Alle berichten door henkalot

Gek op wilde natuur, weidse landschappen, vreemde culturen én fietsen.

Clandestien en ongezien.

DSC03363
Stromboli vulkaan vanop strand gezien

Innige inleiding

Ik moet iets van me afschrijven. Het is geen traumatische ervaring. Het is een ervaring die me zo gefascineerd heeft, die me zo nietig heeft doen voelen dat ik er weken nadien nog dagelijks aan terug denk. Er komt zelfs helemaal geen fiets aan te pas. In het komende verslag zal ik je proberen mee te sleuren in de vurige kus die mijn ziel in vuur en vlam zette. Check op het einde van dit verslag zeker ook eens de video’s uit (volumeknop naar rechts voor een betere ervaring én ridicuul commentaar).

Pyroclastische proloog

Lezers die denken dat ik hier smeuïge scheefschaatserige  ontboezemingen zal plegen zijn evenwel aan het verkeerde adres; mijn Katrientje en ik, daar komt niet veel tussen. Alhoewel. Voor bepaalde natuurfenomenen wordt Katrien tijdelijk toch wel eventjes strategisch en tactvol opzij geschoffeld.

Eén van die fenomenen is vulkanisme in al zijn facetten. Een aantal van onze (fiets)reizen vindt plaats in landen en gebieden waar vulkanisch wel iets valt te beleven. Het rijtje al dan niet actieve vulkanen, geisers, hete bronnen en pruttelende moddervelden tikt ondertussen aardig aan. Het mag dan ook verbazen dat we pas nu – anno 2018 – op en rond de Stromboli belandden.

Verleden jaar beklommen we nog illegaal de Etna tijdens onze Sicilië fietsreis. De Eolische eilanden stonden toen ook op de planning, maar daar hadden we helaas geen tijd meer voor. Dus vlogen we dit jaar als de wiedeweerga naar Catania om de eilandengroep te bezoeken. Zonder fiets, maar uitgerust met potige wandelschoenen, een helm, statief, stevige rugzak en meer van dat fraais.

Maritieme aanloop

draagvleugelboot in actie

Wie de sprong waagt naar de Eolische (ook wel Liparische) eilanden moet toch wel een beetje vooraf plannen. Het gemakkelijkst vertrek je vanuit de kleine haven van Milazzo tussen Messina en Barcellona Pozzo di Gotto. Daar vertrekken op geregelde tijdstippen snelle draagvleugelboten (aliscafo)¹ en gewone ferries². De draagvleugelboten vervoeren enkel passagiers, de veerboten ook vracht en wagens. Let wel op: bij harde wind of slechte weersomstandigheden varen de snelle boten niet uit ! Alle eilanden zijn van vulkanische oorsprong enkel Vulcano (meest zuidelijke eiland) en Stromboli (meest noordelijke) zijn (over)zichtbaar actief. De overblijvende eilanden Lipari, Salina, Panarea, Alicudi en Filicudi zijn weliswaar ook één voor één pareltjes, maar missen de vulkanische activiteit die Vulcano en Stromboli zo typeert.

De “aliscafo” zet ons met bijna Zwitserse precisie af op de kleine pier van Stromboli. Met 12,6 km² oppervlakte is Stromboli één van de kleinere Eolische eilandjes. Op amper 400 meter van de pier lopen we al direct ons hotel Ossidiana binnen. We hebben er niet om gevraagd maar we krijgen de ruimste en mooiste kamer met groot balkon én zicht op het kleine haventje.

20180419_201628
uitbarsting van de oostelijke krater

Die avond lopen we eigenlijk zonder het gepland te hebben tot het “observatorium(2) aan het andere uiterste van het dorp. Op 120 m hoogte is dit restaurant met groot buitenterras een absoluut niet te missen doel: je hebt er een onbelemmerd zicht op de 600 meter hoger gelegen oostelijke krater en de vlak daaronder gelegen “Sciara del fuoco” (letterlijk: vuurstroom); de 700 m hoge steile puinhelling waar alle projectielen en lava met een rotvaart recht in zee rollen en stomend tot hun einde komen (1). In het anderhalve uur dat we er zitten worden we een tiental keer verrast door eerst een explosie, vervolgens een lavafontein en tenslotte een aswolk. Wow, qua eerste kennismaking kan dit wel tellen. De drang om daar boven alles van nog veel dichter te bestuderen wordt er alleen maar groter op.

StromboliWandel
Wandelkaart met gele cijfers (3) die corresponderen met de cijfers tussen haakjes in de tekst

Opbouwen naar een climax

Een schone gedachte die werkt op vele fronten. Hm. Vandaag gaan Katrien en ik naar boven, maar slechts tot bijna halverwege. Het zit namelijk zo: In 2002 werd een Duitse toeriste getroffen aan het hoofd door een vulkanische bom. Dit zijn de stukken lava die in volledig gestolde of half gestolde toestand na een vlucht van een paar honderd meter terug neervallen. Er zijn nog gewonden gevallen daarvoor, maar na een periode van wat grotere activiteit beslisten de autoriteiten de beklimming enkel toe te staan tijdens normale activiteit én met gediplomeerde gids. Zonder gids mag je enkel wandelen tot een hoogte van 400 m (de stippellijn op de wandelkaart). En dat zijn we vandaag van plan. Om 16.30 u vertrekken we naar het hoogst bereikbare punt op de oude route, halverwege tussen de zeer actieve oostelijke krater en het eerder genoemde observatorium én tegen de rand van de Sciara del fuoco.

de actieve oostelijke krater

Goed voorzien van warme kledij, onze camera’s, snacks, ja zelfs onze opvouwbare stoeltjes planten we ons neer op dit 400 m hoge punt (3) en blijven tot 22.30 u in volle bewondering kijken naar de zure oprispingen van deze oostelijke krater. We horen geregeld ontploffingen en andere geluiden die afkomstig zijn van de vier andere kraters die buiten zicht achter deze oostelijke krater liggen. Blijven tot het donker is, is absoluut een must want dan pas komt de oranje gloed van de uitbarstingen tot zijn recht. In het donker wandelen we de lange route terug naar het hotel.

Op dag twee op het eiland plannen we onze geleide trek naar de top. In het kantoortje van Magmatrek, één van de verschillende trekking organisaties geven we ons op voor de beklimming later op de namiddag. 28 euro per persoon en je krijgt er een helm en wandelstok gratis bij. De rest (Petzl, berg-schoenen, rugzak en warme kledij) hebben we zelf. Om 16.30 beginnen we aan de klim samen met twintig andere mensen. Al na honderd meter klimmen haakt een jong juffertje af, maar de rest van de groep, enkele gepensioneerden incluis is vreemd genoeg aan elkaar gewaagd en klimt gezwind naar boven (4). Mauro de gids houdt het tempo bewust laag zodat iedereen goed kan volgen. Mauro’s Engels is zoals verwacht van het niveau Jommeke. Italianen zijn tot op heden niet de sterkste in vreemde talen spreken. In ontelbare haarspeldbochten klimmen we tot op bijna 830 m hoogte en kunnen we plots voor het eerst neerkijken op de oostelijke krater. Er staat een behoorlijke wind en die staat behoorlijk verkeerd ook; de dampen worden in onze richting gestuwd. Na een korte pauze klimmen we verder op de oude kraterrand tot het hoogste punt (918 m) om een paar honderd meter verder te stoppen en de overige vier kraters te bekijken (7). Wat we nu zien en beleven beschrijf ik bewust niet heel beknopt want het échte verhaal waar de titel “clandestien en ongezien” naar verwijst begint pas in het volgende hoofdstuk.  Feit is alleszins dat we beiden zo van onze sokken geblazen worden door wat zich voor ons afspeelt dat we het eerste kwartier vergeten foto’s te nemen. Na een kort verblijf op de top van ongeveer een uurtje beginnen we met de afdaling (5). Omstreeks 22.30 u staan we terug beneden, behoorlijk onder de indruk en behoorlijk tevreden van de gids en groep en het spektakel boven.

de “borrelende” krater op de geleide beklimming

Toch knaagt er iets aan deze jongen. De tijd boven was te beperkt, er waren teveel mensen (vijf à zeven groepen) en het weer zat niet helemaal mee waardoor de gaswolken in onze richting gestuwd werden en zo het zicht gedeeltelijk blokkeerden. Dat moet dus beter kunnen ! Wat ik thuis al min of meer had gepland ging ik morgen zeker proberen: een solo klim met onbeperkte kraterkijktijd op de top ongehinderd door andere mensen.

20180420_202355
amper op de kraterrand en al volop actie

Clandestien én ongezien zonder Katrien

Wat ik nu op het punt sta te beschrijven zadelt me een beetje op met een dubbel gevoel. Ik kan het iedereen aanraden te doen, maar tegelijkertijd ook weer niet. Stromboli, is net als zo veel mooie plaatsen op aarde, een beetje het slachtoffer van zijn eigen populariteit en schoonheid. Teveel mensen willen naar de top en door verplicht met een gids te moeten gaan, gaat een deel van de spiritualiteit/woestheid/aantrekking verloren. Anderzijds is klimmen met een gids niet onverstandig gezien de gevaren die kunnen opduiken op een springen staande berg en het afdalen van een vulkaan in het donker. Maar ik redeneer dat wanneer ik solo de berg wil beklimmen en zie dat er die avond groepen op de top staan, de gidsen en het vulkanologisch instituut het licht op groen hebben gezet. Als de erupties buiten proportie zouden zijn maakt het geen verschil uit als je met een gids of niet bent. Rennen is dan de enige modus operandi.

Zo begin ik dus om 16.30 vanuit ons hotel goed voorbereid aan de beklimming. Ik heb gisteren goed opgelet hoe de topzone eruit ziet, waar precies de alternatieve beklimming op de krater uitkomt en hoe de afdaling in elkaar zit. De volledige afdaling staat trouwens op mijn gps als kruimelspoor.  Zou dus niet mogen mislopen !

De eerste drie km loop ik langs de kust tot aan het observatorium (8⇒2). Ik pauzeer eventjes en drink twee frisse cola’s. Ondertussen scan ik de beklimming voor me op wandelende groepen. Ik kijk uit op de oude route (3⇒6) die nu bijna niet meer genomen wordt door geleide groepen. Eergisteren en gisteren was er telkens één groep en ik vermoed dat er vandaag ook eentje zal zijn. Het is ondertussen 18.15 u  en warempel, hoog op de flank zie ik een klein groepje klimmen. Goed, als ik nu vertrek zal er waarschijnlijk geen gegidste groep meer achter mij zitten. Kwestie van enkel uit het zicht te blijven.

kratercomplexStromboli
Schematische voorstelling van ligging kraters

Ik begin te klimmen naar het 400 meter punt waar we eergisteren waren (3). Ik steek één enkele dame en wat later een koppel voorbij. Die moet ik dus ook in het oog houden. Ik wil namelijk ten allen tijde vermijden dat ik gespot wordt. Nu zijn individuele wandelaars niet zozeer een probleem, maar de gidsen van gegidste groepen zijn dat wel. Als je betrapt wordt riskeer je een boete van 500 €. Op het 400 meter punt aangekomen ben ik er alleen, want ik heb een flinke voorsprong genomen op de drie mensen achter mij. Ik laat het waarschuwingsbord achter me (ligt trouwens plat neer) en haast me op het pad tussen de begroeiing door uit het zicht. De groep boven mij is ondertussen nog niet uit het zicht, dus die moet ik ook nog in de smiezen houden. Ik vind het best spannend. Ik ben al lang niet meer zichtbaar wanneer het koppel bij het 400 meter punt verschijnt. Rustig klim ik verder. Het zweet gutst van mijn hoofd en nek want het is best steil terwijl de oostelijke krater vrolijk van jetje geeft. Rond 19.00 u. werk ik mezelf in de nesten. Onbewust ben ik eventjes van het iets minder duidelijke pad afgeweken en bevind me nu op een steile puinhelling. Ik kruip een kleine 100 meter verder mezelf realiserend dat ik zo niet verder kan en zeker niet opnieuw op het pad zal komen. Terugkeren dus en zeer behoedzaam en glijdend op handen en voeten en achterwerk kruip ik de 100 meter terug. Even wat horizontaal opschuiven en ik zie duidelijk het pad terug. Oef. Dat was eventjes schrikken. Ik realiseer me dat dit vooral niet moet gebeuren als het donker is. “Ben ik nu toch onverstandig en roekeloos met dit op mijn eentje te willen doen” denk ik bij mezelf. De groep voor me heeft ondertussen de bergkam gerond en kan ik niet meer zien. Wanneer ik dan wat later zelf op die bergkam kom (6) zie ik 200 m hoger een aantal groepen op de kraterrand lopen. Ze zijn bezig met de finale bestijging. Zij zijn de vulkaan van de oostflank opgeklommen en konden mij dus totaal niet zien. Maar nu ben ik wel een sitting duck. Als ik nu verder wandel zou ik te veel opvallen, dus posteer ik mij achter een grote rots en haal mijn statief boven. De zon staat op het punt om onder te gaan en dit is het gouden uur (dat evenwel geen uur duurt) Ik zit nu vlakbij de oostelijke krater en bij zijn eerste uitbarsting schrik ik mij de pleuris.  Hemelsbreed zit ik op amper 450 m van de meest actieve krater en het geluid van de explosie doet me angstvallig kijken naar het weg gekatapulteerde lava dat evenwel netjes buiten mijn bereik neervalt. Toch grijp ik bijna onmiddellijk naar mijn helm die ik nog niet aan had. Mijn hart klopt in mijn keel. Hier kwam ik voor dude ! Het volgende uur blijf ik zitten tot het bijna donker is. Ik heb wel al eens gespiekt hoe mijn route verder loopt en dat gememoriseerd. Gedurende dat uur zie en hoor ik oostelijke krater drie keer spuwen. Gloeiende brokken stuiteren via de Sciara del fuoco de zee in. De gloed in de brokken gaat zo ergens halverwege verloren. Wat een spektakel. Dit kan al niet meer stuk. En ik zie nog maar één krater !

oostelijke krater in het donker

Rond 21.00 waag ik mijn sprong naar het punt waar de normaalroute de krater bereikt (de “H” tussen 6 en 7). Ik heb mijn Petzl bij de hand, maar gebruik het niet, ik zou te veel opvallen. Gelukkig geeft de maan een beetje licht, genoeg om te zien waar ik loop. Op een eind van me zie ik de vele lichtjes van de geleide groepen, maar twee lichtjes blijven steeds ter plaatse. Ik krijg een naar voorgevoel. Zouden dit twee wachten zijn die op de vulkaan blijven. Groep na groep verdwijnt uit mijn zicht maar die twee lichtjes blijven steeds min of meer op dezelfde plaats. “OK” zeg ik tot mezelf, “voor ik naar de top ga blijf ik hier nog een tijdje de oostkrater fotograferen, dan heb ik tenminste wat foto’s voor ik straks de 500 euro boete moet betalen“. Rond 22.00 u. zie ik echter niets meer van beweging. Ik  weet van gisteren dat de vijf tot tien groepen ondertussen allemaal moeten zijn begonnen met de afdaling. Misschien zijn die twee “wachten” mee afgedaald. Op mijn gebottiende kousenvoeten, gsm in stille modus, verklikkerlichtjes van camera uit loop ik de laatste honderden meters naar de top. Af en toe sta ik stil om te luisteren. Buiten het geweld van de uitbarstingen achter de top en een zacht warm briesje hoor ik helemaal niets. Eenmaal op de top kan ik opgelucht adem halen. Ik ben er helemaal alleen en een 150 tal hoogtemeters vlak onder mij overschouw ik de vijf actieve kraters. Mijn god ! Wat een spektakel. Bibberend van spanning en emotie installeer ik mij op de top en onderga het spektakel gestoord door niets of niemand. Dit is onbeschrijflijk. Alle vijf kraters gaan geregeld af, soms twee tegelijk.

natuurlijk vuurwerk

Ik probeer zo veel mogelijk én te genieten/kijken én foto’s/video’s te nemen. Eén van de kraters onder me is een klein lavameer dat stabiel blijft en niet uitbarst, hoogstens een beetje borrelt en rochelt. De twee kraters links daarvan zijn echter aandachtstrekkers. De ene produceert mooie hoge fonteinen, de andere kan ik niet beter vergelijken met een overmaatse vuurpijl die met een gigantische kracht en onder werkelijk oorverdovend lawaai schuin omhoog spuit gedurende soms wel 10 seconden ! Net deze spuiter is een dankbaar object, want fotograferen van uitbarstingen is niet simpel. Niettegenstaande ik mijn camera continue aan laat staan, word ik nog telkens verrast en mis ik zo het begin van een eruptie.

DSC03529
krater rechts van het lavameertje

Achter mij fonkelen de lichtjes van Sicilië, rechts van mij in de verte zie ik de lichtjes van de kust van Calabria en de zes overige Eolische eilandjes kan ik ook spotten. De weinige wind die er staat blaast de rook van me weg en ik kan ongehinderd genieten. Telkens de vuurpijl afgaat schrik ik mij te pletter. Het lawaai doet mijn skihelm trillen op mijn hoofd. Dit is echt onwezenlijk. Ik krijg er telkens kippenvel van. De krater rechts van de vuurpijl produceert ook mooie lavafonteinen. Wanneer de brokken door de zwaartekracht aangetrokken weer op de vulkaangrond vallen maakt dit een vreemd rinkelend geluid. Ze blijven nog een tijdje nagloeien.  Ik sta op 918 m hoogte en de kraterzone ligt zo’n 150 vlak onder mij. Toch spuwen de lavafonteinen boven mijn hoofd uit. Men spreekt bij Strombolische activiteit van kleine erupties. Dit is waarschijnlijk wel zo want bij grote uitbarstingen van de Stromboli of andere vulkanen gaat alles nog zoveel hoger. Maar toch. 200 meter minimum, da’s niet niks, faut le faire !

