Klimmen zult gij ! Chillen op vier wielen in Armenië

Mysterieuze tunnel

Op 25 september rijden we via grenspost Bagratashen Armenië binnen. Vrolijk en ongegeneerd rijden we alle stilstaande wagens voorbij. De grensformaliteiten kunnen niet vlotter verlopen, de met een belachelijk grote kepie uitgeruste grenswacht knalt een nieuwe stempel in ons paspoort en onze Georgische Lari’s wisselen we om in Drams (sept ‘16: 1euro= 528 dram).

Een nogal groot zelfzeker blauw bord waarschuwt ons dat de M6 die door de Debed vallei loopt onderbroken is door werken. Bij de afslag naar de M16 rijden we gewoon rechtdoor. “Met onze fiets kunnen we wel door” denken we nog. Een paar km voor Alaverdi sla ik linksaf en begin aan een flinke klim via een bijna kapot-opgelapt wegje naar het 400 meter hoger gelegen Haghpat klooster (976 AD én werelderfgoed). Katrien fietst rechtdoor naar Alaverdi en bespaart zichzelf zo de felle klim naar Haghpat. Ze voelt zich verre van lekker. Een uurtje geleden doneerde ze zelfs heel genereus de inhoud van haar maag aan de Armeense wegberm.

Op de tweede dag van de Debed vallei route komen we uiteindelijk in de zone van de waarheid en passeren een eerste groepje wegarbeiders waarvan er eentje als een knipmes rechtveert en de weg verspert. “Onmogelijk om door te rijden” menen we te begrijpen van de brave man, maar bij gebrek aan een Armeense of Russische taalknobbel zijn we daar natuurlijk nooit zeker van. Het woordje “velociped” Russisch voor fiets, doet hem twijfelen en van deze twijfel maken wij snode westvlamingen gebruik om door te fietsen. Helaas schapenkaas, een volgend groepje wegwerkers maakt ons wel heel duidelijk dat er van doorfietsen geen sprake kan zijn. “Tunnel” zeggen ze en vormen een kruis met hun armen. “Geen tunnel, kapotte tunnel, halve tunnel, afgesloten tunnel ?” Geen mens die het ons verstaanbaar kan maken. We rijden een km of twee terug en slaan een onverharde weg op en beginnen onmiddellijk uit de Debed vallei te klimmen. Het is ondertussen 16.00 u. en veel tijd hebben we niet meer, maar de rustige route en de bosrijke omgeving maken veel goed. Uiteindelijk belanden we na een heleboel haarspeldbochten en een heel slijkerig stuk waar we bijna dreigen te verzuipen in de modder op een mooi kampeerplaatsje in het bos bij een klaterende bron.
De volgende morgen – we zijn nu op het plateau ten oosten van de Debed vallei – rijden we door het dorpje Dregh waar we na heel wat babylonische spraakverwarringen een tweedehands fietspomp kopen. De vorige fietspomp hebben we gewoon in puin gepompt en fietsen zonder pomp voelt zo’n beetje aan als breien zonder breinaalden. Een korte vinnige afdaling van een goeie 450 meter brengt ons terug in de vallei en uiteindelijk in de late namiddag in de op 1350 meter hoogte gelegen stad Vanadzor, Armenië’s tweede grootste. Dankzij het mysterieuze tunnelprobleem was deze route zalig verkeersluw en de rurale bypass die we noodgedwongen fietsten, maakte dat dit een leuke en mooie aan te raden fietsroute was (wegwerkzaamheden gepland tot en met 2018).

“Vanken” à volonté

Na een rustdagje in Vanadzor (regendag) beginnen we aan een – op onze Reise know-how kaart althans – veelbelovende en vooral klimmende route. Een interessant wit lijntje loopt van het grote dorp Margahovit naar de stad Hrazdan. “Zo vermijden we de grote weg die via Dilijan naar het Sevan meer loopt” gniffelen we.

