Zweten in “de” Gambia

DOOD AAN DE BOTERVIS

Voila, een namiddagje en een volledige dag zitten erop in Gambia. Je kunt hier moeilijk ontkennen dat je in Afrika zit; het loopt hier zwart van het volk (zeker niet bedoeld zoals het Vlaams Behang het bedoelt), het verkeer gaat alle richtingen uit én dan vooral in de richting van de eenzame fietser, de loden ploert in de lucht knuppelt onophoudelijk op mijn Vlaamse kop en de armoede is méér dan zichtbaar. Maar hoe trots dragen die Afrikaanse Gambianen dat ! Geen gezeur, geen lange gezichten, neen: lachen is het devies en er het beste proberen van te maken en “en passant” die rijke toubabs (blanken) een klein bedragje afhandig maken. We spreken dan over bedragjes in de orde van 10 cent tot 1.50 euro. Peanuts voor ons maar voor hen maakt dat een wereld van verschil.

Gisteren arriveerde ik dus om 12.00 in Gambia en jubelt ende juicht, mijn bagage én fiets waren mee. Een klein uurtje gewacht op Peter, de Oostendse coördinator van de stedenband die er bestaat tussen Oostende en Banjul en netjes afgezet aan mijn klein hotelletje.
Fietsje in elkaar geknutseld, duik in het zwembadje gepleegd en meteen de fiets opgesprongen voor een eerste verkennende fietsrit van de onmiddellijke omgeving. De Gambiaanse kust staat vol van resorts in alle mogelijke prijsklassen en dat trekt dus heel wat bleekscheten aan. Een hele hoop bleekscheten bij elkaar doet mij meestal de andere kant ophollen en dat is ook wel het plan maar pas voor overmorgen. Het is namelijk ook eens leuk om die zee te zien en nog eventjes van gevarieerd voedsel te kunnen genieten. Dat zal dus vanaf overmorgen heel wat anders worden. Dan trek ik met mijn fiets (die hier heel wat bekijks krijgt) het Gambiaanse binnenland in. Ten noorden en ten zuiden van die stroom strekt de Gambiaanse landmassa zich slechts enkele kilometers uit zodat we kunnen spreken van een zeer smal landje. Een dikke 340 km oostwaarts van de Atlantische oceaan houdt Gambia ook op.
Vandaag zat ik al aan het ontbijt om 08.00 u en om 9.30 zat ik al op de fiets richting Banjul. Mijn eerste halte was het stadhuis van Banjul waar ik op sleeptouw werd genomen door Peter en vermoedelijk alle medewerkers, secretarissen en -essen, de ruimdienst, de IT dienst, de mecaniciens en chauffeurs de hand heb geschud. Er stond zelfs nog een oude Oostendse vuilniswagen te pronken en van die vuilbak-bakfietsen. Na de middag en een lang aanslepend middagmaal zowat alle straten van Banjul doorfietst, postkaartjes gekocht, een Gambiaanse simkaart aangeschaft en gretig gebruik gemaakt van mijn nieuwe aanwinst; een kleine camera die op mijn fiets gemonteerd staat en zeer discreet maar o zo ongenadig alles vastlegt. Mensen kun je hier niet ongevraagd fotograferen, laat staan filmen, maar dit toestelletje zit onopvallend op mijn vork gemonteerd en middels een kleine afstandsbediening schiet dit vernuftig toestelletje onmiddellijk in gang. Nu is het zo dat Gambiaanse (en bij uitbreiding Afrikaanse) derrières bijna een eigen leven leiden en de draagster ervan bijna constant dreigen uit koers te slaan waardoor de vrouw in kwestie in de berm zou kunnen belanden. Dit ontgaat mijn kameraadje, cameraatje natuurlijk niet en het feit dat dit ding dan nog op achterwerk-hoogte op mijn fiets vastgesjord is zorgt ervoor dat ik wel heel wiegende beelden kan schieten.
Nu dien ik wel een kanttekening te maken, dat het nooit mijn doel is om achterwerken te verzamelen op pellicule. Af en toe zo’n dansend ding in beeld zien komen en weer verdwijnen geeft toch ook wel een zekere meerwaarde aan de video’s.