DSC03542
ingezoomd op het “inactieve” borrelende  lavameer

Mochten de erupties onverhoeds sterker worden, wat een aantal keer per jaar gebeurt dan moet ik mij uit de voeten maken. Dan heb ik twee opties. De eerste is rennen als een bezetene naar beneden uit het bereik van de kraters, de tweede optie is eveneens rennen als bezeten maar dan richting de twee shelters die een 500 tal meter van me verwijderd zijn en hopen dat ze bestand zijn tegen grotere lavabommen.  Ik zie me al spurten in het donker op de rand van een krater slalommend tussen gloeiende neerstortende brokken lava. Gelukkig komt het zover niet.

Stilletjes aan moet ik nu toch aan de afdaling beginnen, maar ik kan mij maar niet losweken van deze magische plek. Een plek waar je de kracht van moeder aarde ervaart, zowel in scheppende als in destructieve vorm. Hier zie je gewoon dat de aarde leeft en helemaal geen statische planeet is, maar continu evolueert, alleen is een mensenleven veel te kort om grote veranderingen te zien in deze transformatie. Op dergelijke plaatsen kan dit wel ! Het tikje gevaar neem je er gewoon bij, het doet je stilstaan bij je eigen nietigheid, hoe onbenullig en onbeduidend we wel zijn op deze – overig zeer aardige – aardkloot.

20180421_221157
de vuurpijl naast het lavameer

Stipt om middernacht, de maan tekent een mooi gegolfd lichtgevend pad op de Tyrreense zee, beslis ik aan de afdaling te beginnen. Ik maak een plechtige belofte aan de kraters om terug te keren. Wie weet kampeer ik ooit op de top.

Met mijn Petzl in de hand zoek ik de afslag naar beneden (5) en wordt meteen gecon-fronteerd met de duisternis. Met de duisternis die evenwel niet volledig is dankzij de maan, maar genoeg is om oriënteren zoveel moeilijker te maken. Ik daal een stukje proef maar ben niet zeker of dit het juiste pad is en keer op mijn stappen terug. Eenmaal weer boven neem ik een andere afslag naar beneden. Die komt me nog minder bekend voor en keer weer terug. Ik schakel mijn gps in en pik het digitale kruimelspoor op dat ik gisteren heb vastgelegd tijdens de afdaling met de groep. “Tóch die eerste afslag ? Tiens, die eerste haarspeldbochten herinner ik me niet“. Eenmaal ik op een recht stuk steil dalend lavazand beland ben ik zeker van mijn stuk. Skiënd in het zwarte vulkanische goedje glijd ik probleemloos in de duisternis naar beneden. Mijn Petzl in de laagste stand toont me mooi de weg en ik mis nergens nog het pad. Na amper 55 minuten sta ik terug beneden in het dorp, 900 meter lager en trillend op mijn benen van het remmen en de ervaring.

Katrien bij de fumarolen op Vulcano, ook een actieve vulkaan

Epiloog

Terug thuis. Het ervaren van een actieve vulkaan laat me niet los. Ik moet erover schrijven. Bij deze is dat gebeurd. Wat als een vulkaan boven water staat is dat ik er zeker terugkeer. De meest actieve vulkaan op aarde en al dit fraais kunnen zien in relatieve veiligheid en nog niet eens zo ver van huis, dat vraagt toch naar meer ? Mocht er iemand zin hebben in een geleide legale/illegale beklimming op deze toplocatie ? Je weet me te vinden, we kunnen het zeker op een akkoordje gooien.

Ciao !

¹draagvleugelboten: http://www.libertylines.it /// ²veerboten: http://www.siremar.it ///

P.S. Check alle foto’s van de twee beklimmingen én meer op onze Flickr pagina (zie homepage van deze site).

 

 

Zweten in “de” Gambia

DOOD AAN DE BOTERVIS

Voila, een namiddagje en een volledige dag zitten erop in Gambia. Je kunt hier moeilijk ontkennen dat je in Afrika zit; het loopt hier zwart van het volk (zeker niet bedoeld zoals het Vlaams Behang het bedoelt), het verkeer gaat alle richtingen uit én dan vooral in de richting van de eenzame fietser, de loden ploert in de lucht knuppelt onophoudelijk op mijn Vlaamse kop en de armoede is méér dan zichtbaar. Maar hoe trots dragen die Afrikaanse Gambianen dat ! Geen gezeur, geen lange gezichten, neen: lachen is het devies en er het beste proberen van te maken en “en passant” die rijke toubabs (blanken) een klein bedragje afhandig maken. We spreken dan over bedragjes in de orde van 10 cent tot 1.50 euro. Peanuts voor ons maar voor hen maakt dat een wereld van verschil.

Gisteren arriveerde ik dus om 12.00 in Gambia en jubelt ende juicht, mijn bagage én fiets waren mee. Een klein uurtje gewacht op Peter, de Oostendse coördinator van de stedenband die er bestaat tussen Oostende en Banjul en netjes afgezet aan mijn klein hotelletje.
Fietsje in elkaar geknutseld, duik in het zwembadje gepleegd en meteen de fiets opgesprongen voor een eerste verkennende fietsrit van de onmiddellijke omgeving. De Gambiaanse kust staat vol van resorts in alle mogelijke prijsklassen en dat trekt dus heel wat bleekscheten aan. Een hele hoop bleekscheten bij elkaar doet mij meestal de andere kant ophollen en dat is ook wel het plan maar pas voor overmorgen. Het is namelijk ook eens leuk om die zee te zien en nog eventjes van gevarieerd voedsel te kunnen genieten. Dat zal dus vanaf overmorgen heel wat anders worden. Dan trek ik met mijn fiets (die hier heel wat bekijks krijgt) het Gambiaanse binnenland in. Ten noorden en ten zuiden van die stroom strekt de Gambiaanse landmassa zich slechts enkele kilometers uit zodat we kunnen spreken van een zeer smal landje. Een dikke 340 km oostwaarts van de Atlantische oceaan houdt Gambia ook op.
Vandaag zat ik al aan het ontbijt om 08.00 u en om 9.30 zat ik al op de fiets richting Banjul. Mijn eerste halte was het stadhuis van Banjul waar ik op sleeptouw werd genomen door Peter en vermoedelijk alle medewerkers, secretarissen en -essen, de ruimdienst, de IT dienst, de mecaniciens en chauffeurs de hand heb geschud. Er stond zelfs nog een oude Oostendse vuilniswagen te pronken en van die vuilbak-bakfietsen. Na de middag en een lang aanslepend middagmaal zowat alle straten van Banjul doorfietst, postkaartjes gekocht, een Gambiaanse simkaart aangeschaft en gretig gebruik gemaakt van mijn nieuwe aanwinst; een kleine camera die op mijn fiets gemonteerd staat en zeer discreet maar o zo ongenadig alles vastlegt. Mensen kun je hier niet ongevraagd fotograferen, laat staan filmen, maar dit toestelletje zit onopvallend op mijn vork gemonteerd en middels een kleine afstandsbediening schiet dit vernuftig toestelletje onmiddellijk in gang. Nu is het zo dat Gambiaanse (en bij uitbreiding Afrikaanse) derrières bijna een eigen leven leiden en de draagster ervan bijna constant dreigen uit koers te slaan waardoor de vrouw in kwestie in de berm zou kunnen belanden. Dit ontgaat mijn kameraadje, cameraatje natuurlijk niet en het feit dat dit ding dan nog op achterwerk-hoogte op mijn fiets vastgesjord is zorgt ervoor dat ik wel heel wiegende beelden kan schieten.
Nu dien ik wel een kanttekening te maken, dat het nooit mijn doel is om achterwerken te verzamelen op pellicule. Af en toe zo’n dansend ding in beeld zien komen en weer verdwijnen geeft toch ook wel een zekere meerwaarde aan de video’s.

Zo belanden we bij deze avond, op dit eigenste moment waarop uw verlaggever gezeten aan een tafel, links van hem de ruisende Atlantiek en rechts van hem de rijkgevulde bar op het punt staat om zijn tanden in een gebakken “botervis” met gebakken banaan en pikante notensaus te zetten. Ik kan me een oneindige reeks slechtere momenten voor de geest halen.
Om af te ronden; ik heb hier extreem snel mijn draai gevonden, ik begin zo’n beetje een zicht te krijgen op de gangbare prijs van menig eetbaars, mijn fiets snort als nooit tevoren. Regen of sneeuw zal hier nu niet vallen (sinds de onafhankelijkheid zo’n 48 jaar geleden heeft het hier eigenlijk niet meer gesneeuwd en zal het voor alle duidelijkheid ook nooit doen), enfin we stellen het goed.
Zo, nu ga ik nog een fris biertje drinken, nog wat verder rotzooien op mijn iPad, mijn fietszakken in staat van paraatheid brengen voor  de eerste bepakte fietsdag morgen en voor het slapengaan nog wat vliegende bloedzuigende ettertjes doodkloppen.
Een volgend verslagje zal waarschijnlijk pas op het eind van de reis komen, want buiten de zee, bleekscheten en hete douches zal ook het internet wegvallen. Kuifje goes brousse.
Bij leven en welzijn, tot later

MINTI, MINTI

“Minti minti” sprak de inboorling, waarop de fietsende “toubab” (blanke man) er in verschillende gradaties van welwillendheid het volgende op antwoordde: “Yes, yes”, “haha” en “no thank you”. “Minti minti” is het Mandinka voor “geld, geld”, tja… fietsende, wandelende, ja zelfs  halfdode of kruipende toubabs worden geacht rijk te zijn en in zekere mate gaat dat wel op, want de lokale inboorling heeft eigenlijk bitter weinig. “Lokale inboorling” hoor ik je denken ?  Buitenlandse inboorlingen moeten inderdaad nog uitgevonden worden. We wijken af.
Gisteren vertrokken vanuit mijn tijdelijke uitvalsbasis 12 km ten westen van Banjul, en grotendeels de drukke kust gevolgd over lekker fietsende tarmac. Eenmaal Brufut gepasseerd, laat je de drukke en door blanke toubabs gedomineerde kustzone vrolijk achter je en wordt de kust een pak minder bevolkt en bebouwd. Uiteindelijk werd ik in Gunjur bijna letterlijk van de weg geplukt door een overenthousiaste inboorling die zijn voedsel en logement aan de voorbijfietsende toubab probeerde te slijten. De gedachte aan eten speelde al een dik uur door mijn bolle hoofd, want van fietsen krijg je honger. Van niks doen trouwens ook. Tijd om te eten dus, en al vlug stond er een bordje vis met slappe frieten voor mijn neus. Omar de baas van het zaakje was nogal van het enthousiaste type, praatziek ook een beetje en ik besliste om er ook te overnachten. Bagage van mijn fiets gehaald en de resterende km’s tot aan de noordelijke grens van zuid Senegal (haal er de kaart bij, en veel wordt duidelijk) gereden. Daar kun je in krakkemikkige kano’s (pirogue heet dat hier) lekker illegaal de grens oversteken. Ik hou het liever legaal en keerde aldus mijn stalen ros. Mijn schitterende op achterwerkhoogte gemonteerde bulletcam (zie hoger) leverde weer eens schitterend werk toen ik mijn parmantig voor een militaire checkpoint posteerde en al pratend de nietsvermoedende militairen filmde.
Eenmaal terug aan mijn logies wandelde het al even enthousiaste neefje van Omar-de-guesthouse-baas mee tot aan de atlantiek, waar buiten twee Nederlandse toeristen, ik de enige toubab was.

Vandaag 6 maart vertrok ik schandalig laat vanuit Omars optrekje. Tien uur, rijkelijk laat dus. Eerste kilometers waren terug supergladde tarmac, maar dat veranderde drastisch. Ik had het lumineuze idee om ipv een grote ommetoer via Brikama richting south bank road te rijden, de korte route te rijden. Ik wist gelukkig wel dat dit volledig onverhard ging zijn, maar de savanne lonkte en Kuifje ging eens de lokaalste en plattelandste inboorling goeiedag zeggen. Nog nooit zoveel de weg gevraagd als vandaag, maar het moet gezegd, eigenlijk niet verkeerd gereden. Met dank aan die lokale inboorlingen overigens. De staat van de zandwegels waren zoals het eerste woord in dit samengesteld woord doet vermoeden: zanderig. En dan moet zelfs een rijke toubab afstappen en duwen. Tot overmaat van ramp constateerde ik dat omstreeks km 16 mijn achterste nogal verdacht raar deed. Achterste van de fiets bedoel ik. Een snelle blik resulteerde in een “verdomme” uitroep. Platte band begot! Ik was nog maar pas begonnen of een bejaarde man op de fiets stopte en begon mij simpelweg te assisteren. In nog geen 15 minuten lag de reserve binnenband erop en fietste de oude man voor mij weg. Niet verder fietsen betekent stilstaan en daar raak je ook nergens mee, dus vervolgde ik mijn weg van dorpje naar dorpje over het zand, soms verhard, meestal niet, constant de weg vragend aan de mensen. En dat ging heel goed, onder het aanhoren natuurlijk van menig minti minti en schel geroepen toubab. Op het einde van de savanneroute nog een nietsvermoedende militaire post gefilmd en uiteindelijk op de verharde south bank road beland.
Een mogelijk logies lag nog een superhete 35 km verder, en ik twijfelde eerlijk gezegd of ik dat nog ging halen, want behalve een flink ontbijt en rond 13.30 een klein broodje (tapa lapa in de volksmond), en enkele druivensuikers en veel vocht heb ik niet veel meer binnengespeeld. En wat ik in mijn tweede jeugd meer en meer ervaar, is dat ik meestal zo een tijdje voor het bereiken van mijn eindbestemming de man met de moker tegenkom. En ik kreeg zowaar twee meppen  van zijn moker. Eventjes bibberend en schuddend op een boomstam gaan liggen, 4 druivensuikers naar binnengespeeld en het restje tapa lapa, 5 minuutjes wachten en ik kon weer een eindje fietsen.
Stipt om 18.00 uur arriveerde ik dan in Bintang bilong, een schitterend logies, waar ik niet het flauwste vermoeden van had hoe het ging uitvallen. Maar wat een schitterende locatie ! Een goeie 80km verwijderd van de kust is de heerschappij van de zee nog altijd oppermachtig want het zeewater stroomt met gemak zo diep landinwaarts de rivier in . Die “zee-arm” – rivier is hier verschillende honderden meters breed en majestueus omzoomd door mangrove bossen.  Knal in die mangroven hebben ze hier een “lodge” gebouwd, houten individuele paalwoningen met in je achtertuin mangrove bos, en vooraan een terrasje dat wiebelend balanceert boven het zilte water. Verschillende watervogels trippelen door de mangrove en vliegen verschrikt op en krabben maken grappige geluidjes met hun scharen. Ik vrees er een beetje voor dat ik hier morgen niet wegraak. Iets verder weg van het water, wijzen statige baobabs met hun takken naar de hemel.
Hutje geregeld, in mijn zwembroek gesprongen en nog oververhit van de bewogen fietsrit in het zoutige sop gesprongen. Wat een eind van een interessante dag. Zowat een uurtje geleden een kip gesmoord in een zeer lekkere saus gegeten, en tijdens het drinken van een drietal “Julbrew” biertjes begonnen aan dit verslag.
Met permissie stop ik nu met schrijven en ga ik mijmerend de donkerte in staren, de sterren proberen te tellen, luisteren naar de verschillende dierengeluiden en nippen van mijn derde en laatste biertje.
Ik kan me weeral ontelbare slechtere momenten voorstellen.
Groeten thuis en tot de volgende.