De eerste 300 hoogtemeters vanuit Vanadzor verlopen steil maar perfect over biljart-vlak asfalt. In Margahovit hebben we enige moeite de afslag te vinden naar de Margahovit pas. Wat we verwachtten van deze route blijkt dus niet te stroken met wat onze Duitse kaart suggereert: het is helemaal geen (veel)gebruikte route want er rijden absoluut geen wagens op. Waarom de doorsnee Lada of Kamaz er niet rijden wordt al snel duidelijk.

De eerste km is verhard, de rest loopt in ontelbare haarspeldbochten over variërend zanderige en stenige ondergrond. Het is eigenlijk best befietsbaar maar wel zwaar. De uitzichten en de oorverdovende rust zorgen ervoor dat we ondanks de gevorderde moeilijkheidsgraad dik genieten. Na de pashoogte die op 2.650 m hoogte ligt volgt een veel slechtere afdaling over een stenig pad, dat meer en meer overgaat in kniehoog gras. Af en toe moeten we grote ondergelopen stukken omzeilen. Tot overmaat van ramp rijd ik een scheur van 4 cm in mijn buiten- en binnenband. Ondanks een gejaagde bandenwissel arriveren we die avond in het donker in de buitenwijken van Hrazdan.
Via Sevanavank (vank=klooster) aan het gelijknamige meer dat op een alpiene 1900 m hoogte ligt stampen we geholpen door een rugwind verder naar het zuiden van Armenië. Op nog geen 200 meter van het Hayravank (9e eeuw) klooster poten we onze tent neer op een stukje gras dat niet zou misstaan op een golfterrein. Een perfect gepositioneerde groep rotsen beschut ons van de koude wind die uit het noorden komt aanwaaien.

De volgende morgen vertrekken we met opzet laat, maar dat is niet moeilijk want de wind is gevallen en de zon blikkert als vanouds op de besneeuwde bergen en het Sevan meer en we houden een heuse fotosessie met de kerk, het meer, de bergen en onszelf in de hoofdrollen. Bedoeling is dat we in de latere namiddag arriveren in Noratus, een namiddagbezoekje garandeert immers optimale fotografische omstandigheden. Dit dorpje is namelijk bekend voor zijn grote groep khachkars; eeuwenoude rechtopstaande en zeer verfijnd gegraveerde grafstenen. De oudste dateren van 900 en ter plaatse kun je met een geplastificeerd A4’tje laveren tussen deze indrukwekkende “kruis-stenen”.

Vertelden we trouwens al dat praktisch alles wat maar enigszins te bezoeken valt in Armenië gratis is ? Ik dacht het niet. Met uitzondering van de Griekse tempel in Garni (zie verder) hoefden we nergens entreegeld te betalen. Neem daarbij dat de prijs voor accommodatie, levensmiddelen, benzine en gegidste uitstappen een stuk lager ligt dan pakweg bij ons en je begrijpt al snel dat een reis naar Armenië geen castratie van je portefeuille betekent.

Pools applaus

Via Martuni – gelegen aan de zuidelijke rand van het Sevan meer – klimmen we over de zeer rustige M10 naar de 2.410 m hoge Sulema (ook Vardenyats) pas. De glooiende landschappen achter ons maken abrupt plaats voor een diep ingesneden vallei voor ons omgeven door hoge spitse bergen. Al sinds mensenheugenis trekken over deze pas reizigers en handelaars en daarvan getuigt nog steeds de net onder de pas gelegen en meer dan 700 jaar oude Orbelian caravanserai. Het is de best bewaarde middeleeuwse herberg in Armenië. Gewapend met een pot honing gekocht bij de verkoper met de schattige blauwe Lada storten we ons in de voor ons liggende diepte. We zijn van plan door te fietsen tot in Yeghegnadzor maar in Shatin veranderen we van gedacht. De Yeghegis vallei die links van ons de bergen in klieft ziet er in de late middagzon bijzonder indrukwekkend uit. We twijfelen eventjes maar wanneer we het bordje “Sofya B&B” in de smiezen krijgen, rijden we bergop het B&B tegemoet. Een drietal km uit het dorp ligt deze landelijke B&B en omdat we de volgende dag een wandeling plannen, blijven we er direct twee nachten. ‘s Avonds wordt ons een avondmaal geserveerd van heb-ik-je-daar-eventjes en Max – een Poolse collega toerist – vertaalt alles netjes wat er gezegd wordt.
Op deze fietsloze dag combineren we tijdens een lange maar aangename wandeling het hooggelegen Tsakhatskar kloostercomplex met het op een smalle kam gesitueerde Smbataberd fort dat duizelingwekkende vista’s biedt op twee valleien.