Zo belanden we bij deze avond, op dit eigenste moment waarop uw verlaggever gezeten aan een tafel, links van hem de ruisende Atlantiek en rechts van hem de rijkgevulde bar op het punt staat om zijn tanden in een gebakken “botervis” met gebakken banaan en pikante notensaus te zetten. Ik kan me een oneindige reeks slechtere momenten voor de geest halen.
Om af te ronden; ik heb hier extreem snel mijn draai gevonden, ik begin zo’n beetje een zicht te krijgen op de gangbare prijs van menig eetbaars, mijn fiets snort als nooit tevoren. Regen of sneeuw zal hier nu niet vallen (sinds de onafhankelijkheid zo’n 48 jaar geleden heeft het hier eigenlijk niet meer gesneeuwd en zal het voor alle duidelijkheid ook nooit doen), enfin we stellen het goed.
Zo, nu ga ik nog een fris biertje drinken, nog wat verder rotzooien op mijn iPad, mijn fietszakken in staat van paraatheid brengen voor  de eerste bepakte fietsdag morgen en voor het slapengaan nog wat vliegende bloedzuigende ettertjes doodkloppen.
Een volgend verslagje zal waarschijnlijk pas op het eind van de reis komen, want buiten de zee, bleekscheten en hete douches zal ook het internet wegvallen. Kuifje goes brousse.
Bij leven en welzijn, tot later

MINTI, MINTI

“Minti minti” sprak de inboorling, waarop de fietsende “toubab” (blanke man) er in verschillende gradaties van welwillendheid het volgende op antwoordde: “Yes, yes”, “haha” en “no thank you”. “Minti minti” is het Mandinka voor “geld, geld”, tja… fietsende, wandelende, ja zelfs  halfdode of kruipende toubabs worden geacht rijk te zijn en in zekere mate gaat dat wel op, want de lokale inboorling heeft eigenlijk bitter weinig. “Lokale inboorling” hoor ik je denken ?  Buitenlandse inboorlingen moeten inderdaad nog uitgevonden worden. We wijken af.
Gisteren vertrokken vanuit mijn tijdelijke uitvalsbasis 12 km ten westen van Banjul, en grotendeels de drukke kust gevolgd over lekker fietsende tarmac. Eenmaal Brufut gepasseerd, laat je de drukke en door blanke toubabs gedomineerde kustzone vrolijk achter je en wordt de kust een pak minder bevolkt en bebouwd. Uiteindelijk werd ik in Gunjur bijna letterlijk van de weg geplukt door een overenthousiaste inboorling die zijn voedsel en logement aan de voorbijfietsende toubab probeerde te slijten. De gedachte aan eten speelde al een dik uur door mijn bolle hoofd, want van fietsen krijg je honger. Van niks doen trouwens ook. Tijd om te eten dus, en al vlug stond er een bordje vis met slappe frieten voor mijn neus. Omar de baas van het zaakje was nogal van het enthousiaste type, praatziek ook een beetje en ik besliste om er ook te overnachten. Bagage van mijn fiets gehaald en de resterende km’s tot aan de noordelijke grens van zuid Senegal (haal er de kaart bij, en veel wordt duidelijk) gereden. Daar kun je in krakkemikkige kano’s (pirogue heet dat hier) lekker illegaal de grens oversteken. Ik hou het liever legaal en keerde aldus mijn stalen ros. Mijn schitterende op achterwerkhoogte gemonteerde bulletcam (zie hoger) leverde weer eens schitterend werk toen ik mijn parmantig voor een militaire checkpoint posteerde en al pratend de nietsvermoedende militairen filmde.
Eenmaal terug aan mijn logies wandelde het al even enthousiaste neefje van Omar-de-guesthouse-baas mee tot aan de atlantiek, waar buiten twee Nederlandse toeristen, ik de enige toubab was.