EEN EMMERTJE VOL 

Tot u spreekt een lichtjes gechauffeerde, op het kookpunt staande fietsreiziger die op dit moment enkel nog interesse heeft in een frisse cola, pint of fanta voor zijn rode neus, een boom die een rijkelijke portie schaduw op de grond werpt en een plaatsje waar de wind vrolijk kan ronddartelen, want HEET is het beste lezer, BLOEDHEET !
Dit verhaal zit ik nu te schrijven in Farafenni, een grensstadje op 1 km van Senegal, op de noordoever van de Gambia rivier. 8 maart geeft mijn horloge aan.
Gisteren (7 maart) waarlijk een helse dag beleefd, waar ik nu toch met enige trots op terugblik.
Ik kon me die morgen maar moeilijk losmaken van die heerlijke verblijfplaats in de mangrovebossen, wat resulteerde in een zeer laat vertrekuur. Om 10.15 vertrok ik vanuit Bintang Bolong voor wat een relatief kort (65 km) ritje beloofde te worden. De eerste 6 km gingen zeer vlotjes, wind in de rug. Toen kwam ik op de hoofdweg, sloeg linksaf en begon het stampen tegen de wind. Geen keihard loeiende wind, maar een behoorlijk vervelend tegenwindje. En het was warm, tropisch warm. Al na 25 km begon ik te merken dat het niet zo vlotjes ging als gewoonlijk, de wind dacht ik , maar mijn snelheid daalde met het halfuur. Na 35  km was ik maar al te blij om te kunnen stoppen en  eten, toevallig bij een grote fruit- en groentenmarkt. Broodje met sardienen, 3 kleine bananen, een supergrote radijs (zo van die lange witte) en halve sloten water. Met enige tegenzin klom ik weer op mijn fiets en bij het zoveelste lichte hellinkje van hoop en al 400 meter dat ik aan een miezerige 10 km/u opreed, wel toen pas viel mijn dalasi (plaatselijke munt); hier klopt iets niet. Ik vond van mezelf dat ik genoeg dronk, maar toen ik een plaatselijke baobab besprenkelde met het weinige lichaamsvocht dat nog in mijn lijf circuleerde en constateerde dat het zeer geconcentreerd en geel was, viel mijn hele portemonnee dalasi’s helemaal. Deze jongen drinkt helemaal niet genoeg. Vreemd genoeg had ik niet direct een droge mond of schuimbekkende tronie, maar het was vocht waar mijn lichaam om schreeuwde. Recht evenredig met het toenemende aantal pauzes dat ik begon te nemen, steeg het drinken ook. Ik dwong me er zelf toe. Na iedere kleine helling kwam ik pompaf boven, happend naar adem en mezelf dwingend nog 1 of 2 km verder te fietsen vooraleer wéér te pauzeren onder een boom. Zo om de 4 à 10 km kwam ik kleine dorpjes tegen, maar buiten een verzameling hutjes, een moskee, en wat miniskule straatstalletjes die enkel maar zaklampen, flipflops, zakken meel en ajuinen verkochten was daar niets anders te verkrijgen. Daar is een gedehydrateerde fietser helemaal niets mee. Dus maar doorrijden tot de volgende nederzetting waar dan hopelijk flessen water te koop waren. Mijn resterende warm water was bijna op en mijn wil om te fietsen ook.  Met gebogen hoofd, hijgend van de inspanning en met bibberende benen naderde ik het zoveelste volgende dorpje. Nu moest ik werkelijk zien aan water te komen of het ging slecht aflopen. Mijn voorraad water was op. Ik stopte aan een waterput waar de inboorlingen hun water ophalen, maar die stond droog. Een vriendelijk jongetje bood aan om water uit een andere put voor mij te halen, maar vreemd genoeg bedankte ik het knaapje vriendelijk doch afgemat met het excuus dat ik toch ziek zou worden van het onbehandelde water, wat helemaal geen leugen was, maar ik kon er gerust een aantal Micropur zuiveringstabletten in kappen, half uurtje wachten en dan ervan drinken. Iets dreef me nog verder het dorp in. Ik was nu op het punt gekomen dat ik bijna niet meer op mijn fiets kon blijven en toen ik in de verte bij de brug een rood bord met de vertrouwde witte krulletters dacht zien te staan, sukkelde ik aan een slakkengangetje erop af. Rechts liep een electriciteitslijn, dat rode bord was onderdeel van een redelijk groot gebouw en toen ik dicht genoeg genaderd was, kreeg ik absolute zekerheid: Coca Cola, een werkende frigo en drank a volonté.
Nu zeggen wij soms wel eens: “ik zou je kunnen kussen” uit blijdschap of erkentelijkheid, maar dit was wat ik werkelijk deed. “I can kiss you” zei ik tot de potige barman, omhelsde hem en gaf hem een kus op zijn wang. Geen dichterlijke vrijheid, geen fantasie, zo deed ik het werkelijk. Ik bestelde een 300 cl Cola, en een anderhalve literfles koud water en op 10 minuten tijd was het hele zootje naar binnen gekapt, al na 15 minuten voelde ik mijn krachten terugvloeien, ik kocht nog 3 liter water, dronk nog een cola en na een half uur achtte ik mezelf weer klaar voor de resterende 25 km of zo. De eerste 15 km gingen vlotjes, ik had weer kracht om goed door te fietsen, te zwaaien naar de “toubab” roepende kindertjes, maar toen begon ik terug te verzwakken. “Is ’t weeral vandadde ?” dacht ik bij mezelf, ondertussen terug drie kwart liter water naar binnen kappend. De laatste 10 km gingen maar zozo, ik was toch niet volledig terug in mijn goeie doen en was dan ook maar al te blij na 79 km te arriveren in Tendaba river camp. Toen ik die dag herbeleefde en herdacht in mijn geheugen kwam ik tot de constatatie dat ik die dag tegen de 12 liter vocht naar binnen heb gewerkt. Da’s meer dan een emmer !
Leuke zij anekdote: in Bintang Bolong maakte ik kennis met een Braziliaanse, Spaanse en een Brit die hetzelfde traject als hierboven deden, zij met openbaar vervoer, ik met de fiets en we kwamen krak op dezelfde tijd aan in Tendaba ! In hun bus was het tot een vechtpartij tussen enkele mannen gekomen, bij het eerstvolgende politiebureau stroomde de bus leeg, werd de aanstoker van de vechtpartij voor een halfuur achter tralies gezet, maar toen het tijd was om te bidden, werd hij eruit gehaald, werd er gebeden, vervolgens met 15 paar handen uit eenzelfde grote kom rijst gegeten en de reis verdergezet alsof er niets gebeurd was.
Die avond zat ik om 22.00 in mijn bed en viel als een blok lava in slaap.

8 maart.
Vroeg ontbijtje met zijn vieren, de Spaanse en Braziliaanse gingen een plaatselijk boottochtje maken in het nabije tot natuurpark opgewaardeerde mangrovebos, John de Brit en ik gingen met een gecharterde pirogue (een groot uitgevallen kano met buitenboordmotor) verder varen naar Farafenni. Niet dat ik geen zin meer had om te fietsen, maar een relaxt tochtje van 3 uur op de brede Gambia rivier richting oosten leek me wel aantrekkelijk. En zo was het ook. Al was het begin eventjes moeilijk. Ontelbare malen moest de stuurman zijn buitenboordmotor herstarten, half ontmantelen, bougies kuisen enzovoort, terwijl het hulpje naarstig water uit de boot aan het scheppen was. Toen de stuurman dan nog een sigaret aanstak in de zeer nabije nabijheid van 2 vatjes benzine had ik niet veel fantasie nodig om onszelf vastklampend aan een van mijn waterdichte fietstassen overboord te zien springen het inferno achter ons latend en de hele kilometer naar de oever toe te zwemmen. Zover kwam het gelukkig niet. Na het aanmeren moest ik nog 6 km fietsen om in Farafenni te raken.
Hier heb ik samen met John mijn intrek genomen in Eddy’s place , een rechthoekig gebouwencomplex met groen en boomrijk binnenplein en het is hier waar ik gezeten onder niet nader geïdentificeerde bomen (van waaruit geregeld met een rotvaart harde vruchten ter grootte van een kiwi uit vallen) aan het schrijven geslagen ben. Want dat is de enige fysieke inspanning die ik mij getroost op dit onmenselijke hete uur van de dag. Ik vind het zeer jammer dat ik geen thermometer bij me heb, maar de inboorlingen verklaren hier één na één dat het kwikke kwik vlotjes tot net boven de 40 ° klimt.
Het ligt wellicht aan het gebrek aan tijd die ik heb om degelijk te acclimatiseren, want Katrien en ik  hebben nochtans al op andere plaatsen op deze aardbol in dergelijke temperaturen gefietst.
Morgen ga ik mogelijks iets heel gek proberen te verwezenlijken en dat is de ongeveer 110 km naar de atlantiek in één dag te fietsen. De hitte zal nog altijd hetzelfde zijn, maar ik zal toch 2 natuurfenomenen in mijn voordeel hebben; 1. ik plan (en wie mijn reisgedrag een beetje kent verklaart mij nu stante pede gek) om 06.00 te vertrekken, vooraleer de grote hitte rond 11.00 à 12.00 toeslaat en 2. ik zou (ja zou) de wind mee moeten hebben. Middels een  immense voorraad water en een immens innamevermogen zou ik de kust moeten kunnen bereiken. Ofwel ga ik voor Barra in Gambia (recht tegenover Banjul) ofwel ga ik voor een mooi gelegen guesthouse een beetje over de grens in Senegal. Haal ik het niet, dan moet ik onderweg zien te overnachten, maar er is nergens commercieel logies al kan je overal wel ergens wat regelen. Meer hierover in het volgende verslag.
Baai baai.

LE TOURNESOL

“Le tournesol, le tournesol, n’as pas besoin d’une boussole ni d’arc-en-ciel pour se tourner vers le soleil”. Een waarheid als een zebu (plaatselijke koe). Deze Franse liedjestekst uit ver vervlogen tijden golfde mijn oor tegemoet tijdens het zoveelste toertje in mijn plaatselijk zwembad. Dit zwembad ligt op Senegalese bodem, in een nogal weelderig resort vlakbij de hier altijd aanwezige mangroven.
Mijn laatste berichtje berichtte over de poging om vanuit Farafenni in één dag tijd de Atlantische kust te bereiken, hitte, wind en afstand trotserend. Voor aanvang schatte ik mijn kansen vooral door de te voorziene bakoven eerder gering in, maar het ging deze keer gemakkelijker dan verwacht. Er was bijna helemaal geen wind, noch mee, noch tegen en de hitte sloeg  pas toe rond 10.00 à 11.00. Tegen dan had ik al een behoorlijke afstand afgelegd. Om 06.30 zat ik namelijk al op mijn ros richting atlantiek. En dat loont. Weeral iets bijgeleerd. Vroeg opstaan is nochtans niet mijn ding, ik heb er echt moeite mee zij het nu thuis of op reis, maar de hitte doet rare dingen met mensen.
In plaats van naar Barra te snorren (waar de ferry naar Banjul vertrekt), sloeg ik 20 km eerder noordwaarts af op een zandweg om zodoende zonder omwegen rapper aan de Senegalese grens aan te komen. Die bereikte ik om 14.00 en amper een uurtje later waren alle formaliteiten, incluis geld wisselen geregeld.
En zo ben ik nu druk bezig met de doorsnee toerist te spelen. Da’s zeer aangenaam als het snoeiheet is, maar als ik eerlijk moet zijn begint het toch wel een beetje te vervelen. De hoogste tijd om terug op mijn fiets te klauteren en nieuw horizonten te verkennen !
Vroeg vertrekken zal weer de boodschap zijn. Iedereen klapt hier van de chaleur en zeggen dat het in vlaanderen alweer sneeuwt en vriest. Als ik de inboorlingen hier vertel over het vriesweer in mijn heimat gaan de wenkbrauwen een halve meter de lucht in. Die mensen hier kunnen zich daar niets bij voorstellen, ’t is hier trouwens nog altijd wachten op de eerste sneeuw. Gisteren een aantal mooie vogels kunnen observeren en fotograferen waaronder twee variëteiten ijsvogel (waarvan eentje met vis in de bek) en een tot nader order niet geïdentificeerd vederig object met toch wel heel felle kleuren. Naar het schijnt sluipen hier ook hyena’s rond, maar tot op heden hebben deze beesten zich nog niet vertoond.
Deze middag was een grote groep militairen met getrokken klakkebus burgeroorlogje aan het oefenen in de zanderige straten van Toubakouta, en ja hoor, mijn digitale vriendje heeft weer alles gefilmd; ik denk dat ik dat apparaatje eens op mijn brandweerhelm of brandweerdweil ga monteren om de doorsnee leek eens een blik op het brandweerbestaan te gunnen; mogelijkheden zat. Maar praat me niet van werk, dat is voor thuisblijvers en die zijn er mijns insziens meer dan genoeg, en terecht !
Ondertussen gaat deze jongen nog een beetje ploeteren in het heerlijke water, seffens eens een souveniertje gaan kopen, gevolgd door een lekker maaltje hier in ‘t resort. Vanavond is er in het dorp de finale van de “lute”wedstrijd, een competitie Senegalees worstelen gepaard gaande met veel lawijt, couleur locale en dans. Je ziet, het leven van een toerist is niet bepaald gemakkelijk !
Wellicht volgt er nog één berichtje, want mijn dagen zijn geteld, maar of ik nog ergens draadloos internet vind is een ander paar mouwen, zoniet, bedankt voor uw aandacht en tot in dat koude trekgat aan de zee.

HET NEUROFEN INCIDENT

Onder een loden zon vertrok ik vanuit Toubakouta, over een aangename laterietweg (die rode grindwegen die je in zovele afrikaanse landen terugvindt) terug richting Gambia.  Ik passeerde Missirah, een onooglijk klein vissersdorpje en sloeg dan linksaf over een zanderig pad, tussen de bomen op weg naar de RN5. De aanwijzingen van de laatste mens aan wie ik het vroeg waren niet heel duidelijk en op de vermoedelijke splitsing was er niemand aan wie ik het kon vragen, dus eigenlijk een beetje onzeker sloeg ik dat pad in.
De richting bleek te kloppen volgens mijn kompas, maar de afstand bleek heel wat langer dan verwacht. Dat deed me twijfelen en hopen dat ik hier niet hopeloos in de brousse zou verdwijnen. Na een halfuren schipperen tussen zand, overhangende struiken, diepe sporen en lang gras kwam ik heel onverwacht op de verharde weg naar de grens.
Ik stopte nog eventjes in een plaatselijk drie-stoelen-restaurantje om wat kip met rijst naar binnen te werken, vooraleer me over te leveren aan het moeilijkdoenerij-lievende type bureaucraat dat zich nogal eens durft op te houden aan grensovergangen. Stempeltje voor het verlaten van Senegal, stempeltje en korte vraagjes voor het opnieuw betreden van Gambia en hopla de fiets op voor een twintigtal km tot aan Barra waar de ferry naar Banjul dagelijkse richting overkant ploetert.
Een schimmig persoontje kwam plots bij mij staan, haalde een beduimeld geplastifieerd naamplaatje boven en gebood me hem te volgen. “Drug enforcement police”. Ik zag er vermoedelijk het nogal verdachte type uit, met fietszakken vol narcotica, verdovende middelen en dergelijk fraais. “We want to look in all your bags” zei de man. Daar had ik nu eens absoluut geen zin in en trakteerde  het kereltje geheel onverwacht  een oplawaai van jewelste keurig gecentreerd onder zijn kinnebak.
Neen, zo is het uiteraard niet gegaan, maar ik had wel helemaal geen zin om al mijn zakken weer ondersteboven te laten halen door grijpgrage Gambiaanse politievingertjes. Maar hier had ik gewoon niets te zeggen en mooi mee te werken. En zo werden al mijn spulletjes één voor één uit mijn zakken gehaald. Om er zelf toch een beetje plezier aan te beleven begon ik alle voorwerpen die ze boven visten te benoemen en als extra service uit te leggen waarvoor ze dienden, zij het met wel een royaal scheutje sarcasme. En zo ging het dus onder andere van: “a bottle water ? to drink”,”sunscreen (zonnecrème) ? to keep toubabs white skin white”, “a tooth brush ? to brush my teeth” en “videocamera ? to make secret video’s of fools like you”. Enfin, niets wat ik bijhad bleek verboden of onwettelijk te zijn, maar in mijn laatste zak vonden ze waar ze al een aantal keer naar gevraagd hadden: “tablets”. Hun priemende ogen kregen extra glans en hun blikkerende tanden leken extra wit toen ze mijn medicijnendoos te pakken kregen. Elk stripje werd nauwkeurig bestudeerd en ik gaf telkens weer aan waar het voor diende. Eén strip Motillium en één pilletje  Neurofen werden apart gehouden en ik hoorde hen tegen elkaar murmelen in het Mandinka. Eén mannetje verdween naar zijn bureautje terwijl de ander me expliceerde dat hij iets ging opzoeken in ” the book”. Dat moet nogal een boek zijn, dacht ik bij mezelf, wil het alle medicamenten bij naam vermelden, maar eventjes later kwam nummer 1 terug, vezelde wat tegen zijn kompaan en werd me onmiddellijk verzocht mee te gaan naar het bureautje.
In een duister krocht van een bureau viel het verdict. Dat vermaledijde pilletje bevatte codeïne, dat stond er ook op trouwens. “This is forbidden” zei de ene, hij sloeg een evenzeer beduimeld naslagwerk open en wees op de naam codeïne. Toen begon ik uit te leggen dat in de gehele westerse wereld, de maan incluis, Neurofen een doordeweekse pijnstiller is dat zonder voorschrift bij de apotheker te verkrijgen is. ’t Mocht allemaal niet wezen want hij haalde er een ander boek bij en wees enkele zinnen en paragrafen aan. Ik las ze zonder ze uit te spreken, maar dit was niet wat meneer wilde. Ik moest het hardop voorlezen. Ik zat namelijk te lezen in het strafwetboek en las in een bepaalde paragraaf het volgende (vrij vertaald): Op het bezit van codeïne staat een straf van 250.000 dalasi (te vergelijken met de oude Belgische frank), of tot 3 jaar gevangenisstraf. Ik kruiste mijn beide armen en bood ze aan om geboeid te worden (echt waar), maar zo ver gingen ze het blijkbaar toch niet drijven. Ik had al lang door waar ze heen wilden; een “bribe” zoals ze in het engels zeggen, een afkoopsom, omkopen. Daar had ik nu ook weer eens geen zin in en gooide het over een andere boeg: ‘ik ben een brandweerman en ambulancier, en ik probeer zoveel mogelijk levens en mensen te redden’. Brandweermannen worden voor een illustere reden zeer gewaardeerd in de Gambiaanse samenleving en mijn tactiek sloeg aan. Ze bleven monkelend lachen naar mij, maar ik wilde geen halve dalasi smeergeld betalen. Uiteindelijk zei de ene: omdat je brandweerman bent en omdat het maar over één pilletje gaat, laten we je gaan. 3 jaar in een oververhitte Gambiaanse cel: daar had ik nu eens het minst zin in van al. Eind goed, al goed en ik sprong fluks op mijn fiets om de 20 km te overbruggen naar Barra.
Daar was de boot net aangekomen, braakte zijn inhoud uit, slokte de nieuwe in en aan een tergend traag slakkengangetje ging het naar Banjul. De ferry was er een eentje van Russische makelij en zou bij ons waarschijnlijk nog niet eens bij het oud ijzer mogen. Enfin, het ding ging vooruit, bleef vooral drijven en een uurtje later was de drie kilometer brede riviermonding overgestoken.
Ik bleef overnachten in Banjul, omdat het nu al donker aan het worden was en mijn geplande overnachtingsplaats nog een goeie 20 km verder was.
Dat heb ik dus vandaag gedaan (13 maart) van Banjul naar Lamin lodge gefietst. Terug een slaapplaats met een verhaal want 1. het is een krakkemikkige houten verzameling van balken en latten die balanceert boven het water en omringd is door mangroven, 2. net door zijn krakkemikkigheid is het nu gesloten en  wordt het gerenoveerd, maar mijns inziens kan dat nog eeuwen duren aan het tempo dat dat hier vooruit gaat.
De vriendelijke  en al even krakkemikkige Duitser die zichzelf eigenaar mag noemen van dit Mikado-achtig bouwsel gaf mij evenwel de permissie om hier te overnachten en zo heb ik op de eerste verdieping mijn tentje opgesteld zonder buitenzeil, enkele matrassen onder mijn tent geschoven, er staat een emmer water om me te wassen en ik ben buiten een kudde apen, vliegende vissen, klapperende krabben en nog heel wat andere diertjes die ik evenwel vanwege het duister niet meer kan zien, he-le-maal alleen. Zalig vind ik dat, een nachtmerrie voor de meeste mensen.
Morgen is mijn laatste volle dag in Gambia en gebruik ik om op mijn gemakjes terug naar mijn eerste hotelletje terug te fietsen aan de kust, fietsje dankbaar weer te demonteren en in de doos te stoppen, nog wat te zwemmen, vroeg in de doos, en de 15e maart om 14.00 terug naar België te vliegen om hopeliijk nog wat winterpret te kunnen beleven. Qua contrast kan dat wel tellen.
Daag