In heel Armenië vind je ontelbare kloosters en kerken, maar telkens valt op dat de stichters van deze gemeenschappen toch wel bijna altijd voor haast onbereikbare en prachtig gelegen locaties kozen. Dat maakt dat je bij het bezoeken van dergelijke historische gebouwen bijna telkens in schitterende en woeste natuur terecht komt.

Nog zo’n mooi voorbeeld daarvan is het Noravank klooster dat op het einde van de Noravank kloof ligt te schitteren in een bijna-keteldal van rood/okergele massieve rotswanden. Wanneer we zwalpend de steile slotmeters oprijden beginnen een twintigtal Poolse toeristen te applaudisseren als waren we Peter Sagan en Jolien D’Hoore verwikkeld in een bitsige eindsprint. Na het bezoekje planten we ons tentje op een smalle richel met uitzicht op het klooster en de canyon; alweer een droomplekje om niet snel te vergeten. We zijn nu op het meest zuidelijke punt van onze tocht en vanaf nu brengt elke pedaalslag ons terug naar het eindpunt van onze route; de luchthaven in het Georgische Tbilisi.
We beginnen onze laatste week Armenië vanuit Noravank met de 8 km lange afdaling naar de M2 hoofdweg om via de Tukh Manuk pas (1798 m) een aantal km voorbij de pashoogte rechts af te slaan op een rustige landelijke weg die nog verder klimt tot 2.000 meter. Dan volgt een lange afdaling over zalig asfalt via Vedi tot bijna aan de Armeense/Turkse grens nabij het Khor Virapklooster. Nog net voor het donker zetten we ons tentje op tussen de wijnranken van een wijngaard op een kleine km van het klooster. ‘s Morgens verlichten de eerste zonnestralen de witte kruin van Mount Ararat en genieten we van het spektakel van de veranderende kleuren (en de aanrijdende toeristenbussen). Wel vervelend voor de Armeniërs dat “hun” mythische berg tegenwoordig op Turks grondgebied ligt. De Armeense genocide wordt niet erkend door Turkije en bij gesprekken met jonge en oudere inwoners merken we dat die genocide nog steeds zeer gevoelig ligt.

Orgels en waterkers

De 57km tussen Khor Virap en Garni is niet bepaald ver te noemen, maar het wordt toch een pittige dagetappe. We zijn ondertussen 6 oktober en het eerste deel van de route loopt tussen de appel-, perziken-, granaatappel- en perenbomen met af en toe een strookje walnoten en wijngaarden. Het is een drukte van jewelste op de velden en boomgaarden. Wanneer we dan eens halt houden stoppen de boeren ons al vlug wat van deze lekkernijen toe en betalen is uit den boze ! In deze tijd van het jaar kun je hier gewoon overleven met wat in de bomen hangt of valt. Armenië doet ons overigens veel denken aan – althans onze – “all time”kampioen in gastvrijheid: grote buur Iran.

Eénmaal voorbij het bijna leeg verdampte Azat reservoir degradeert de verkeersluwe en slechte weg naar een zanderige afdaling in 6 haarspeldbochten om dan weer verder te klimmen tot in Garni.