Vandaag 6 maart vertrok ik schandalig laat vanuit Omars optrekje. Tien uur, rijkelijk laat dus. Eerste kilometers waren terug supergladde tarmac, maar dat veranderde drastisch. Ik had het lumineuze idee om ipv een grote ommetoer via Brikama richting south bank road te rijden, de korte route te rijden. Ik wist gelukkig wel dat dit volledig onverhard ging zijn, maar de savanne lonkte en Kuifje ging eens de lokaalste en plattelandste inboorling goeiedag zeggen. Nog nooit zoveel de weg gevraagd als vandaag, maar het moet gezegd, eigenlijk niet verkeerd gereden. Met dank aan die lokale inboorlingen overigens. De staat van de zandwegels waren zoals het eerste woord in dit samengesteld woord doet vermoeden: zanderig. En dan moet zelfs een rijke toubab afstappen en duwen. Tot overmaat van ramp constateerde ik dat omstreeks km 16 mijn achterste nogal verdacht raar deed. Achterste van de fiets bedoel ik. Een snelle blik resulteerde in een “verdomme” uitroep. Platte band begot! Ik was nog maar pas begonnen of een bejaarde man op de fiets stopte en begon mij simpelweg te assisteren. In nog geen 15 minuten lag de reserve binnenband erop en fietste de oude man voor mij weg. Niet verder fietsen betekent stilstaan en daar raak je ook nergens mee, dus vervolgde ik mijn weg van dorpje naar dorpje over het zand, soms verhard, meestal niet, constant de weg vragend aan de mensen. En dat ging heel goed, onder het aanhoren natuurlijk van menig minti minti en schel geroepen toubab. Op het einde van de savanneroute nog een nietsvermoedende militaire post gefilmd en uiteindelijk op de verharde south bank road beland.
Een mogelijk logies lag nog een superhete 35 km verder, en ik twijfelde eerlijk gezegd of ik dat nog ging halen, want behalve een flink ontbijt en rond 13.30 een klein broodje (tapa lapa in de volksmond), en enkele druivensuikers en veel vocht heb ik niet veel meer binnengespeeld. En wat ik in mijn tweede jeugd meer en meer ervaar, is dat ik meestal zo een tijdje voor het bereiken van mijn eindbestemming de man met de moker tegenkom. En ik kreeg zowaar twee meppen  van zijn moker. Eventjes bibberend en schuddend op een boomstam gaan liggen, 4 druivensuikers naar binnengespeeld en het restje tapa lapa, 5 minuutjes wachten en ik kon weer een eindje fietsen.
Stipt om 18.00 uur arriveerde ik dan in Bintang bilong, een schitterend logies, waar ik niet het flauwste vermoeden van had hoe het ging uitvallen. Maar wat een schitterende locatie ! Een goeie 80km verwijderd van de kust is de heerschappij van de zee nog altijd oppermachtig want het zeewater stroomt met gemak zo diep landinwaarts de rivier in . Die “zee-arm” – rivier is hier verschillende honderden meters breed en majestueus omzoomd door mangrove bossen.  Knal in die mangroven hebben ze hier een “lodge” gebouwd, houten individuele paalwoningen met in je achtertuin mangrove bos, en vooraan een terrasje dat wiebelend balanceert boven het zilte water. Verschillende watervogels trippelen door de mangrove en vliegen verschrikt op en krabben maken grappige geluidjes met hun scharen. Ik vrees er een beetje voor dat ik hier morgen niet wegraak. Iets verder weg van het water, wijzen statige baobabs met hun takken naar de hemel.
Hutje geregeld, in mijn zwembroek gesprongen en nog oververhit van de bewogen fietsrit in het zoutige sop gesprongen. Wat een eind van een interessante dag. Zowat een uurtje geleden een kip gesmoord in een zeer lekkere saus gegeten, en tijdens het drinken van een drietal “Julbrew” biertjes begonnen aan dit verslag.
Met permissie stop ik nu met schrijven en ga ik mijmerend de donkerte in staren, de sterren proberen te tellen, luisteren naar de verschillende dierengeluiden en nippen van mijn derde en laatste biertje.
Ik kan me weeral ontelbare slechtere momenten voorstellen.
Groeten thuis en tot de volgende.