Ég fer norður á vegg ! *

Halló

Het zat er aan te komen. Het moest er van komen. Sinds 2015 heb ik er geen voet aan wal meer gezet. De lokroep van het wilde noorden weerklonk steeds luider en luider tot het punt waarop het niet meer te negeren viel. Deze jongen moet terug naar zijn “heim“. Het land van de “harðfiskur, jökulhlaup, eldfjöllum, jöklar en norðurljós“**. IJsland ! Op 21 februari vlieg ik met Icelandair in 3 uur van Amsterdam naar Reykjavik (Keflavik luchthaven).

In 3 reizen heb ik -al dan niet samen met Katrien- al heel wat van het imposante land gezien, maar er zijn nog een aantal locaties en gebieden die ik nog eens nader moet zien te bestuderen. Net als alle vorige IJslandreizen zal deze trip ook zonder fiets zijn; de afstanden zijn net iets te lang en de reis nét iets te kort om alles te fietsen. Bij aankomst in Keflavik zou een stoere Fiat 500 op mij moeten staan wachten. Uitgerust met een stevige rugzak en al mijn winter attributen plan ik toch wel enkele nachtjes in mijn tent en op mijn sneeuwschoenen.

Deze reis zal -afhankelijk van het weer- terug een massa foto’s opleveren. Die vierde lading foto’s moet ik dan nog zien te verwerken in een presentatie die al voor 3/4 klaar is en die in de loop van het jaar zou moeten kunnen afgerond worden.

*-*-*-*-*

* “ik ga ten noorden van de muur !” (een verwijzing naar de legendarische en fictieve muur in de succesreeks Game of Thrones. Daar scheidt de muur de 7 koninkrijken van het ten noorden van de muur gelegen ongekende, gevaarlijke en arctische gebied. Alle beelden die zich daar afspelen zijn gefilmd in IJsland)
** droogvis, gletsjersmeltwatervloed, vulkanen, gletsjers en noorderlicht

dsc04414

Crosstrainen op de Hoge Venen

Tapdansen

Je zie gie zot zekers?” (jij bent toch niet goed snik ?). Deze boude bewering krijg ik wel eens meer rond mijn oren geslingerd. “Zot zijn doet geen zeer, het jeukt enkel een beetje” of “iemand moet het toch doen” zijn dan zo’n beetje mijn standaard antwoorden. Ik ben trouwens heel blij dat er zo weinig mensen die dingen willen doen. Dat houdt in dat ik weinig volk op mijn weg vind en behoorlijk ongehinderd mijn zin kan doen. Strandvakanties waar je je al tapdansend een weg moet banen tussen honderden uitgestrekte benen en lijven op een volgepakt strand zijn een ware nachtmerrie voor ondergetekende. Mij – en bij uitbreiding Katrien – ga je niet snel zien opduiken in pakweg Benidorm, Center Parks of op één of ander all inclusive resort vakantie. Niet dat we daar op neerkijken. Neen, het is gewoon niet aan ons besteed en we zijn dolblij dat er genoeg mensen zijn die dit willen doen. Zotte dingen dus.

Op een frisse ochtend rij ik mijn volgepakte fiets naar het station van Oostende. Ik heb mijn Finse spijkerbanden gemonteerd en buiten een heel arsenaal aan warme spullen heb ik ook mijn sneeuwschoenen achterop gebonden. Deze jongen gaat eens wat alternatieve winterpret gaan beleven in het Waalse landsgedeelte. Zowel Frank als Sabine (van het Belgische KMI) zijn unaniem: het zal de komende dagen flink winteren in heel België, maar vooral in de Ardennen. Het plan is om de Vennbahn route te fietsen en vanuit Gouvy terug naar huis te sporen. Zo’n verkeersvrije routes zijn het summum van fietsplezier maar ik twijfel er zeer ernstig aan of die route ook berijdbaar zal zijn. Er ligt in de Hoge Venen zo’n 50 cm sneeuw en fietsroutes worden in de winter niet geruimd. In de planningsfase heb ik daar echter rekening mee gehouden en al een alternatieve route voorzien.

Alternatieve bel

Op de trein die me naar Antwerpen rijdt, word ik aangesproken door een jonge leerkracht die vol bewondering informeert naar mijn plannen. Deze jongeman die ook besmet is met het avontuurvirus blijft geanimeerd luisteren en praten tot hij moet afstappen in Gent. Antwerpen Centraal is mijn terminus en met de GPS in de hand (vergeten de nieuwe GPS houder op mijn stuur te monteren) laveer ik op mijn ratelende banden tot knooppunt drie bij het Rivierenhof in Deurne. Wanneer je met spijkerbanden op tarmac of beton rijdt, maken die metalen “spijkertjes” een heerlijk geluid. Althans, ik vind dat een leuk geluid. Het is ook een mooi alternatief voor een fietsbel. 20 meter of soms meer voor je mensen in de rug nadert, draaien die zich al om, om het vreemde geluid dat nadert te lokaliseren en in te schatten.

img_1238
Abdij van Tongerlo op dag 1

Vanavond wil ik bij fietscollega en -vriend Nico arriveren. De meest directe route is om van Antwerpen tot in Beringen het Albert kanaal te volgen, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Ik hou niet van kanalen, die zijn te rechtlijnig naar mijn mening. Kronkelende en meanderende kanalen zijn er mijns inziens niet, dat zou de efficiëntie van de binnenscheepvaart nogal nadelig beïnvloeden. Dus heb ik op http://www.fietsnet.be een knooppunten route uitgeprint en die volg ik nu. Mijn eerste foto neem ik met mijn camera aan de abdij van Tongerlo en krijg direct een tweede onaangename verrassing gepresenteerd: “no memory card” beweert mijn digitale vriendje en die is onverbiddelijk én zelden fout. Dan haal ik maar mijn iPod tevoorschijn en doe de foto nog eens over. Alle foto’s die bij dit verslag horen zijn dus met dit toestelletje genomen. De foto’s zijn scherp genoeg, maar geen superieure kwaliteit.

Het zonnetje schijnt en langs de verkeersluwe route -die hier in de provincies Antwerpen en Limburg nog sneeuwvrij is- is er redelijk wat fiets- en wandelverkeer. De temperatuur ligt net onder het vriespunt en er staat een matige oostenwind. Meermaals word ik aangesproken naar mijn plannen en motieven. Wanneer ik die dan uit de doeken doe, veranderen de gelaatsuitdrukkingen nogal drastisch. Een aantal mensen proberen te peilen of deze vreemde snuiter voor zich ze nog allemaal op een rijtje heeft. Ik verzeker ze dat ik weet wat ik doe en dat ik er begot nog plezier in schep ook.

Wanneer ik tussen Genendijk en Kwaadmechelen  wat aan het sukkelen ben om mijn route te vinden (blijkbaar veel industriële activiteit en fietsomleidingen) en aangesproken word door een fietser, wordt al snel duidelijk dat mijn plan om de Vennbahn te fietsen onmogelijk zal zijn. De vriendelijke man was er enkele dagen geleden om er te langlaufen! Rond 17.30 arriveer ik bij Nico en word er hartelijk ontvangen. ’s Avonds gaan we uit eten en omstreeks 23.00 duik ik in bed.

Nico is reeds om 05.00 vertrokken voor zijn vroege shift in het Hasseltse ziekenhuis waar ie werkt en ik ontbijt en start rond 09.30 met fietsen. Vanavond zou ik graag ergens in de buurt van Aachen eindigen. Via de knooppunten rij ik door een landschap met rijp afwisselend door bos en heide. Er staat een matige oostenwind die net sterk genoeg is om mijn snelheid wat te beperken. De rolweerstand van mijn spijkerbanden is natuurlijk ook een stuk hoger dan van gewone banden. Samen met de inboedel die ik meesleep kom ik zelden boven de 21 km/h uit. Eenmaal door het Nationaal Park Hoge Kempen ratel ik via een fietsstrook langs de E314 en over de Maas Nederland binnen. Een fietsstrook op de autosnelwegbrug over de Maas. Voor mij een primeur !

img_1240
Tentje op de Eschberg

Ik ben nu in Elsloo en rij voor het eerst door een golvend landschap. Dit is de regio van de Amstel Gold Race. Een fikse afdaling brengt me in Valkenburg en langs het riviertje ‘De kleine Geul’ mik ik op het drielandenpunt. Net buiten Valkenburg ligt er voor het eerst op deze trip sneeuw. De wegen zijn geruimd maar hogerop de hellingen en op de velden is alles wit! Dit begint er een beetje op te trekken. Racend tegen de invallende duisternis klim ik het laatste halfuur tegen de hellingen van de Eschberg op. Op een splitsing glip ik onder een houten slagboom met een waarschuwingsbordje “geen winterdienst”. Ik heb de trouwens al verkeersluwe weg voor mij alleen en na nog een onverharde afslag vind ik een schitterend plaatsje onder een grote boom. Overal ligt er sneeuw uitgezonderd onder de – royaal van takken voorziene- boom die ik uitgekozen heb. Met mijn hoofdlampje zet ik mijn tent op en installeer ik me. Zeer snel  duikt het kwik onder de magische 0° grens en rond 19.00 is het al -5°C. Ik heb nu al mijn kleren aan (lange onderbroek, skibroek, thermisch onderlijfje, windstop fietstruitje, fleece truitje, bodywarmer én niet gevoerde jas) en slaag er zowaar in om warm te blijven zonder te bewegen. Ik prepareer mijn avondeten op mijn brandertje en smelt sneeuw om aan water te raken. Na het eten besluit ik mijn avondwandeling te maken. De berg en het bos zijn voor mij alleen en ik geniet met volle teugen van de stilte, de wind in de bomen en de flikkerende lichtjes in de verte. Zo’n avondwandeling maak ik bijna altijd op reis, maar op deze trip heeft deze wandeling ook een tweede functie: warm blijven. Terug bij de tent is het kwik verder gezakt tot -7°C. In mijn tent schuif ik eerst in mijn fleece binnenslaapzak, vervolgens in mijn zomerslaapzak en uiteindelijk in mijn dikke winter slaapzak. Ik hoop deze nacht niet te moeten opstaan om een plasje te maken, want dat is altijd een heel gedoe met al die slaapzakken. Niettegenstaande er op 46 jarige leeftijd al wat dingen zijn die verslappen, hun rek verliezen en meer van dat fraais, hoef ik er ’s nachts niet uit. Ik slaap trouwens zonder wakker worden en rond 08.00 gaan mijn ogen weer open.

Ik probeer ’s morgens zo snel mogelijk de boel op te breken en in mijn tassen te bergen én te ontbijten, maar het is toch al weer 10.15 vooraleer ik kan beginnen fietsen. Ik ben nooit sterk geweest in vroeg vertrekken en het inpak proces verloopt niet altijd even vloeiend. Ik daal door het bos, van mijn Nederlandse berg en nog geen kilometer verder rij ik van het Nederlandse Wolfhaag, het Belgische Gemmenich binnen.

Zelfde landschap, ander land en andere taal. Via Kelmis (La Calamine) rij ik naar Eupen. Het plan om de Vennbahnroute te fietsen heb ik dus laten varen en ik baseer me nu op mijn Ravel knooppunten route. Ik ben ondertussen bijna in de Hoge Venen aanbeland en de 50 cm sneeuw waarvan sprake, blijkt te kloppen. Via de N68 -er is helaas geen andere sneeuwvrije route- start ik met de geleidelijke klim naar België’s hoogste punt. Met het klimmen daalt ook de temperatuur. Bij Baraque Michel houd ik even halt om wat warme thee uit mijn thermos te gieten. Het is hier een drukte van jewelste. Veelal Vlaamse jongelui die per bus aangevoerd worden om op de Venen wat te langlaufen. Ik hoor een Vlaming “respect” roepen in mijn richting. Dankuwel.

Ik vervolg mijn route via Malmedy op de N62 en bij Géromont -een eindje buiten Malmedy- word ik de onrechtstreekse oorzaak van een dodelijk ongeval ! Ik fiets zoals van mij verwacht wordt aan de rechterkant van de baan waar redelijk wat verkeer op zit. Een 50 tal meter voor mij aan de overkant van de straat zie ik een vrouw buiten staan voor haar deur. Ze is aan het telefoneren en ik let er verder niet op. Wanneer ik de vrouw passeer,

img_1258
Ruraal wegje tussen Ligneuville en Montenau

hoor ik een hond keffen en grommen. Ik let er verder niet op want ik concentreer me op de weg voor me. Haast onbewust hoor ik op de achtergrond het gekef wat luider worden. Plots hoor ik een ziekelijke klap, een remmende wagen en de telefonerende vrouw die luid begint te roepen en te tieren. De drang van het hondje om mij te knippen was groot en het onfortuinlijke beestje heeft waarschijnlijk zonder kijken getracht de weg over te steken. Wat dus overduidelijk niet lukte. Ik ben er toch eventjes niet goed van want het geluid van die klap was niet erg aangenaam. Dat van de jammerende vrouw evenmin.

In Baugnez buig ik af naar het zuiden en scan voortdurend links en rechts de weilanden en bossen af op een geschikt kampeerplaatsje, maar de invallende duisternis maakt het mij onmogelijk. Vermits ik weinig zin heb om in het donker een plaatsje te zoeken en temeer mijn tent vanbinnen nat is en mijn winterslaapzak vochtig aan de buitenkant, besluit ik een nachtje indoor te spenderen in hotel St. Hubert. Ideaal om de hygiëne wat op punt te stellen en de spullen te drogen.

img_1248
-12,5° C. Aangenaam !