Dit kleine stadje ligt aan de rand van het Khosrov natuurreservaat op amper 40 km van Yerevan. Het is een goede uitvalsbasis voor tochten in het reservaat (permits nodig) en om de Griekse “tempel” en het op 8 km gelegen Geghard klooster te bezoeken.

De tempel, een Parthenon lookalike, is waarschijnlijk eerder een tombe voor een plaatselijke heerser geweest en staat op een stuk vooruitstekend land dat hoog boven de kloof uittorent. Voor we de volgende dag naar Yerevan willen fietsen, besluiten we nog eventjes de kloof in te wandelen. Net voor de ingang naar de tempel daalt links een verharde weg steil naar beneden. Als we beneden bij de rivier gekomen links afslaan (stroomopwaarts) belanden we plots in een stenen wonderland. We lopen langs en zelfs onder gigantische basalten orgelpijpen. Onder het overhangende basalt sijpelt water langs de rotswand en wilde waterkers klampt zich vast in de barstjes van het harde basalt. Op andere plaatsen zien we wonderlijke plooien in het gesteente en zeshoekige “zitbankjes”. Niet te missen. Een kasseiweg ter hoogte van de forellenkwekerij zorgt dat je er een mooie (relatief korte) luswandeling kunt van maken.
De rit naar Yerevan klimt aanvankelijk nog tot 1615 m hoogte maar dan volgt een lange afdaling en een hectische rit in het centrum van Armenië’s hoofdstad tot aan het Hrazdan hotel. Het ligt net buiten het centrum en door de vele ramen die alle kamers rijk zijn heb je een schitterend zicht op de stad, Ararat en de Hrazdan kloof. Die avond lijkt het bijzonder druk in en rond het centrum en we besluiten de grote mensenstromen te volgen tot we uiteindelijk aan het grote centrale plein (Plein van de Republiek) komen. De statige imposante gebouwen zijn mooi verlicht en uit de boxen schalt Charles Aznavour’s stem. De fonteinen voor het museum spuiten op de maat van de muziek ter ere van de 2798ste verjaardag van de stad !

“Na zdorovje”

Stadsmussen zijn we niet en gaan we waarschijnlijk ook nooit worden, maar toch genieten we nog een tweede dag in deze bijna altijd zonnige stad en op 10 oktober laten we Yerevan achter ons via de Hrazdan kloof aan ons hotel. Via de stad Yeghvard klimmen we verder op de oost- en noordflanken van de uitgedoofde Arailer (Ara) vulkaan. Zoals gebruikelijk wordt er weer wat afgetoeterd. Dat doet de doorsnee Armeen niet uit agressie. Dat doen ze om ons te waarschuwen dat ze er aankomen of zelfs om ons aan te moedigen. In de vele dorpjes die we passeren trekken we trouwens ongewild alle aandacht naar ons toe en heel wat mensen zijn bijzonder geïnteresseerd in wat een koppel van ietwat gevorderde leeftijd begot op een fiets zit te doen. Toch jammer dat we geen woordje Russisch of Armeens spreken, dat zou tot ongeziene inzichten leiden !

De wederom bijna verkeersvrije route (jawel, we zoeken ze op) stijgt tot 1920 meter en de laatste 8 km voor we de drukkere M3 oprijden veranderen zonder aanwijzing van goed naar bar slecht. Pal voor ons zien we de witte tanden van de Aragats vulkaan blikkeren. Die nacht kamperen we in het sparrenbos vlakbij het stadje Aparan en stoken we een groot kampvuur want de temperatuur hier mid oktober op bijna 2.000 m is niet bepaald warm te noemen.

Na een uitgebreid ontbijt met het lekkere Armeense “Lavash”-brood (groot, ellipsvormig, dun en plooibaar) met honing en in het kampvuur opgewarmde choco klimmen we verder naar de Pamb pas (2.152 m).