EEN EMMERTJE VOL 

Tot u spreekt een lichtjes gechauffeerde, op het kookpunt staande fietsreiziger die op dit moment enkel nog interesse heeft in een frisse cola, pint of fanta voor zijn rode neus, een boom die een rijkelijke portie schaduw op de grond werpt en een plaatsje waar de wind vrolijk kan ronddartelen, want HEET is het beste lezer, BLOEDHEET !
Dit verhaal zit ik nu te schrijven in Farafenni, een grensstadje op 1 km van Senegal, op de noordoever van de Gambia rivier. 8 maart geeft mijn horloge aan.
Gisteren (7 maart) waarlijk een helse dag beleefd, waar ik nu toch met enige trots op terugblik.
Ik kon me die morgen maar moeilijk losmaken van die heerlijke verblijfplaats in de mangrovebossen, wat resulteerde in een zeer laat vertrekuur. Om 10.15 vertrok ik vanuit Bintang Bolong voor wat een relatief kort (65 km) ritje beloofde te worden. De eerste 6 km gingen zeer vlotjes, wind in de rug. Toen kwam ik op de hoofdweg, sloeg linksaf en begon het stampen tegen de wind. Geen keihard loeiende wind, maar een behoorlijk vervelend tegenwindje. En het was warm, tropisch warm. Al na 25 km begon ik te merken dat het niet zo vlotjes ging als gewoonlijk, de wind dacht ik , maar mijn snelheid daalde met het halfuur. Na 35  km was ik maar al te blij om te kunnen stoppen en  eten, toevallig bij een grote fruit- en groentenmarkt. Broodje met sardienen, 3 kleine bananen, een supergrote radijs (zo van die lange witte) en halve sloten water. Met enige tegenzin klom ik weer op mijn fiets en bij het zoveelste lichte hellinkje van hoop en al 400 meter dat ik aan een miezerige 10 km/u opreed, wel toen pas viel mijn dalasi (plaatselijke munt); hier klopt iets niet. Ik vond van mezelf dat ik genoeg dronk, maar toen ik een plaatselijke baobab besprenkelde met het weinige lichaamsvocht dat nog in mijn lijf circuleerde en constateerde dat het zeer geconcentreerd en geel was, viel mijn hele portemonnee dalasi’s helemaal. Deze jongen drinkt helemaal niet genoeg. Vreemd genoeg had ik niet direct een droge mond of schuimbekkende tronie, maar het was vocht waar mijn lichaam om schreeuwde. Recht evenredig met het toenemende aantal pauzes dat ik begon te nemen, steeg het drinken ook. Ik dwong me er zelf toe. Na iedere kleine helling kwam ik pompaf boven, happend naar adem en mezelf dwingend nog 1 of 2 km verder te fietsen vooraleer wéér te pauzeren onder een boom. Zo om de 4 à 10 km kwam ik kleine dorpjes tegen, maar buiten een verzameling hutjes, een moskee, en wat miniskule straatstalletjes die enkel maar zaklampen, flipflops, zakken meel en ajuinen verkochten was daar niets anders te verkrijgen. Daar is een gedehydrateerde fietser helemaal niets mee. Dus maar doorrijden tot de volgende nederzetting waar dan hopelijk flessen water te koop waren. Mijn resterende warm water was bijna op en mijn wil om te fietsen ook.  Met gebogen hoofd, hijgend van de inspanning en met bibberende benen naderde ik het zoveelste volgende dorpje. Nu moest ik werkelijk zien aan water te komen of het ging slecht aflopen. Mijn voorraad water was op. Ik stopte aan een waterput waar de inboorlingen hun water ophalen, maar die stond droog. Een vriendelijk jongetje bood aan om water uit een andere put voor mij te halen, maar vreemd genoeg bedankte ik het knaapje vriendelijk doch afgemat met het excuus dat ik toch ziek zou worden van het onbehandelde water, wat helemaal geen leugen was, maar ik kon er gerust een aantal Micropur zuiveringstabletten in kappen, half uurtje wachten en dan ervan drinken. Iets dreef me nog verder het dorp in. Ik was nu op het punt gekomen dat ik bijna niet meer op mijn fiets kon blijven en toen ik in de verte bij de brug een rood bord met de vertrouwde witte krulletters dacht zien te staan, sukkelde ik aan een slakkengangetje erop af. Rechts liep een electriciteitslijn, dat rode bord was onderdeel van een redelijk groot gebouw en toen ik dicht genoeg genaderd was, kreeg ik absolute zekerheid: Coca Cola, een werkende frigo en drank a volonté.
Nu zeggen wij soms wel eens: “ik zou je kunnen kussen” uit blijdschap of erkentelijkheid, maar dit was wat ik werkelijk deed. “I can kiss you” zei ik tot de potige barman, omhelsde hem en gaf hem een kus op zijn wang. Geen dichterlijke vrijheid, geen fantasie, zo deed ik het werkelijk. Ik bestelde een 300 cl Cola, en een anderhalve literfles koud water en op 10 minuten tijd was het hele zootje naar binnen gekapt, al na 15 minuten voelde ik mijn krachten terugvloeien, ik kocht nog 3 liter water, dronk nog een cola en na een half uur achtte ik mezelf weer klaar voor de resterende 25 km of zo. De eerste 15 km gingen vlotjes, ik had weer kracht om goed door te fietsen, te zwaaien naar de “toubab” roepende kindertjes, maar toen begon ik terug te verzwakken. “Is ’t weeral vandadde ?” dacht ik bij mezelf, ondertussen terug drie kwart liter water naar binnen kappend. De laatste 10 km gingen maar zozo, ik was toch niet volledig terug in mijn goeie doen en was dan ook maar al te blij na 79 km te arriveren in Tendaba river camp. Toen ik die dag herbeleefde en herdacht in mijn geheugen kwam ik tot de constatatie dat ik die dag tegen de 12 liter vocht naar binnen heb gewerkt. Da’s meer dan een emmer !
Leuke zij anekdote: in Bintang Bolong maakte ik kennis met een Braziliaanse, Spaanse en een Brit die hetzelfde traject als hierboven deden, zij met openbaar vervoer, ik met de fiets en we kwamen krak op dezelfde tijd aan in Tendaba ! In hun bus was het tot een vechtpartij tussen enkele mannen gekomen, bij het eerstvolgende politiebureau stroomde de bus leeg, werd de aanstoker van de vechtpartij voor een halfuur achter tralies gezet, maar toen het tijd was om te bidden, werd hij eruit gehaald, werd er gebeden, vervolgens met 15 paar handen uit eenzelfde grote kom rijst gegeten en de reis verdergezet alsof er niets gebeurd was.
Die avond zat ik om 22.00 in mijn bed en viel als een blok lava in slaap.