De volgende morgen vertrek ik rond 10.00 en neem de -geruimde- binnendoor route naar Montenau. Het landschap is grandioos ondergesneeuwd en de vrieskou knabbelt gretig aan mijn onbeschermde oren. Ik stop om mijn muts op te zetten en check mijn thermometer: -12,5°C ! De takken van de sparren buigen flink door onder het gewicht van de sneeuw en de zon doet alles glinsteren en fonkelen. Daarvoor doe je het ! Tot in Hochkreuz slaag ik erin om via rurale wegen verder te fietsen, maar alle pogingen om zo in St. Vith te raken mislukken door lokale wegen die gedeeltelijk geruimd zijn. Eenmaal het laatste huis gepasseerd verspert een muur van sneeuw alle mogelijke vooruitgang (tenzij je te voet bent natuurlijk). Uiteindelijk neem ik de niet overdreven drukke N676 en via St. Vith klim en daal ik langs stille ondergesneeuwde dorpjes als Breitfeld, Neidingen en Lommersweiler. De weg tussen Lommersweiler en Maspelt is de zoveelste weg die halverwege niet meer geruimd is, maar waarvan de sneeuw wel aangereden is door auto’s. Het is een pittige klim naar Maspelt. Het is echter bijna onmogelijk te fietsen in de sporen van de wagens en dus moet ik bijna de hele klim mijn fiets naar boven hijsen. Dampend als een Brabants trekpaard arriveer ik eindelijk in Maspelt en kan ik weer eventjes geruimd verder. Ik wil vandaag echter vroeger stoppen met fietsen om mijn tentje op te zetten en zo nog wat tijd vrij te maken voor een sneeuwschoen wandeling. Halverweg Maspelt naar Bracht sla ik linksaf op een aangereden onverharde weg richting bosrand. Ik vind een mooi plaatsje aan de rand van het bos bij een wildhut maar het plekje ligt op een goeie 400 meter van de onverharde weg. Ik parkeer mijn fiets tegen een boom en pendel in 3 keer al mijn bagage naar mijn kampeerplek. Met mijn sneeuwschoenen druk ik de sneeuw plat en creëer zo een effen vlak om mijn tent neer te poten. Nu mijn basiskamp goed en wel geïnstalleerd staat, gesp ik mijn sneeuwschoenen aan en maak een mooie wandeling in een door God en alleman verlaten sneeuwlandschap. Het knerpen van de sneeuw en de

img_1261
Tentje met de “wildstand” keuken op de voorgrond

occasionele krijs van een roofvogel is het enige wat ik hoor. De sneeuw ligt hier wel 40 cm hoog en die sneeuwschoenen doen toch wat van hen verwacht wordt. Dat vind ik altijd leuk, dingen die effectief doen waarvoor ze ontworpen zijn. Wanneer zo’n zaken door een slecht ontwerp of afwerking niet goed werken of er vroegtijdig de brui aan geven kan mij dat verschrikkelijk op de heupen werken. Deze keer dus niet. Net als mijn brandertje dat ik omstreeks 19.30 u. opstart om sneeuw te smelten en mijn eten klaar te maken. Pasta met spinazie én gehaktballetjes én spekblokjes. Wie wil overleven in arctische omstandigheden moet een goede basis leggen. Ik heb een schitterend kampeerplaatsje uitgekozen want ik heb de beschikking tot een keuken. In een nabije wildstand (zie foto en veel wordt duidelijk) zie ik direct de mogelijkheden; afgeschermd van de wind, een houten zitbank én een panoramisch zicht. Met op één na alle luikjes dicht wordt het zelfs warm in mijn op stelten staande keuken. De warmte die mijn brandertje genereert doet zelfs een overwinterend lieveheersbeestje ontwaken en versuft rondkruipen. Het smaakt me en ik heb het verschrikkelijk naar mijn zin hier aan de rand van dit stille besneeuwde woud. Ik smelt nog twee potten sneeuw, laat het 5 minuten doorkoken en giet het vervolgens in mijn 2 extra geïsoleerde thermossen. Zo kan ik morgen ook een aantal dampende kopjes thee slurpen.

Het is nu 20.45 u. en de hoogste tijd voor mijn avondwandeling. Ik volg de onverharde weg naar een uitzichtspunt en kan op de top van de heuvel uit de wind zitten in een schuilhutje. Ver onder me fonkelen de lichtjes van het minuscule dorpje Bracht en in de verte zie ik de rode lichtjes van de Duitse windmolens. Het is ondertussen -9°C (thermometer hangt aan mijn jas) en ik keer terug om nog wat verder in het bos te struinen. Uiteindelijk kruip ik om 22.15 u. de tent en schuif ik in mijn 3 slaapzakken.

img_1275
Onverharde weg naar mijn kampeerplaats tussen Bracht en Maspelt

Ik heb mijn wekker gezet op 07.40, maar ik ben al een tijdje wakker. Nature calls, maar het vraagt toch wat doorzettingsvermogen om mezelf uit mijn warme slaapzakverzameling te hijsen. Mijn thermometer geeft -12°C aan. Zo snel als mogelijk probeer ik mij hele hebben en houden op te kramen, maar daar kruipt telkens toch wat tijd in. Aan het begin van de trip was mijn plan de trein van 14.39 u. te nemen in Gouvy, maar dan zou ik pas ’s avonds laat thuis komen. Vandaar dat ik vroeger opstond en nu probeer de trein van 12.39 te nemen. Ik heb nog enige moeite om mijn slot te openen en moet zelfs met mijn aansteker het slot ontdooien. Ook de immense steile afdaling naar Bracht moet ik voorzichtig doen, want mijn remmen doen het niet goed door de vrieskou. Eenmaal in Burg Reuland begin ik aan een tijdrit naar Gouvy. Ruim voor tijd arriveer ik in het station en zit mijn winters avontuurtje er op. Tevreden kijk ik terug op een geslaagd tripje.

Klimmen zult gij ! Chillen op vier wielen in Armenië

Mysterieuze tunnel

Op 25 september rijden we via grenspost Bagratashen Armenië binnen. Vrolijk en ongegeneerd rijden we alle stilstaande wagens voorbij. De grensformaliteiten kunnen niet vlotter verlopen, de met een belachelijk grote kepie uitgeruste grenswacht knalt een nieuwe stempel in ons paspoort en onze Georgische Lari’s wisselen we om in Drams (sept ‘16: 1euro= 528 dram).

Een nogal groot zelfzeker blauw bord waarschuwt ons dat de M6 die door de Debed vallei loopt onderbroken is door werken. Bij de afslag naar de M16 rijden we gewoon rechtdoor. “Met onze fiets kunnen we wel door” denken we nog. Een paar km voor Alaverdi sla ik linksaf en begin aan een flinke klim via een bijna kapot-opgelapt wegje naar het 400 meter hoger gelegen Haghpat klooster (976 AD én werelderfgoed). Katrien fietst rechtdoor naar Alaverdi en bespaart zichzelf zo de felle klim naar Haghpat. Ze voelt zich verre van lekker. Een uurtje geleden doneerde ze zelfs heel genereus de inhoud van haar maag aan de Armeense wegberm.

Op de tweede dag van de Debed vallei route komen we uiteindelijk in de zone van de waarheid en passeren een eerste groepje wegarbeiders waarvan er eentje als een knipmes rechtveert en de weg verspert. “Onmogelijk om door te rijden” menen we te begrijpen van de brave man, maar bij gebrek aan een Armeense of Russische taalknobbel zijn we daar natuurlijk nooit zeker van. Het woordje “velociped” Russisch voor fiets, doet hem twijfelen en van deze twijfel maken wij snode westvlamingen gebruik om door te fietsen. Helaas schapenkaas, een volgend groepje wegwerkers maakt ons wel heel duidelijk dat er van doorfietsen geen sprake kan zijn. “Tunnel” zeggen ze en vormen een kruis met hun armen. “Geen tunnel, kapotte tunnel, halve tunnel, afgesloten tunnel ?” Geen mens die het ons verstaanbaar kan maken. We rijden een km of twee terug en slaan een onverharde weg op en beginnen onmiddellijk uit de Debed vallei te klimmen. Het is ondertussen 16.00 u. en veel tijd hebben we niet meer, maar de rustige route en de bosrijke omgeving maken veel goed. Uiteindelijk belanden we na een heleboel haarspeldbochten en een heel slijkerig stuk waar we bijna dreigen te verzuipen in de modder op een mooi kampeerplaatsje in het bos bij een klaterende bron.
De volgende morgen – we zijn nu op het plateau ten oosten van de Debed vallei – rijden we door het dorpje Dregh waar we na heel wat babylonische spraakverwarringen een tweedehands fietspomp kopen. De vorige fietspomp hebben we gewoon in puin gepompt en fietsen zonder pomp voelt zo’n beetje aan als breien zonder breinaalden. Een korte vinnige afdaling van een goeie 450 meter brengt ons terug in de vallei en uiteindelijk in de late namiddag in de op 1350 meter hoogte gelegen stad Vanadzor, Armenië’s tweede grootste. Dankzij het mysterieuze tunnelprobleem was deze route zalig verkeersluw en de rurale bypass die we noodgedwongen fietsten, maakte dat dit een leuke en mooie aan te raden fietsroute was (wegwerkzaamheden gepland tot en met 2018).

“Vanken” à volonté

Na een rustdagje in Vanadzor (regendag) beginnen we aan een – op onze Reise know-how kaart althans – veelbelovende en vooral klimmende route. Een interessant wit lijntje loopt van het grote dorp Margahovit naar de stad Hrazdan. “Zo vermijden we de grote weg die via Dilijan naar het Sevan meer loopt” gniffelen we.

De eerste 300 hoogtemeters vanuit Vanadzor verlopen steil maar perfect over biljart-vlak asfalt. In Margahovit hebben we enige moeite de afslag te vinden naar de Margahovit pas. Wat we verwachtten van deze route blijkt dus niet te stroken met wat onze Duitse kaart suggereert: het is helemaal geen (veel)gebruikte route want er rijden absoluut geen wagens op. Waarom de doorsnee Lada of Kamaz er niet rijden wordt al snel duidelijk.

De eerste km is verhard, de rest loopt in ontelbare haarspeldbochten over variërend zanderige en stenige ondergrond. Het is eigenlijk best befietsbaar maar wel zwaar. De uitzichten en de oorverdovende rust zorgen ervoor dat we ondanks de gevorderde moeilijkheidsgraad dik genieten. Na de pashoogte die op 2.650 m hoogte ligt volgt een veel slechtere afdaling over een stenig pad, dat meer en meer overgaat in kniehoog gras. Af en toe moeten we grote ondergelopen stukken omzeilen. Tot overmaat van ramp rijd ik een scheur van 4 cm in mijn buiten- en binnenband. Ondanks een gejaagde bandenwissel arriveren we die avond in het donker in de buitenwijken van Hrazdan.
Via Sevanavank (vank=klooster) aan het gelijknamige meer dat op een alpiene 1900 m hoogte ligt stampen we geholpen door een rugwind verder naar het zuiden van Armenië. Op nog geen 200 meter van het Hayravank (9e eeuw) klooster poten we onze tent neer op een stukje gras dat niet zou misstaan op een golfterrein. Een perfect gepositioneerde groep rotsen beschut ons van de koude wind die uit het noorden komt aanwaaien.

De volgende morgen vertrekken we met opzet laat, maar dat is niet moeilijk want de wind is gevallen en de zon blikkert als vanouds op de besneeuwde bergen en het Sevan meer en we houden een heuse fotosessie met de kerk, het meer, de bergen en onszelf in de hoofdrollen. Bedoeling is dat we in de latere namiddag arriveren in Noratus, een namiddagbezoekje garandeert immers optimale fotografische omstandigheden. Dit dorpje is namelijk bekend voor zijn grote groep khachkars; eeuwenoude rechtopstaande en zeer verfijnd gegraveerde grafstenen. De oudste dateren van 900 en ter plaatse kun je met een geplastificeerd A4’tje laveren tussen deze indrukwekkende “kruis-stenen”.

Vertelden we trouwens al dat praktisch alles wat maar enigszins te bezoeken valt in Armenië gratis is ? Ik dacht het niet. Met uitzondering van de Griekse tempel in Garni (zie verder) hoefden we nergens entreegeld te betalen. Neem daarbij dat de prijs voor accommodatie, levensmiddelen, benzine en gegidste uitstappen een stuk lager ligt dan pakweg bij ons en je begrijpt al snel dat een reis naar Armenië geen castratie van je portefeuille betekent.

Pools applaus

Via Martuni – gelegen aan de zuidelijke rand van het Sevan meer – klimmen we over de zeer rustige M10 naar de 2.410 m hoge Sulema (ook Vardenyats) pas. De glooiende landschappen achter ons maken abrupt plaats voor een diep ingesneden vallei voor ons omgeven door hoge spitse bergen. Al sinds mensenheugenis trekken over deze pas reizigers en handelaars en daarvan getuigt nog steeds de net onder de pas gelegen en meer dan 700 jaar oude Orbelian caravanserai. Het is de best bewaarde middeleeuwse herberg in Armenië. Gewapend met een pot honing gekocht bij de verkoper met de schattige blauwe Lada storten we ons in de voor ons liggende diepte. We zijn van plan door te fietsen tot in Yeghegnadzor maar in Shatin veranderen we van gedacht. De Yeghegis vallei die links van ons de bergen in klieft ziet er in de late middagzon bijzonder indrukwekkend uit. We twijfelen eventjes maar wanneer we het bordje “Sofya B&B” in de smiezen krijgen, rijden we bergop het B&B tegemoet. Een drietal km uit het dorp ligt deze landelijke B&B en omdat we de volgende dag een wandeling plannen, blijven we er direct twee nachten. ‘s Avonds wordt ons een avondmaal geserveerd van heb-ik-je-daar-eventjes en Max – een Poolse collega toerist – vertaalt alles netjes wat er gezegd wordt.
Op deze fietsloze dag combineren we tijdens een lange maar aangename wandeling het hooggelegen Tsakhatskar kloostercomplex met het op een smalle kam gesitueerde Smbataberd fort dat duizelingwekkende vista’s biedt op twee valleien.

In heel Armenië vind je ontelbare kloosters en kerken, maar telkens valt op dat de stichters van deze gemeenschappen toch wel bijna altijd voor haast onbereikbare en prachtig gelegen locaties kozen. Dat maakt dat je bij het bezoeken van dergelijke historische gebouwen bijna telkens in schitterende en woeste natuur terecht komt.

Nog zo’n mooi voorbeeld daarvan is het Noravank klooster dat op het einde van de Noravank kloof ligt te schitteren in een bijna-keteldal van rood/okergele massieve rotswanden. Wanneer we zwalpend de steile slotmeters oprijden beginnen een twintigtal Poolse toeristen te applaudisseren als waren we Peter Sagan en Jolien D’Hoore verwikkeld in een bitsige eindsprint. Na het bezoekje planten we ons tentje op een smalle richel met uitzicht op het klooster en de canyon; alweer een droomplekje om niet snel te vergeten. We zijn nu op het meest zuidelijke punt van onze tocht en vanaf nu brengt elke pedaalslag ons terug naar het eindpunt van onze route; de luchthaven in het Georgische Tbilisi.
We beginnen onze laatste week Armenië vanuit Noravank met de 8 km lange afdaling naar de M2 hoofdweg om via de Tukh Manuk pas (1798 m) een aantal km voorbij de pashoogte rechts af te slaan op een rustige landelijke weg die nog verder klimt tot 2.000 meter. Dan volgt een lange afdaling over zalig asfalt via Vedi tot bijna aan de Armeense/Turkse grens nabij het Khor Virapklooster. Nog net voor het donker zetten we ons tentje op tussen de wijnranken van een wijngaard op een kleine km van het klooster. ‘s Morgens verlichten de eerste zonnestralen de witte kruin van Mount Ararat en genieten we van het spektakel van de veranderende kleuren (en de aanrijdende toeristenbussen). Wel vervelend voor de Armeniërs dat “hun” mythische berg tegenwoordig op Turks grondgebied ligt. De Armeense genocide wordt niet erkend door Turkije en bij gesprekken met jonge en oudere inwoners merken we dat die genocide nog steeds zeer gevoelig ligt.

Orgels en waterkers

De 57km tussen Khor Virap en Garni is niet bepaald ver te noemen, maar het wordt toch een pittige dagetappe. We zijn ondertussen 6 oktober en het eerste deel van de route loopt tussen de appel-, perziken-, granaatappel- en perenbomen met af en toe een strookje walnoten en wijngaarden. Het is een drukte van jewelste op de velden en boomgaarden. Wanneer we dan eens halt houden stoppen de boeren ons al vlug wat van deze lekkernijen toe en betalen is uit den boze ! In deze tijd van het jaar kun je hier gewoon overleven met wat in de bomen hangt of valt. Armenië doet ons overigens veel denken aan – althans onze – “all time”kampioen in gastvrijheid: grote buur Iran.

Eénmaal voorbij het bijna leeg verdampte Azat reservoir degradeert de verkeersluwe en slechte weg naar een zanderige afdaling in 6 haarspeldbochten om dan weer verder te klimmen tot in Garni.

Dit kleine stadje ligt aan de rand van het Khosrov natuurreservaat op amper 40 km van Yerevan. Het is een goede uitvalsbasis voor tochten in het reservaat (permits nodig) en om de Griekse “tempel” en het op 8 km gelegen Geghard klooster te bezoeken.

De tempel, een Parthenon lookalike, is waarschijnlijk eerder een tombe voor een plaatselijke heerser geweest en staat op een stuk vooruitstekend land dat hoog boven de kloof uittorent. Voor we de volgende dag naar Yerevan willen fietsen, besluiten we nog eventjes de kloof in te wandelen. Net voor de ingang naar de tempel daalt links een verharde weg steil naar beneden. Als we beneden bij de rivier gekomen links afslaan (stroomopwaarts) belanden we plots in een stenen wonderland. We lopen langs en zelfs onder gigantische basalten orgelpijpen. Onder het overhangende basalt sijpelt water langs de rotswand en wilde waterkers klampt zich vast in de barstjes van het harde basalt. Op andere plaatsen zien we wonderlijke plooien in het gesteente en zeshoekige “zitbankjes”. Niet te missen. Een kasseiweg ter hoogte van de forellenkwekerij zorgt dat je er een mooie (relatief korte) luswandeling kunt van maken.
De rit naar Yerevan klimt aanvankelijk nog tot 1615 m hoogte maar dan volgt een lange afdaling en een hectische rit in het centrum van Armenië’s hoofdstad tot aan het Hrazdan hotel. Het ligt net buiten het centrum en door de vele ramen die alle kamers rijk zijn heb je een schitterend zicht op de stad, Ararat en de Hrazdan kloof. Die avond lijkt het bijzonder druk in en rond het centrum en we besluiten de grote mensenstromen te volgen tot we uiteindelijk aan het grote centrale plein (Plein van de Republiek) komen. De statige imposante gebouwen zijn mooi verlicht en uit de boxen schalt Charles Aznavour’s stem. De fonteinen voor het museum spuiten op de maat van de muziek ter ere van de 2798ste verjaardag van de stad !