Daar volgt een frisse – want het weer slaat om – afdaling tot in Spitak stad. Deze stad werd in 1988 bijna compleet verwoest door een zware aardbeving. Een kebab met salade later dalen we nog wat verder af tot aan de westelijke rand van Vanadzor op circa 1400 m.
De M3 slaat hier linksaf en baant zich noordwaarts een weg naar de Armeens/Georgische grens. Vermits de parallel lopende M6 (weet je nog: de door de mysterieuze tunnel versperde weg) een alternatief biedt om in Georgië te raken zijn we bang om op een zeer drukke weg te belanden. Dit is evenwel niet zo. 9 km na de splitsing en al op 1750 m hoogte hebben we de keuze: 1. twee km tunnel door of 2. op de oude pas 300 hoogtemeters verder klimmen. Ik geef Katrien de keuze en ze kiest ook voor de klim. Dat beklagen we ons niet. Het stijgingspercentage is menselijk en de totale klim is maar zeven km. Er is geen verkeer en we zitten in tegenstelling tot de tunnel lekker in het zonnetje. Op de Pushkin pas (2.037 m) staat er een ijzige die de door Iran gesubsidieerde 4 windmolens nijdig laat rondspinnen. In de bosrijke afdaling zien we zelfs berenkak op de baan liggen. Helaas kruist geen enkele pluizige vierpoter onze weg.
In het dorpje Gargar is er volgens mijn “Pocket Earth Pro” applicatie een B&B. De “Geologists house”. We rijden geleid door mijn iPod de straat in, doen navraag bij twee lustig tetterende inboorlingen die prompt naar hun wafelijzer grijpen en een jonge gast optrommelen om ons naar die bewuste B&B te begeleiden.

Daar gekomen is de uitbater net als ons blij verrast. “Hoe hebben jullie mij gevonden ?” Dat weten we zelf niet goed. Er stonden immers nergens bordjes of zo. Mijn app had het blijkbaar juist.

“Armen” de zoon van de ondertussen overleden eigenaar is zijn ouderlijk huis tot een B&B aan het ombouwen. Een ruime comfortabele kamer wordt prompt voor ons vrijgemaakt en ‘s avonds worden we vriendelijk uitgenodigd om aan het familiale diner deel te nemen. We mogen daar absoluut niet voor betalen en de wodka vloeit rijkelijk. Moeder heeft het beste van zichzelf gegeven in de keuken en af en toe komt er een buur binnenwippen om die exotische fietsers eens te zien. Wanneer Armen vraagt hoe oud ik ben, kan ik niet anders dan de waarheid te vertellen: “ik ben vandaag toevallig 46”. Wat volgt kun je al raden: een tweede fles wodka wordt er bijgehaald en de ene toost volgt de andere op in een onverbiddelijk tempo waardoor ondergetekende omstreeks 02.00 met behoorlijk onzekere tred naar de gastenkamer strompelt. We hebben de hele avond en nacht zitten discussiëren en palaveren over alles wat de mensheid aangaat en oververzadigd aan informatie maar vooral alcohol stort ik gistend neer naast mijn reeds diep slapende wederhelft.
De onverantwoord snel volgende morgen ben ik natuurlijk “perte totale” en na een hmm… karig ontbijt vertrekken we pas om 13.00 u.Via Stepanavan sukkelen we verder tot de grenspost Gogavan. Ook daar verlopen de grensformaliteiten – in tegenstelling tot mijn gastro-enterologische toestand – bijzonder ahum… vloeiend.

Waarom er zo weinig verkeer zat op de M3 Vanadzor – Georgische grens wordt direct pijnlijk duidelijk: de weg Georgië in, is zo slecht dat geen enkele weldenkende trucker of automobilist dit ook maar overweegt. Dat, daarentegen beste mensen is een ander verhaal.