8 maart.
Vroeg ontbijtje met zijn vieren, de Spaanse en Braziliaanse gingen een plaatselijk boottochtje maken in het nabije tot natuurpark opgewaardeerde mangrovebos, John de Brit en ik gingen met een gecharterde pirogue (een groot uitgevallen kano met buitenboordmotor) verder varen naar Farafenni. Niet dat ik geen zin meer had om te fietsen, maar een relaxt tochtje van 3 uur op de brede Gambia rivier richting oosten leek me wel aantrekkelijk. En zo was het ook. Al was het begin eventjes moeilijk. Ontelbare malen moest de stuurman zijn buitenboordmotor herstarten, half ontmantelen, bougies kuisen enzovoort, terwijl het hulpje naarstig water uit de boot aan het scheppen was. Toen de stuurman dan nog een sigaret aanstak in de zeer nabije nabijheid van 2 vatjes benzine had ik niet veel fantasie nodig om onszelf vastklampend aan een van mijn waterdichte fietstassen overboord te zien springen het inferno achter ons latend en de hele kilometer naar de oever toe te zwemmen. Zover kwam het gelukkig niet. Na het aanmeren moest ik nog 6 km fietsen om in Farafenni te raken.
Hier heb ik samen met John mijn intrek genomen in Eddy’s place , een rechthoekig gebouwencomplex met groen en boomrijk binnenplein en het is hier waar ik gezeten onder niet nader geïdentificeerde bomen (van waaruit geregeld met een rotvaart harde vruchten ter grootte van een kiwi uit vallen) aan het schrijven geslagen ben. Want dat is de enige fysieke inspanning die ik mij getroost op dit onmenselijke hete uur van de dag. Ik vind het zeer jammer dat ik geen thermometer bij me heb, maar de inboorlingen verklaren hier één na één dat het kwikke kwik vlotjes tot net boven de 40 ° klimt.
Het ligt wellicht aan het gebrek aan tijd die ik heb om degelijk te acclimatiseren, want Katrien en ik  hebben nochtans al op andere plaatsen op deze aardbol in dergelijke temperaturen gefietst.
Morgen ga ik mogelijks iets heel gek proberen te verwezenlijken en dat is de ongeveer 110 km naar de atlantiek in één dag te fietsen. De hitte zal nog altijd hetzelfde zijn, maar ik zal toch 2 natuurfenomenen in mijn voordeel hebben; 1. ik plan (en wie mijn reisgedrag een beetje kent verklaart mij nu stante pede gek) om 06.00 te vertrekken, vooraleer de grote hitte rond 11.00 à 12.00 toeslaat en 2. ik zou (ja zou) de wind mee moeten hebben. Middels een  immense voorraad water en een immens innamevermogen zou ik de kust moeten kunnen bereiken. Ofwel ga ik voor Barra in Gambia (recht tegenover Banjul) ofwel ga ik voor een mooi gelegen guesthouse een beetje over de grens in Senegal. Haal ik het niet, dan moet ik onderweg zien te overnachten, maar er is nergens commercieel logies al kan je overal wel ergens wat regelen. Meer hierover in het volgende verslag.
Baai baai.