“Na zdorovje”

Stadsmussen zijn we niet en gaan we waarschijnlijk ook nooit worden, maar toch genieten we nog een tweede dag in deze bijna altijd zonnige stad en op 10 oktober laten we Yerevan achter ons via de Hrazdan kloof aan ons hotel. Via de stad Yeghvard klimmen we verder op de oost- en noordflanken van de uitgedoofde Arailer (Ara) vulkaan. Zoals gebruikelijk wordt er weer wat afgetoeterd. Dat doet de doorsnee Armeen niet uit agressie. Dat doen ze om ons te waarschuwen dat ze er aankomen of zelfs om ons aan te moedigen. In de vele dorpjes die we passeren trekken we trouwens ongewild alle aandacht naar ons toe en heel wat mensen zijn bijzonder geïnteresseerd in wat een koppel van ietwat gevorderde leeftijd begot op een fiets zit te doen. Toch jammer dat we geen woordje Russisch of Armeens spreken, dat zou tot ongeziene inzichten leiden !

De wederom bijna verkeersvrije route (jawel, we zoeken ze op) stijgt tot 1920 meter en de laatste 8 km voor we de drukkere M3 oprijden veranderen zonder aanwijzing van goed naar bar slecht. Pal voor ons zien we de witte tanden van de Aragats vulkaan blikkeren. Die nacht kamperen we in het sparrenbos vlakbij het stadje Aparan en stoken we een groot kampvuur want de temperatuur hier mid oktober op bijna 2.000 m is niet bepaald warm te noemen.

Na een uitgebreid ontbijt met het lekkere Armeense “Lavash”-brood (groot, ellipsvormig, dun en plooibaar) met honing en in het kampvuur opgewarmde choco klimmen we verder naar de Pamb pas (2.152 m).

Daar volgt een frisse – want het weer slaat om – afdaling tot in Spitak stad. Deze stad werd in 1988 bijna compleet verwoest door een zware aardbeving. Een kebab met salade later dalen we nog wat verder af tot aan de westelijke rand van Vanadzor op circa 1400 m.
De M3 slaat hier linksaf en baant zich noordwaarts een weg naar de Armeens/Georgische grens. Vermits de parallel lopende M6 (weet je nog: de door de mysterieuze tunnel versperde weg) een alternatief biedt om in Georgië te raken zijn we bang om op een zeer drukke weg te belanden. Dit is evenwel niet zo. 9 km na de splitsing en al op 1750 m hoogte hebben we de keuze: 1. twee km tunnel door of 2. op de oude pas 300 hoogtemeters verder klimmen. Ik geef Katrien de keuze en ze kiest ook voor de klim. Dat beklagen we ons niet. Het stijgingspercentage is menselijk en de totale klim is maar zeven km. Er is geen verkeer en we zitten in tegenstelling tot de tunnel lekker in het zonnetje. Op de Pushkin pas (2.037 m) staat er een ijzige die de door Iran gesubsidieerde 4 windmolens nijdig laat rondspinnen. In de bosrijke afdaling zien we zelfs berenkak op de baan liggen. Helaas kruist geen enkele pluizige vierpoter onze weg.
In het dorpje Gargar is er volgens mijn “Pocket Earth Pro” applicatie een B&B. De “Geologists house”. We rijden geleid door mijn iPod de straat in, doen navraag bij twee lustig tetterende inboorlingen die prompt naar hun wafelijzer grijpen en een jonge gast optrommelen om ons naar die bewuste B&B te begeleiden.

Daar gekomen is de uitbater net als ons blij verrast. “Hoe hebben jullie mij gevonden ?” Dat weten we zelf niet goed. Er stonden immers nergens bordjes of zo. Mijn app had het blijkbaar juist.

“Armen” de zoon van de ondertussen overleden eigenaar is zijn ouderlijk huis tot een B&B aan het ombouwen. Een ruime comfortabele kamer wordt prompt voor ons vrijgemaakt en ‘s avonds worden we vriendelijk uitgenodigd om aan het familiale diner deel te nemen. We mogen daar absoluut niet voor betalen en de wodka vloeit rijkelijk. Moeder heeft het beste van zichzelf gegeven in de keuken en af en toe komt er een buur binnenwippen om die exotische fietsers eens te zien. Wanneer Armen vraagt hoe oud ik ben, kan ik niet anders dan de waarheid te vertellen: “ik ben vandaag toevallig 46”. Wat volgt kun je al raden: een tweede fles wodka wordt er bijgehaald en de ene toost volgt de andere op in een onverbiddelijk tempo waardoor ondergetekende omstreeks 02.00 met behoorlijk onzekere tred naar de gastenkamer strompelt. We hebben de hele avond en nacht zitten discussiëren en palaveren over alles wat de mensheid aangaat en oververzadigd aan informatie maar vooral alcohol stort ik gistend neer naast mijn reeds diep slapende wederhelft.
De onverantwoord snel volgende morgen ben ik natuurlijk “perte totale” en na een hmm… karig ontbijt vertrekken we pas om 13.00 u.Via Stepanavan sukkelen we verder tot de grenspost Gogavan. Ook daar verlopen de grensformaliteiten – in tegenstelling tot mijn gastro-enterologische toestand – bijzonder ahum… vloeiend.

Waarom er zo weinig verkeer zat op de M3 Vanadzor – Georgische grens wordt direct pijnlijk duidelijk: de weg Georgië in, is zo slecht dat geen enkele weldenkende trucker of automobilist dit ook maar overweegt. Dat, daarentegen beste mensen is een ander verhaal.

Lake District (maart ’16)

Gewapend met mijn trouwe Vivaro slaapmobiel volgeladen met kampeerattributen, een fiets en genoeg proviand trek ik deze maand voor een tweetal weken naar Noord Engeland vlakbij de Schotse grens.

Hoofdmoot zal het Lake District zelf zijn, een wild gebied dat o.a. met Scafell Pike één van de UK’s drie hoogste toppen herbergt. Naar alle waarschijnlijkheid zal ik “weather permitting” ook een stukje van het nabijgelegen Hadrian’s Wall (Northumberland) bewandelen.

Nu enkel nog hopen dat deze streek die bekend is om één van de natste regio’s van Engeland  te zijn, het een toch een klein beetje droog houdt.

 

Links…rechts !

Hieronder  vind je  een aantal relevante, minder relevante tot compleet nutteloze links naar websites die wij interessant/leuk vinden.

Fietsen in en rond Peking (okt ’13)

Ni hao” (“gegroet” in het Chinees, maar dat had je al lang door)

Het is de doorsnee Zandvoordenaar waarschijnlijk nog niet opgevallen, maar het is dezer dagen zeer moeilijk om ons ergens te vinden in onze contreien.
Dat komt omdat wij eigenlijk met onze fiets door de Chinese provincies Beijing en Hebei aan het snorren zijn. Snorren is een groot woord want er moet hier dagelijks heel wat afgeklommen worden.
We zijn zo ergens de derde september ’s morgens in Peking aangekomen en hebben onze intrek genomen in een groot Pekinees hotel van 26 verdiepingen hoog.
Die dag hebben we buiten wat comateus geslaap enkel nog onze fiets in elkaar geknutseld en zijn we ’s avonds vroeg de doos ingekropen.

HINDERNISSEN PARCOURS

De volgende dag hadden we uitgetrokken om uit te vissen of we onze fiets een beetje gemakkelijk op de trein konden krijgen om vervolgens naar Shanghai te sporen en daar ten zuiden van de stad te beginnen fietsen.
Place to be was Beijing South station waar alleen supersnelle, hypermoderne treinen aan een gezapige gemiddelde snelheid van 300 km/h vertrekken.
Na veel gerondvraag uiteindelijk een vriendelijke Chinese dame gevonden die ons wilde helpen met het stellen van de nodige vragen aan de uiteraard ééntalige ticketbalie. Bleek dat het wel mogelijk was om een fiets per trein te versassen, maar dat de fiets in een doos diende te zitten. Diezelfde doos die we de dag voordien deskundig van rond onze fietsen hadden gepeld dus. Ik had redelijk wat tijd nodig gehad om mijn fiets in elkaar te steken, worstelend met heel wat aanpassingen en zag het eigenlijk niet meer zitten om die fiets terug uit elkaar te trekken, weer in die doos te plooien om vervolgens de volgende dag die fiets weer in elkaar te puzzelen (en dat proces nog een keer te herhalen voor de terugkeer). Thuis hadden we twee mogelijke routes in gedachten: 1. ten zuiden van Shanghai fietsen 2. fietsen in een grote straal rond Peking. Optie 2 werd het dus.

Fietsen in Peking zelf valt eigenlijk reuze mee; er lopen brede fietspaden doorheen de hele stad, maar er zijn een aantal addertjes onder het macadam. Niettegenstaande er aan weerskanten van de wegen een breed fietspad is, rijdt iedereen in de richting die hij het best vindt en auto’s vinden zo’n breed fietspad ideaal om lang op te parkeren. Afslaand verkeer houdt enkel rekening met rollend materieel dat groter en dus potentieel gevaarlijker is dan henzelf. De vele collega-inboorling-fietser zwalpt ongecontroleerd over dat fietspad en houdt enkel rekening met zichzelf  terwijl je elektrische brommertjes (of liever: scootertjes) nauwelijks hoort aankomen. Verkeerslichten dienen enkel ter decoratie, dus kruispunten nemen doe je best na een achttal keer van links naar rechts te kijken en boven al dit fraais zijn afstanden in Peking zijn niet te onderschatten, vrolijk geparfumeerd met de nodige roetdampen.
Ondanks al deze venijnige addertjes slaagden we er toch in met behoud van lijf en leden ons in deze krioelende miljoenenstad fietsend voort te bewegen.

Peking staat zo’n beetje synoniem voor “Grote Muur, Tian’ Anmen en Verboden Stad” (heden ten dage heet deze stad-in-de-stad Palace Museum).
De grote muur komt later aan bod, maar het plein van de Hemelse Vrede (nog niet zo lang geleden toch wel iets minder vredig, toen er wat tanks over de stenen rolden) en de Verboden Stad stonden vandaag op het lijstje.
Die stad waar de Ming en de Qing (Qing als laatste) dynastieën (ongeveer van 1400 tot 1900) huis hielden is behoorlijk uitgestrekt (zo’n 2 km lang en eentje breed) en staat vol met belangrijke en imposante gebouwen. Gebouwen waar de keizer audiëntie hield, gebouwen waar de nieuwe maankalender werd voorgesteld, plaatsen waar de keizer zich voorbereidde op een audiëntie, enz.
Aansluitend bezochten we nog het Jingshan park, een bescheiden molshoop van rond de 100 m met 3 tempels erop van waar je een overzicht hebt op de ommuurde verboden stad. Best wel indrukwekkend.

GIJ ZULT NIET KOKEN

Terwijl Katrien bij de groentenleverancier vóór het hotel wortels aan het kopen is en de Chinees tegelijkertijd introduceert in onze rijke Vlaamse taal met het aanleren van het woord “workel”, zit ik hier naarstig als maar kan een nieuw verslagje te typen.
Er staan inmiddels al vier Chinezen strategisch rond Katrien gedrapeerd, enthousiast “wolkel” aan het scanderen in de volle oveltuiging dat dit een Engels woold is. Hahaha, altijd lachen met die Chinezen (en zij met ons zijt daal maal zekel van).
We zitten hier momenteel op een dakterrasje met een frisse 600 ml Tsingtao pint, uitzicht op een sectie Chinese muur en eventjes aan het bekomen van een pittige driedaagse fietstocht om hier te raken.
Hoe dat verliep lees je nu direct. Accrochez vous.

Met 57 km op de teller van alleen in het Pekinese stadsverkeer te rijden navigeerden we met behulp van een pas aangekochte Chinees/Romaans schrift-kaart naar de regio ten noorden van de hoofdstad.
Dat ging heel vlotjes mede dankzij die tweetalige kaart, want de meeste verkeersborden en wegwijzers staan meestal alleen in het Chinees aangegeven, flink lastig voor een westerling.
50 km nadat we ons hotel verlaten hadden, kwamen we op een eerste splitsing die niet op de kaart stond en de Chinese karakters vond ik ook niet terug.
Gokje gewaagd en een kruispunt verder stond er wel iets dat we op onze kaart terugvonden. Onmiddellijk veranderde het landschap drastisch van urbaan  naar weelderig groen bergachtig gebied. De toon werd onmiddellijk gezet; vanaf nu was het klimmen en dalen geblazen.
Een poging ietwat verder om aan een litertje benzine te raken in een benzinestation liep teleurstellend af. Om zelf te kunnen koken hadden we aan een klein litertje benzine genoeg voor ons gasbrandertje. Helaas: geen benzine te krijgen voor brandstofflessen of geen benzineleveringen onder de 50 liter. Je probeert dan  duidelijk te maken met woordenboekjes, handgebaren en dergelijks dat je dat litertje écht nodig hebt om te koken, maar een vastberaden Chinees die de wet respecteert en hoofdzakelijk de sancties vreest bij het niet naleven van die wet, ga je niet op andere gedachten brengen. Ze wijzen dan naar een A4tje vol met Chinees geschrift en denken dat je dat kunt lezen en blijven je daarbij bestoken met Chinees gebrabbel. Dat A4tje vermeldde waarschijnlijk iets dergelijks: “Gij zult geen benzine verkopen aan bleekscheten op fietsen zelfs al betekent dit voor hen de hongerdood“.
Gelukkig vonden we een tiental km verder een basic hotelletje waar we trouwens in de verte een eerste blik op een stukje Chinese muur konden werpen. De uitbater en zijn entourage transformeerden op slag van een lethargische staat naar een bijna molenwiekende euforische staat bij het aanschouwen van onze westerse high tech fietsen en het bijpassend charmerend en intrigerend exotisch man- en vrouwvolk. Na een ietwat onrustige nacht op harde bedden en een op zijn zachtst gezegd vreemd ontbijt (maïspap met pickels, een rood brokje kweetniewat en een vet dik eierkoekbrood) klommen we terug op ons aluminium ros voor het vervolg van het traject richting Simatai alwaar een maagdelijk stukje Chinese muur op ons lag te wachten.
Onder een stralende zon werd ons direct een fikse beklimming gepresenteerd en op de rustige weg werden we constant ingehaald door Chinezen op koersfietsen, mountainbikes, plooifietsen. De tenuetjes varieerden van semi professioneel naar jaren 80 kledingstijl tot het soort samenraapsel van kleren dat onze Zandvoordse Alain M. dagelijks op zijn fiets rondshowt. Blijkbaar heeft de meer welstellende Chinees ontdekt dat je niet alleen een fiets vol kunt stapelen met allerhande producten maar er ook tochtjes mee kunt maken bij wijze van nuttige vrije tijdsbesteding. Ze gaan er op vooruit.
Boven op het colletje stonden de rappe arriveerders de tragere aan te moedigen en wij werden op een heuse staande ovulatie getrakteerd. Er volgde een verfrissende afdaling gevolgd door een volgende fikse beklimming nu naar 1180 m. Geen fietsende Chinese medemens meer te zien ook.
Toen onze krachten zowat grotendeels opgesoupeerd waren en we tegen 18.00 een etablissement in de smiezen kregen dat zo’n beetje op een hotelletje leek, was de keuze ook snel gemaakt. Afstappen, afladen en inchecken. Een welverdiende 600 ml pint volgde en nog later tijdens het avondmaal een tweede.

