komen zonder overdrijven per duizend treden opeenvolgend), liters zweet en gietende regen, hardnekkige mist en gierende wind, hoogteverschillen van 300 meter per stukje traject je deel kunnen zijn. Chapeau voor deze grotesk opgetutte madams, maar wij waren maar al te content met onze stoere bergstappers, rugzak voorzien van poncho, drank enz.

September 29 en 30 waren doenbaar qua drukte, oktober 1 en 2 waren circus.
Hou je niet van beklemmend veel volk, mijdt dan de eerste 7 dagen va oktober, ergens een week in mei, en Chinees nieuwjaar (februari ?)
Op andere dagen is er gewoon veel volk. Ze moeten natuurlijk ook ergens lopen, rijden, rochelen en roepen hé.

De fietsloze bekroning van deze fietsreis eindigde met de in twee stappen verlopende treinreis (2000 km) terug naar Peking, het fietsen van hotel 2 (waar al de rest van de bagage + de fietsen stonden) naar hotel 1 (waar de fietsdozen stonden en ons start- en eindhotel) en het prepareren van onze bagage voor de nu toch wel zeer nakende vliegreis naar huis.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s