LE TOURNESOL

“Le tournesol, le tournesol, n’as pas besoin d’une boussole ni d’arc-en-ciel pour se tourner vers le soleil”. Een waarheid als een zebu (plaatselijke koe). Deze Franse liedjestekst uit ver vervlogen tijden golfde mijn oor tegemoet tijdens het zoveelste toertje in mijn plaatselijk zwembad. Dit zwembad ligt op Senegalese bodem, in een nogal weelderig resort vlakbij de hier altijd aanwezige mangroven.
Mijn laatste berichtje berichtte over de poging om vanuit Farafenni in één dag tijd de Atlantische kust te bereiken, hitte, wind en afstand trotserend. Voor aanvang schatte ik mijn kansen vooral door de te voorziene bakoven eerder gering in, maar het ging deze keer gemakkelijker dan verwacht. Er was bijna helemaal geen wind, noch mee, noch tegen en de hitte sloeg  pas toe rond 10.00 à 11.00. Tegen dan had ik al een behoorlijke afstand afgelegd. Om 06.30 zat ik namelijk al op mijn ros richting atlantiek. En dat loont. Weeral iets bijgeleerd. Vroeg opstaan is nochtans niet mijn ding, ik heb er echt moeite mee zij het nu thuis of op reis, maar de hitte doet rare dingen met mensen.
In plaats van naar Barra te snorren (waar de ferry naar Banjul vertrekt), sloeg ik 20 km eerder noordwaarts af op een zandweg om zodoende zonder omwegen rapper aan de Senegalese grens aan te komen. Die bereikte ik om 14.00 en amper een uurtje later waren alle formaliteiten, incluis geld wisselen geregeld.
En zo ben ik nu druk bezig met de doorsnee toerist te spelen. Da’s zeer aangenaam als het snoeiheet is, maar als ik eerlijk moet zijn begint het toch wel een beetje te vervelen. De hoogste tijd om terug op mijn fiets te klauteren en nieuw horizonten te verkennen !
Vroeg vertrekken zal weer de boodschap zijn. Iedereen klapt hier van de chaleur en zeggen dat het in vlaanderen alweer sneeuwt en vriest. Als ik de inboorlingen hier vertel over het vriesweer in mijn heimat gaan de wenkbrauwen een halve meter de lucht in. Die mensen hier kunnen zich daar niets bij voorstellen, ’t is hier trouwens nog altijd wachten op de eerste sneeuw. Gisteren een aantal mooie vogels kunnen observeren en fotograferen waaronder twee variëteiten ijsvogel (waarvan eentje met vis in de bek) en een tot nader order niet geïdentificeerd vederig object met toch wel heel felle kleuren. Naar het schijnt sluipen hier ook hyena’s rond, maar tot op heden hebben deze beesten zich nog niet vertoond.
Deze middag was een grote groep militairen met getrokken klakkebus burgeroorlogje aan het oefenen in de zanderige straten van Toubakouta, en ja hoor, mijn digitale vriendje heeft weer alles gefilmd; ik denk dat ik dat apparaatje eens op mijn brandweerhelm of brandweerdweil ga monteren om de doorsnee leek eens een blik op het brandweerbestaan te gunnen; mogelijkheden zat. Maar praat me niet van werk, dat is voor thuisblijvers en die zijn er mijns insziens meer dan genoeg, en terecht !
Ondertussen gaat deze jongen nog een beetje ploeteren in het heerlijke water, seffens eens een souveniertje gaan kopen, gevolgd door een lekker maaltje hier in ‘t resort. Vanavond is er in het dorp de finale van de “lute”wedstrijd, een competitie Senegalees worstelen gepaard gaande met veel lawijt, couleur locale en dans. Je ziet, het leven van een toerist is niet bepaald gemakkelijk !
Wellicht volgt er nog één berichtje, want mijn dagen zijn geteld, maar of ik nog ergens draadloos internet vind is een ander paar mouwen, zoniet, bedankt voor uw aandacht en tot in dat koude trekgat aan de zee.