HET DORP IS WEG

Vertrekkende vanuit ons hotelletje (vlakbij Liulimiao voor de van detailkaart voorzien lezer) begonnen we direct aan een pittig klimmetje en na km drie rolden we een prachtig decor in. Een mooie bergweg kronkelde langs diepe ravijnen en grillige bergtoppen verder het landschap in. Diep onder ons baande een rivier zich een weg door het mooie bergmassief en achter iedere bocht werd het decor indrukwekkender. Op een bepaald moment stond er een filmcrew standby, wachtend op parapenters die in de bergkloof gingen overvliegen.
We reden later langs een groot meer – al flink vermoeid en in het vallende duister – richting Simatai, een plaatsje dat ideaal gelegen is voor een bezoekje aan een mooi stuk Chinese muur.
Dat was echter buiten de naarstigheid van een lokale Chinees gerekend. Simatai is in 2 à 2,5 uur via de expressweg vanuit Peking bereikbaar en daarmee ideaal voor dagtrippers voorzien van een automobiel of aanverwant vervoermiddel. In 2010 zijn ze blijkbaar begonnen met de renovatie van het stuk muur in de buurt  van het dorpje en zoals in China al eens meer gebeurt : de volledige omgeving incluis. Er worden kosten nog moeite gespaard. Dit houdt dan meestal in dat volledig dorpen van de kaart worden geveegd, nieuwe dorpen elders worden neergepoot, een resem nieuwe wegen wordt aangelegd enz. Voor een Chinesobeet (mens die geen Chinees kan lezen of schrijven) die afgepeigerd en scheel van de honger en voorzien van een niet zo gedetailleerde kaart af komt gefietst in het duister en tegengehouden wordt op een gloednieuwe weg die er volgens zijn kaart niet mag zijn is dit uiterst verwarrend en demotiverend. Met behulp van een ontoereikend woordenboekje probeer je dan uit te vissen hoe je in het dorpje dient te geraken, waarop de manspersoon die je de weg verspert een Chinese woordenvloed over je heen kiepert.
En dat is nu eens iets waar wij met ons polderverstand eens niet bij kunnen. Als je als Chinese inboorling nu een persoon voor je hebt die duidelijk niet van de streek is, laat staan continent, die vreemde klanken uitstoot en heel vreemd reageert op hetgeen je in het Chinees (want dat is nu toch een taal die iedereen spreekt?) tegen hem zegt en bovendien een boekje onder je neus steekt en zinnetje aanwijst die zegt “ik spreek geen Chinees“, dan leuter je toch niet verder in het Chinees ? En dat is dus geen alleenstaand geval hé. Elke Chinees die wij aanspreken kwettert onverstoord verder in het Chinees terwijl wij uit pure armoede in het Zandvoords antwoorden en eigenlijk hilarische “gesprekken” voeren. We gaan er eens eentje filmen, dan wordt het heel duidelijk.
Dus nu ook deze Chinees. Wij maar teken doen dat we het niet verstaan en stilletjes aan de moed verliezen (want moe en hongerig en nood aan wat rust) terwijl het kereltje tot vervelens toe waarschijnlijk hetzelfde vertelt.
Uiteindelijk doet hij teken hem te volgen wat we bij gebrek aan alternatief dan ook maar doen. Met zijn elektrisch snorfietsje sjeest hij ons voor terwijl wij gelukkig makkelijk bergaf kunnen volgen. Een drietal km verder rijdt hij ons in het stikduister een pas neergepoot dorp binnen, spreekt een paar mensen aan en verdwijnt weer in het duister. Een ander manspersoon komt op ons afgestapt en zegt : “ I hotel“. Zo’n overdaad aan verstaanbare informatie zijn wij natuurlijk niet gewoon, maar gedwee volgen we de man naar een huisje zoals er wel nog een paar honderd identieke exemplaren van staan in het dorp. Ik vraag hem “is this a hotel ?” waarop hij een verlichte zuil naast zijn deur aanwijst waarop staat “Folk inn”. Blijkt het dus een soort homestay of B&B te zijn. In China begot. De Chinezen gaan ervoor me dunkt. Hij toont ons onze kamer, een ruime mooie kamer met twee bedden en een functionele en westerse badkamer even verder. Eigenlijk heel Europees.
Maar eerst moeten we nog eten en de kerel neemt ons mee naar de hoek van de straat waar een 6 tal personen zitten te kaarten. Eentje stuift er direct in zijn keuken en een kwartiertje later zitten we al te smullen van een lekker doch laat avondmaal.
Een beetje moe van de verloren kilometers en het wat latere uur, kruipen we rond 20.30 in ons bedje.
Simatai dorp, de muur en heel de inboedel is dus gesloten (en dat al sinds 2010), dus sturen we onze bolide in de richting van Jinshanling, een zo mogelijk nog kleiner dorpje net aan de andere kant van de bergkam. Onderhevig aan zwaartekracht én per fiets zijn we genoodzaakt op een weg te fietsen en die lopen dus in veel gevallen niet zomaar de bergen in, maar er vlijtig rond. Nu ook, maar de “omleiding” valt mee en bedraagt slechts 25 km. Rond de middag arriveren we  in het kleine dorpje Jinshangling in de provincie Hebei.
We vinden er vlug een hotel, hebben al direct uitzicht op een stukje muur in de verte en houden ons de rest van de dag onledig met wat slenteren door het dorpje en het schrijven van wat verhaaltjes voor deze site.
Morgen plannen we dus onze eerste bestorming van de Chinese muur, een bouwsel dat tot spijt van wie ’t benijdt NIET vanuit de ruimte te zien is.
Hoe dat verliep en het vervolg lees je verder.

 SLECHTE BUUR = GROTE MUUR

Chinezen hebben altijd al iets gehad met muurtjes. Muurtjes zijn multifunctioneel: je kan er tegen plassen, het breekt de wind, het bemoeilijkt de doorgang van alles wat zich over de grond beweegt, enz.  Het muurtje waar ik hier gewag van maak is er echter eentje van een buitenproportionele omvang. De oud-Chinese medemens was er indertijd al vroeg mee begonnen wat mede verklaart waarom dit bouwwerk zo omvangrijk is geworden. “Indertijd” mag je redelijk ruim nemen, t.t.z. tussen 684 en 645 voor Christus. Aanvankelijk was het eerst een muur van aangestampte aarde, later adobe, nog later stenen en eindigend in baksteen. Er zijn verschillende periodes geweest in verschillende gebieden waarop de muur en zijn nut voorbijgestreefd waren, maar telkens kwamen er nieuwe dynastieën die opnieuw renoveerden, bijbouwden en verbeterden.
De laatste golf van bouwwoede (en dat mag je ook letterlijk nemen want er sneuvelden ontelbare Chinese zieltjes tijdens al dat gesleur, gemetsel en gekap) kwam er tijdens de Ming dynastie (zowat tussen 1372 en 1644).
Na 1644 werd de muur definitief aan zijn lot overgelaten en zorgden weer en wind, plantengroei én de mens voor het verval van dit immens bouwwerk.
Grote misvatting is ook dat de muur een aaneengesloten muur is. Vele stukken zijn compleet vernield en verdwenen, andere stukken zijn ruïnes en een heel kleine minderheid is in verschillende fases en tijdstippen in onze moderne tijd gerenoveerd (en ook op verschillende manieren).
Het stukje waar wij vandaag op gingen lopen, een behoorlijk aaneengesloten stuk slingert imposant als een langgerekte draak over de bergkammen. Om de zoveel meter wordt de muur onderbroken door een grote wachttoren of door een aftakking.

Al vlug ondervonden we dat het geen tochtje op de zeedijk ging worden maar ongemeen klimmen en dalen met variërende graden van steilte. Katriens korte beentjes hadden soms de grootste moeite de bijna halve meter trappen in één keer te nemen. We hadden geluk met het weer, want de wazige lucht begon op te klaren en rond 10.00 u was het zicht onbeperkt. Zover je kon kijken groen beboste bergen en heuvels en daarin een kilometerslange stenen muur slingerend en kruipend door berg en dal.
Jinshanling en de aangrenzende Simatai (mits geopend) en Gubeikou secties zijn daarentegen iets minder makkelijk bereikbaar dan bijvoorbeeld Badaling (het beeld dat iedereen in zijn hoofd heeft van dé muur) en zijn daardoor stukken en pakken rustiger. Badaling is één grote kermisattractie, maar omdat het nog steeds de moeite waard is om te zien ook op ons programma later. Jinshanling overtreffen zal een beetje mission impossible zijn denken we. De massa die erop af komt en de bijbehorende Chinese aanpak van volk lokken én entertainen en het blijkbaar bijbehorende arsenaal aan kermistoestanden en pure kitsch is iets waar de inboorling wild van wordt. Een westerling krijgt hier meestal schuim van op de lippen en een onverklaarbare jeuk op niet nader te noemen plekken op het lichaam.
Jinshanling heeft dat dus niet, is lang genoeg om aan de 75% luie toeristen te ontsnappen als je maar ver genoeg stapt en klimt en afdaalt en klimt en afdaalt.
Bij het ter perse gaan van dit artikeltje is onze klimtocht op de Jinshanling sectie reeds  driedagen passé composté, maar nog altijd doen de bovenbeenspieren én de kuiten pijn bij het nemen van trapjes.
Voor elke would-be China reiziger: Jinshanling, Gubeikou en SimataiMutianyu – en Huanghuacheng zijn de te prefereren stukken muur waar je zonder al te veel kwelende, kwekkende Chinezen én dito kermisattracties mooie muurwandelingen en klimpartijen kunt maken.

KATHEDRAAL VAN LAPSCHEURE

Wat die kwekkende Chinezen en kitscherige attracties betreft (en we hebben helemaal niets tegen Chinezen), wel: da’s eventjes wennen, maar eerlijk gezegd went het niet en irriteert het wel een beetje.
Een Chinees wordt volgens ons behoorlijk ambetant en voelt zich waarschijnlijk zeer ongelukkig wanneer het stil is. Ze hebben een voorliefde voor veel lawaai, praten niet tegen mekaar maar roepen bijna. Vorige nacht nog een zeskoppig groepje jonge snaken proberen diets te maken dat je rond 23.00 u. best niet tegen elkaar staat te roepen vlak voor je hoteldeur in een gang die zo’n beetje de akoestiek heeft van de kathedraal van Lapscheure. Ze kijken dan schaapachtig en doen – zich niet bewust van hun kabaal – ongestoord verder, tot je na nog tweemaal acte de présence te geven denkt je pointe duidelijk te hebben gemaakt. Ze druipen dan af en de stilte omhult je eindelijk als een zacht deken. Denk dan ook maar niet dat je dankzij je doortastend en kordaat westers ingrijpen hen andere oorden hebt laten opzoeken. Oh nee, ze hebben je zeker niet verstaan en zijn waarschijnlijk weg gegaan omdat ze zelf moe werden.
De kennis van het Engels van de gemiddelde Chinees begint en eindigt in het beste geval met een kordaat tot zeer luid “Hallo“. Daarbij scoren ze dan ook meteen bij de omstaanders. Als er dan eens eentje tussen zit die wat Engels kan spreken, moet je je oren spitsen tot in het oneindige, want de hoeveelheid haar die op het Engels staat is vergelijkbaar met de wintervacht van een yak.

Genoeg geklaagd. Is China dan het te mijden land voor lieden die van rust en ingetogenheid en alles wat wij prijzen houden ? Misschien wel, misschien niet, maar er zijn genoeg mogelijkheden om toch rust en stilte te vinden. Vermijd gewoon drukke steden en wegen en blijf weg van de grooooote attracties. Of neem die grote trekpleisters tot je in gecontroleerde doses. Op tijd en stond een portie lawaai kan ook wel eens leuk zijn, maar bij voorkeur niet als er geslapen moet worden.
China is trouwens het land bij uitstek om je eens uit te leven in de miljoenen restaurantjes die het land rijk is. Buiten een zeer gevarieerde én lekkere keuken is het gewoon leuk omdat alles wat bij ons niet kan, hier wel kan. Ondergetekende vindt dit zeer leuk en imiteert zonder gène de inboorling. Hoe dat dan precies is ? Lees verder mijn beste.

Neem pen en papier en kopieer.

Wordt door iedereen gedaan en zijn gewone tafelmanieren:
1. slurpen als een bezetene (slurpen is een manier om je hete noedels gekoeld naar binnen te werken)
2. smekken en eten met open mond. Extra punten voor wie daarbij nog kan praten
3. boeren. heel beleefd; betekent dat je maaltijd heeft gesmaakt
4. servietten, botjes, beentjes alles wat je niet wenst in te slikken: één adres: de grond. Hoe ? gewoon spuwen tiens (op tafel mag ook).
5. van spuwen gesproken: (enkel in eenvoudige etablissementen), de keel eens goed schrapen en ferm rochelen op de grond. extra punten als de eigenaar of ober erover uitglijdt
6. Scheten laten ? Geen probleem. Van al dat methaan in je darmenstelsel wordt je toch maar ongemakkelijk.
7. je spreekt geen Chinees en weet niet wat te bestellen? Ga eens rondlopen in het zaakje, begluur alle borden, haal de ober erbij en wijs gewoon aan wat je wenst te eten. Je maakt er alleen maar nieuwe vrienden mee. Moet je bij ons eens proberen; hà.
8. Verstokt roker ? opsteken die handel ! extra punten voor wie een Havana opsteekt.

Met uitzondering van puntje 5 en 8 (ook de Havana optie) doen we alles op dagelijkse basis. Kwestie van het weer af te leren bij thuiskomst.
Zijn Chinezen dan barbaren ? Neen. Hier gelden gewoon andere regels én zij denken en doen heel anders. Zo is dat trouwens overal ter wereld.

Nog wat pluspunten van onze Chinese medemens ? Er zijn er genoeg:
1. Een Chinees is altijd aanspreekbaar, zij het op restaurant, in het toilet, in gesprek met iemand anders, op de fiets, in de politiewagen, liggend en werkend onder een vrachtwagen,…kwestie van ze gewoon te verstaan en vice versa en daar wringt het schoentje
2. een Chinees krijg je haast niet boos. Boos worden en schelden is “gezicht verliezen” en dat proberen ze ten allen tijde te vermijden. Een Chinees gaat jezelf ongewild eerder boos maken dan andersom
3. ze zijn best hulpvaardig, kwestie van ze uit te leggen wat je wil en hun antwoord te verstaan (zucht)
4. 95% van de Chinezen is zo eerlijk als wat
5. Chinezen bedoelen het in bijna alle gevallen goed, en hebben het beste met je voor (al lijkt het soms wel anders).
6. Je hoeft geen engels te kunnen spreken. Verstaan de meesten toch niet. Met vlaams of eender welke taal geraak je ver genoeg. Bespaar je de moeite in andere talen te denken. Ze worden er trouwens niet ongemakkelijk van. De meesten ratelen ook gewoon door in het Chinees zelfs nadat je uit je vertaalwoordenboekje het volgende zinnetje hebt aangewezen: “ik spreek en lees geen Chinees).
7. Een Chinees lacht gemakkelijk en apprecieert snel een universeel erkend vriendelijk gebaar. Wel opletten met “universeel” want veel van onze gebaren betekenen iets anders in China. Haha, ’t blijft spannend.
Ik ga maar stoppen, want de helft van jullie heeft misschien al afgehaakt, maar deze blog dient ook nog een beetje om de gaten ter grootte van een gemiddelde emmenthaler in mijn brein virtueel te dichten. Memories, overpeinzingen, anekdotes, veel vervliegt, papier blijft bestaan.
Volgend verslagje beschrijft de fietstocht van de Jinshanling muur naar de Badaling sectie én de wandeling erop. En wat meer is: ik hou het kort, want kort is ook goed en lang is een Chinees.
Salut

 NAAR DE KERMIS

Met een tiental kilometer muur in de kuiten ging het fietsen een stuk minder vlotjes. Onze route vandaag liep langs een verzameling van kleine witte lijntjes op mijn primitieve landkaart. Geen drukke wegen dus, maar wel degelijk een potentieel groot risico op radeloos verkeerd rijden.
De witte lijntjes in kwestie bleken inderdaad kleine wegen te zijn waar amper verkeer op zat en wegwijzers of borden stonden er gedurende de hele dag niet. Toch zijn we geen enkele keer verkeerd gereden en dat dankzij volgende strategie: 1. schrijf op een stukje papier een aantal dorpjes die op je kaart staan (in Chinese karakters natuurlijk) 2. vraag bij elke splitsing aan de hopelijk aanwezige inboorling welke richting je uit moet fietsen 3. vraag het even verder nog maar eens voor alle duidelijkheid 4. spreek de naam van het dorp niet uit maar wijs gewoon naar je blaadje papier. Deze aanpak werkt dus écht heel goed en daardoor arriveerden we diezelfde avond na een heerlijk rustige rit in het nietige Tanghekou in een even nietig en simpel logement.

De volgende dag reden we constant in een diepe kloof langs een brede rivier, maar het zicht op de nochtans zeer nabije bergen was ver van klaar. Het liep voortdurend lichtjes bergop en op het einde van de canyon kwamen we bij een stuwdam. Een 8 km lange klim gevolgd door een iets langere afdaling bracht ons die avond in Yongning.
De 43 km die ons van Badaling scheidden waren rap weggefietst en al vlug zaten we goed en wel geïnstalleerd bij een ouder koppeltje die van hun boerderij een logies gemaakt hadden. Met een dagje muurklimmen in het verschiet gingen we even de boel verkennen. De weg naar de ingang van de Badaling sectie van de Chinese muur wordt geflankeerd links en rechts door souvenirzaakjes en andere commercie bedrijvende etablissementen. Een hardnekkige mist en koude wind dreven ons snel terug naar ons kamertje waar we direct spontaan op onze knietjes vielen en twee uur lang tot de weergoden baden om mooi weer voor morgen.

En dat geschiedde ook. Een stralend zonnetje, blauwe lucht en nauwelijks wind. Ideaal om wat te gaan afzien op de muur.
Al vlug werd het duidelijk dat we niet alleen waren.
Hele bussen en treinladingen vol waren al op weg naar de muur.
Bij de ingang kun je zowel links als rechts aan de muur beginnen, maar rekening houdende met de stand van de zon en het zicht op de rest van de muur kozen we om met het rechter gedeelte te beginnen. Dat was duidelijk minder bevolkt dan het linker gedeelte. De muur hier is volledig gerestaureerd en is best indrukwekkend. Misschien wel iets te gerestaureerd. Sommige stukken waren zo steil dat menig Chinese mede toerist zich krampachtig aan de ijzeren leuningen vastklampte ter ondersteuning (in Jinshanling -ter vergelijking- zijn er nog steilere stukken zonder die ijzeren hulpstukken).