HET NEUROFEN INCIDENT

Onder een loden zon vertrok ik vanuit Toubakouta, over een aangename laterietweg (die rode grindwegen die je in zovele afrikaanse landen terugvindt) terug richting Gambia.  Ik passeerde Missirah, een onooglijk klein vissersdorpje en sloeg dan linksaf over een zanderig pad, tussen de bomen op weg naar de RN5. De aanwijzingen van de laatste mens aan wie ik het vroeg waren niet heel duidelijk en op de vermoedelijke splitsing was er niemand aan wie ik het kon vragen, dus eigenlijk een beetje onzeker sloeg ik dat pad in.
De richting bleek te kloppen volgens mijn kompas, maar de afstand bleek heel wat langer dan verwacht. Dat deed me twijfelen en hopen dat ik hier niet hopeloos in de brousse zou verdwijnen. Na een halfuren schipperen tussen zand, overhangende struiken, diepe sporen en lang gras kwam ik heel onverwacht op de verharde weg naar de grens.
Ik stopte nog eventjes in een plaatselijk drie-stoelen-restaurantje om wat kip met rijst naar binnen te werken, vooraleer me over te leveren aan het moeilijkdoenerij-lievende type bureaucraat dat zich nogal eens durft op te houden aan grensovergangen. Stempeltje voor het verlaten van Senegal, stempeltje en korte vraagjes voor het opnieuw betreden van Gambia en hopla de fiets op voor een twintigtal km tot aan Barra waar de ferry naar Banjul dagelijkse richting overkant ploetert.
Een schimmig persoontje kwam plots bij mij staan, haalde een beduimeld geplastifieerd naamplaatje boven en gebood me hem te volgen. “Drug enforcement police”. Ik zag er vermoedelijk het nogal verdachte type uit, met fietszakken vol narcotica, verdovende middelen en dergelijk fraais. “We want to look in all your bags” zei de man. Daar had ik nu eens absoluut geen zin in en trakteerde  het kereltje geheel onverwacht  een oplawaai van jewelste keurig gecentreerd onder zijn kinnebak.
Neen, zo is het uiteraard niet gegaan, maar ik had wel helemaal geen zin om al mijn zakken weer ondersteboven te laten halen door grijpgrage Gambiaanse politievingertjes. Maar hier had ik gewoon niets te zeggen en mooi mee te werken. En zo werden al mijn spulletjes één voor één uit mijn zakken gehaald. Om er zelf toch een beetje plezier aan te beleven begon ik alle voorwerpen die ze boven visten te benoemen en als extra service uit te leggen waarvoor ze dienden, zij het met wel een royaal scheutje sarcasme. En zo ging het dus onder andere van: “a bottle water ? to drink”,”sunscreen (zonnecrème) ? to keep toubabs white skin white”, “a tooth brush ? to brush my teeth” en “videocamera ? to make secret video’s of fools like you”. Enfin, niets wat ik bijhad bleek verboden of onwettelijk te zijn, maar in mijn laatste zak vonden ze waar ze al een aantal keer naar gevraagd hadden: “tablets”. Hun priemende ogen kregen extra glans en hun blikkerende tanden leken extra wit toen ze mijn medicijnendoos te pakken kregen. Elk stripje werd nauwkeurig bestudeerd en ik gaf telkens weer aan waar het voor diende. Eén strip Motillium en één pilletje  Neurofen werden apart gehouden en ik hoorde hen tegen elkaar murmelen in het Mandinka. Eén mannetje verdween naar zijn bureautje terwijl de ander me expliceerde dat hij iets ging opzoeken in ” the book”. Dat moet nogal een boek zijn, dacht ik bij mezelf, wil het alle medicamenten bij naam vermelden, maar eventjes later kwam nummer 1 terug, vezelde wat tegen zijn kompaan en werd me onmiddellijk verzocht mee te gaan naar het bureautje.
In een duister krocht van een bureau viel het verdict. Dat vermaledijde pilletje bevatte codeïne, dat stond er ook op trouwens. “This is forbidden” zei de ene, hij sloeg een evenzeer beduimeld naslagwerk open en wees op de naam codeïne. Toen begon ik uit te leggen dat in de gehele westerse wereld, de maan incluis, Neurofen een doordeweekse pijnstiller is dat zonder voorschrift bij de apotheker te verkrijgen is. ’t Mocht allemaal niet wezen want hij haalde er een ander boek bij en wees enkele zinnen en paragrafen aan. Ik las ze zonder ze uit te spreken, maar dit was niet wat meneer wilde. Ik moest het hardop voorlezen. Ik zat namelijk te lezen in het strafwetboek en las in een bepaalde paragraaf het volgende (vrij vertaald): Op het bezit van codeïne staat een straf van 250.000 dalasi (te vergelijken met de oude Belgische frank), of tot 3 jaar gevangenisstraf. Ik kruiste mijn beide armen en bood ze aan om geboeid te worden (echt waar), maar zo ver gingen ze het blijkbaar toch niet drijven. Ik had al lang door waar ze heen wilden; een “bribe” zoals ze in het engels zeggen, een afkoopsom, omkopen. Daar had ik nu ook weer eens geen zin in en gooide het over een andere boeg: ‘ik ben een brandweerman en ambulancier, en ik probeer zoveel mogelijk levens en mensen te redden’. Brandweermannen worden voor een illustere reden zeer gewaardeerd in de Gambiaanse samenleving en mijn tactiek sloeg aan. Ze bleven monkelend lachen naar mij, maar ik wilde geen halve dalasi smeergeld betalen. Uiteindelijk zei de ene: omdat je brandweerman bent en omdat het maar over één pilletje gaat, laten we je gaan. 3 jaar in een oververhitte Gambiaanse cel: daar had ik nu eens het minst zin in van al. Eind goed, al goed en ik sprong fluks op mijn fiets om de 20 km te overbruggen naar Barra.
Daar was de boot net aangekomen, braakte zijn inhoud uit, slokte de nieuwe in en aan een tergend traag slakkengangetje ging het naar Banjul. De ferry was er een eentje van Russische makelij en zou bij ons waarschijnlijk nog niet eens bij het oud ijzer mogen. Enfin, het ding ging vooruit, bleef vooral drijven en een uurtje later was de drie kilometer brede riviermonding overgestoken.
Ik bleef overnachten in Banjul, omdat het nu al donker aan het worden was en mijn geplande overnachtingsplaats nog een goeie 20 km verder was.
Dat heb ik dus vandaag gedaan (13 maart) van Banjul naar Lamin lodge gefietst. Terug een slaapplaats met een verhaal want 1. het is een krakkemikkige houten verzameling van balken en latten die balanceert boven het water en omringd is door mangroven, 2. net door zijn krakkemikkigheid is het nu gesloten en  wordt het gerenoveerd, maar mijns inziens kan dat nog eeuwen duren aan het tempo dat dat hier vooruit gaat.
De vriendelijke  en al even krakkemikkige Duitser die zichzelf eigenaar mag noemen van dit Mikado-achtig bouwsel gaf mij evenwel de permissie om hier te overnachten en zo heb ik op de eerste verdieping mijn tentje opgesteld zonder buitenzeil, enkele matrassen onder mijn tent geschoven, er staat een emmer water om me te wassen en ik ben buiten een kudde apen, vliegende vissen, klapperende krabben en nog heel wat andere diertjes die ik evenwel vanwege het duister niet meer kan zien, he-le-maal alleen. Zalig vind ik dat, een nachtmerrie voor de meeste mensen.
Morgen is mijn laatste volle dag in Gambia en gebruik ik om op mijn gemakjes terug naar mijn eerste hotelletje terug te fietsen aan de kust, fietsje dankbaar weer te demonteren en in de doos te stoppen, nog wat te zwemmen, vroeg in de doos, en de 15e maart om 14.00 terug naar België te vliegen om hopeliijk nog wat winterpret te kunnen beleven. Qua contrast kan dat wel tellen.
Daag

2 gedachten over “Zweten in “de” Gambia”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s