WORTEL TERREUR

Het linker gedeelte was op zijn zachtst gezegd een pak drukker. Als een processierups wrongen we ons tussen de toeristen door naar boven. Het meest te ontzien gedeelte is tussen het stuk waar je het hoogste punt van de muur bereikt (rond de 880 m) en de kabelbaan. Er was bijna geen doorkomen meer aan. Voetje voor voetje schuifelend naar boven omsingeld door honderden kwelende, kwekkende Chinezen en af een toe een handjevol westerlingen. Voorbij dat hoogste punt duikt de muur als een waterval naar beneden en op slag is de massa verdwenen. Je bent er wel nog niet alleen, maar het scheelt al een stuk. Hoe verder je dan gaat, hoe minder druk. Op een bepaald punt kom je aan een dichtgemetselde wachttoren wat meteen het einde betekent van het te bewandelen stuk muur. Je ziet de muur evenwel nog kilometers lang in de verte weg kronkelen tot het bouwsel na de zoveelste bergkam uit het zicht verdwijnt.

Terugkeren naar het beginpunt kun je door op je stappen terug te keren om nogmaals die flessenhals te doorworstelen of je kunt de weg  nemen die terug naar de ingang leidt. Daarbij passeer je nog tientallen souvenirstalletjes en twee plaatsen waar een aantal zielige beren om worteltjes zitten te bedelen. Voor 3 yuan mag je dan wortelen gooien. Zeer groot was mijn goesting om de wortelcommercant samen met zijn oranje attributen in de put tussen de beren te katapulteren. Ik had er graag 30 yuan voor betaald. Enkel China’s meedogenloos rechtssysteem weerhield mij hiervan. Een gemiste kans.

 KORT LONTJE

Met Badaling nog vers in de kuiten begonnen we aan het vervolg van ons fietstripje.
Een 2 of 3 tal dagen fiks door stampen had ons moeten in Wutai Shan brengen maar de immer presente rimpelingen in het landschap zorgden ervoor dat drie dagen uiteindelijk zes dagen werden. De rimpelingen muteerden van korte klimmetjes naar lange beklimmingen, culminerend in een epische beklimming van Wutai Shan.

Over de eerste vier dagen kunnen we relatief kort zijn: we opteerden voor de meest directe route richting Wutai Shan, daarbij kiezend voor de “groene” wegen op mijn kaartje. “Groen” staat voor de iets rustigere weg, maar in China weet je maar nooit. Onze fietstocht in de ruime omgeving van Peking op die groene wegen was een meer dan welkome afname in druk verkeer t.o.v het hectische Peking zelf. De groene wegen waar we nu op zaten waren echter een stuk drukker en werden fel gefrequenteerd door luid toeterende kolenvrachtwagens. De regio rond Peking en Datong is steenkoolgebied en dat hebben we aan den lijve ondervonden. Niet door smog, maar juist door die vrachtwagens en de vele steenkool-verdeel-bedrijfjes langs de weg. Voeg hierbij nog een heel legertje “rekketeks” (zo noemen wij die driewielerige kleine vrachtwagentjes naar het geluid dat ze produceren) die dikke zwarte roetwolken onze richting uit spuwen  en nog een ferme kudde grote en kleine bussen en je begint al te begrijpen dat er leukere fietsroutes zijn. Als het droog is, heb je heel wat opwaaiend stof en krijg je bijna spontaan stoflong. Als het regent zie je eruit als Bart Wellens na een slijkerig cyclocross wedstrijdje.

Hoogtepunten tijdens die 4 dagen? Waren op één hand te tellen: 1. het hangende klooster nabij Hunyuan (als een zwaluwnest hangend aan een imposante rotswand zo’n 70 meter boven de begane grond) 2. China’s oudste en hoogste houten pagode in Ying Xian. 3. Katriens steeds imposanter wordende kuiten 4. Henks steeds korter wordend lontje.***

Op dag vijf veranderden we van rijrichting bij het verlaten van Ying Xian en stevende onze route recht af op de als een muur voor ons liggende bergen.
Zonder pardon liepen de eerste drie kilometers steil de bergen in en na een korte afdaling klommen we iets minder steil verder in een mooie bergkloof om in de late namiddag al te arriveren in Sha He. Het was amper 15.30, maar een volgende beklimming lag al te wachten op ons en die was niet van de poes. Dachten we. Dus einde rit.

Tijdens een avondmaal in buffet-stijl in een overdruk volksrestaurant hoorden we buiten een hele reeks knallen en ontploffingen. Vuurwerk zoveel was duidelijk, maar een reden of aanleiding voor deze buskruiterige uitspattingen hadden we niet meteen. Al moet er niet direct een reden zijn, want Chinezen en vuurwerk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Pak de Chinees zijn vuurwerk af (het stinkt en maakt een hels kabaal, woehoe) en het volk verliest direct zijn reden van bestaan. Maar de intensiteit en de duur van deze vuurwerkorgie moest toch wel een verklaring vinden in een of andere feestdag of zo.
En zo was het ook: mid-herfst. De westerling die niet door de uiteenspattende vuurpijlen, gillende keukenmeiden, en kettingbommen (of hoe heet je zo’n oneindige reeks klappertjes die klinken als mitrailleurvuur?) afgeleid is, kan her en der kleine “altaartjes” met offergaven ontdekken. Een bedanking richting zwerk én goden voor het voorzien van zovele vruchten en groenten tijdens de oogst? Mogelijk.
Ooit al eens iemand met een brandende sigaret vrolijk een vuurwerkwinkel zien binnenstappen ? Hier geen probleem. Het arsenaal aan vuurpijlen en dergelijke dat zo’n doorsnee prutswinkeltje verkoopt is naar onze bescheiden mening genoeg om het ruimteveer Challenger naar Sirius en terug te schieten.
Toch één Chinese jonge vrouw met verschrikt gezicht, tranen in de ogen en vingers in de oren zien vluchten voor al dat geweld.

CHINESE COL BUITEN CATEGORIE

Dag zes dan; de rit van Sha He naar Wutai Shan en een rit die wel eens de koninginnenrit zou kunnen worden. Dachten we. Starthoogte 1000 meter, eindbestemming 1700 meter, met naar alle waarschijnlijkheid een welriekend colletje daartussen.
Wutai Shan zelf is de naam van de hoogste bergtop (3050 m) en één van de vele locaties met tempels en kloosters in een ruimer gebied. Dit gebied is één van de vier belangrijke gebieden in China voor het Boeddhisme.
De klim begon onmiddellijk bij het buiten rijden van het hotel en zou zo’n 35 km lang aanhouden. De weg bleef maar eindeloos in een schitterend berggebied naar boven kronkelen om zo op 2520 m hoogte uiteindelijk weer af te dalen tot in Taihuai, het dorpje met alle toeristische voorzieningen. De klim was lang maar was eigenlijk best vlotjes verlopen en in de vroege vooravond hadden we al een dak boven ons hoofd. We waren beiden wat verkleumd, want daarboven was het goed fris en tijdens een afdaling krijg je niet veel warmer. Het weer was bovendien weeral eens van morgenzon naar sluierwolken en laaghangende soep geëvolueerd, dus dat bevordert ook niet echt het warm krijgen.

Na zes dagen onafgebroken fietsen en eigenlijk nog maar twee “rustdagen”, was het wel weer eens tijd om een dagje ter plaatse te blijven. Die twee “rustdagen” waren eigenlijk ook verre van rust, er kwam weliswaar geen fiets aan te pas, maar het beklimmen van die duizenden steile trappen op die twee stukken muur is
ook behoorlijk intens.
Een echte rustdag dus nu, met het gezapig kuieren in en rond enkele mooie buddhistische tempels en kloosters en het gemoedelijk kuieren in de vele winkeltjes en streekproduct stalletjes.

Hoe we ons verder door China bewogen lees je in een volgend en laatste verslagje.

*** Het samenvallen van druk verkeer, stof en lawaai, steenkool partout, de Chinese drang naar vooruitgang ten koste van vooral natuur en het ontbreken van die mooie natuur en gewoon de globale lelijkheid zorgden ervoor dat ik toch wel wat mokkend en humeurig op mijn fiets rondreed. Katrien had er minder last van, maar ik miste vooral de rust en de natuur

ZIMBABWAANS BRUIN

Compleet gekloosterd en klaar voor het vervolg van onze fietsreis trokken we de hoteldeur achter ons dicht en onder een volledig dichtgetimmerd wolkendek lieten we Taihuai achter ons. Na een 25 tal km zachtjes bergaf te sjezen, volgde een korte heftige klim van zo’n 200 hoogtemeters. Intussen waren we ook helaas dat dichtgetimmerd wolkendek in gefietst. Spreek je nog van mist als je klimmend de wolken in fietst ? De korte klim werd gevolgd door een zeer lange afdaling tot bijna zeeniveau doorheen een machtig decor die duurde tot we onze eindbestemming van de dag bereikten. Klein detail was dat we door dat wolkendek dat als het ware met ons mee afdaalde weinig van dat machtig decor konden zien. Hoe weten we dan dat het een machtig decor was ? Hmm. We dwalen af. Wie zich dat ook afvraagt moet maar mailen.

De volgende dag begon onder een zo mogelijk nog meer dicht-getimmerd uitspansel.
Tot een flink stuk in de namiddag trotseerden we een felle regen en bevuilden we ons zelve met al dat nat geworden prut van de weg. Slijk, kolengruis en Chinezenmochels* (de inboorling schraapt de keel luid- keels en rochelt*** dan vol overgave richting wegdek) en meer van dat fraais. Voorbij stuivende vrachtwagens lanceerden die onverkwikkelijke mix van op de weg recht op ons en zorgden ervoor dat we al snel zo smerig waren als het wegdek zelf.
Voor we ons hotel binnengingen die avond gaven we onszelf buiten een flinke afspoelbeurt onder de waterkraan. Vergeet alle flacons zelfbruiner, en fiets gewoon een uurtje bij regenweer langs Chinese wegen en je ziet vanzelf Zimbabwe-donkerbruin tot zwart.

Onze landing uit het hooggebergte vond zijn hoogtepunt (laagtepunt eigenlijk) op zeeniveau in Baoding. Een zoveelste stad waarbij je eerst tientallen in aanbouw zijnde woonblokken tot wel 30 hoog passeert vooraleer tot de chaotische kern door te dringen. We aten rond de middag een volledige eend met bijhorende deegwaren en groenten en dat smaakte bijzonder goed. Vanaf heden bekijk ik de nobele Zandvoordse Keignaert-eend met geheel andere ogen. Wie mij eerstdaags kwijlend langs de Keignaert oevers ziet strompelen weet wat er in mij omgaat. Zouden de verschillende soorten anders smaken? Een wetenschappelijk doch ervaringsgericht onderzoek dringt zich op.

We hadden geen zin om opgeslokt door het drukke en stoffige verkeer de Chinese hoofdstad binnen te karren en besloten de 130 km die Baoding van Peking scheidt per bus te overbruggen. Na heel wat Babylonisch over en weer gecommuniceer in het grote busstation geschiedde aldus.

De km teller stond ondertussen op 1300 km en gezien onze ervaringen de vorige dagen op stoffige en drukke wegen met net iets te weinig natuurpracht en rust, hadden we  besloten om de laatste week van onze vakantie  per trein (én zonder fiets) naar het zuiden van China te sporen.
Of dat lukte verneem je in het allerlaatste verslagje van deze 2013 reis.

***de mochel wordt uitgescheiden d.m.v. de rochel (of was het nu vice versa?) Voor vragen; één eamailadres

LI-MET-DE-PET

Na een zeer zonnige smogloze Pekingdag die o.a. diende om treintickets te regelen naar het zuiden (terug tickets hadden we online al geregeld) stonden we op 26 september als twee glunderende peuters op de eerste schooldag klaar om de G101 Bullet trein van Peking naar Shanghai te nemen. China’s paradepaardje op treingebied is een mooi staaltje technisch vernuft op zijn Chinees. Een slanke gestroomlijnde witte HST (hard sjezende trein) stond stampvoetend op ons te wachten. Amper een aantal km weg van het station haalt het beest al alles uit de kast. Aan een rotvaartje van 306 km/h knalden we de 1350 km naar Shanghai in 5 uur 30. Het kan nog rapper, maar deze Bullet hield een viertal maal halt.

Hop de taxi in, verkassen naar Shanghai Zuidstation om 2 uur later de K181 naar Yushan te nemen. Afstand: 700 km ongeveer. Deze lange-afstandstrein van Shanghai naar Kunming deed er ongeveer 7.30 u. over.
Topsnelheid: 80 km/h. “Hard seat” wat betekent : goedkoopste ticket en drukste coupés. Tussen de Li-met-de-pet.
Vriendjes gemaakt met mister Li, die ons bij aankomst in Yushan om 22.50 u. meetroonde naar de wagen van zijn wachtende broer en ons  vijf minuten later afzette aan een hotel en alles regelde voor ons. De volgende morgen had ie beloofd ons de resterende 50 km naar Jinshan te voeren, maar een overijverige baas eiste zijn enige vrije dag op en dus kon hij ons alleen maar naar het busstation voeren. En dat lag een duizelingwekkende 200 meter van het hotel. Maar meneer Li stond er die morgen, reed de 200 meter, begeleidde ons mee naar het busstation en betaalde zowaar ons busticketje.
Een uurtje later stonden we in Jinshan aan de voet van Sanqing Shan (shan spreek je uit als san en betekent berg). Hier planden we vier dagen om de vele wandelpaden te verkennen van deze berg.

Het berggebied is (bij gunstig weer) ont-zet-tend mooi en zou de komende dagen de spreekwoordelijke pleister op de tekort-aan-natuur-wonde moeten worden.
Wie ooit al eens de plaatselijke meeneem Chinees heeft bezocht thuis, heeft waarschijnlijk al dan niet bewust de kitscherige schilderijen en kalenders gezien met grillige scherpe pieken, groen bebost en gehuld in mysterieuze nevelen. Zo ziet het er hier uit !

DUIZELINGWEKKENDE AFGRONDEN

Gewapend met een nogal primitief kaartje trokken we met gemengde gevoelens (want toch wel zeer dikke mist) de eerste morgen de bergen in. De eerste 800 hoogtemeters pleeg je in een kabelbaantje (kabelbaantjes, lawaai, vuurwerk, toeteren, rochelen, copieuze maaltijden waar je maar een vierde van opeet, groepsactiviteiten, de sigaret, de rekketek én de auto zijn allemaal onmisbaar en noodzakelijk voor een gelukkig en voorspoedig Chinees leven).
Op 1200 m stap je uit het bakje  en wacht een redelijk uitgebreid netwerk van wandelpaden op de toerist.

De term “paden” is echter relatief. Het betreft  hier namelijk een bont samenraapsel van houten steigers door naaldwoud, steile trappen tussen rotsen en betonnen “zwevende” steigers. Vooral die steigers stelen de show en dragen bij tot de majestueuze uitstraling van het gebied.
Die betonnen steigers zijn namelijk best lang (variërend van enkele meters tot bijna 4 km.) en zijn veelal aan loodrechte rotswanden verankerd. Wanneer je dan over de balustrade kijkt, eist een duizelingwekkende diepte al je aandacht op. Voor je, naast je, achter je, boven en onder je zie je ontelbare grillige granieten rotspieken en formaties die treffende namen gekregen hebben zoals: king monkey looking at treasure, 2 pinguins presenting peach, giant boa, fox gnawing at rabbit, eastern goddess, sea lion eating moon enz.
De benamingen lijken vergezocht, maar veel fantasie moesten we niet aanboren. Het leek wel alsof een aantal artiesten druk in de weer waren geweest met het beeldhouwen van die rotsen. Niet dus. Puur natuur.
Als kers op de taart staan knoestige en door weer en wind geteisterde naaldboompjes krampachtig (maar met succes) houvast te zoeken in het graniet. Check de foto’s die volgen en veel zal duidelijk worden.

De eerste dag echter niet zo bijster veel gezien wegens de dikke mist met uitzondering van een tweetal uur waar de wolken een niveautje hoger gingen hangen en we eindelijk vat kregen op het landschap.
Maar net die mist/wolken maakt ook de charme uit van dit berggebied. Als het bijvoorbeeld in flarden rond of tussen bergen hangt, of als het dal in wolken is gehuld en de pieken vrij zitten.

De volgende drie dagen waren qua weer ronduit schitterend en onze digitale kameraadjes transfereerden ontelbare megabytes richting memorycard. Ze gloeien nog altijd na.

EEUWIG LEVEN ! IEMAND ?

Het is niet enkel een wreed schone bergzone, maar ook één van de weinige plaatsen waar het Taoïsme ongehinderd kon verder floreren en waar de vele tempels niet vernield werden tijdens de culturele revolutie onder grote roerspaan Mao (zonder kabelbaantje en betonsteigers behoorlijk ontoegankelijk).
De monniken waren destijds (nu iets in mindere mate) op zoek naar het eeuwige leven en hadden -zo beweren althans sommige tongen – bronnen die het eeuwige leven boden. Ze maakten zelfs (kruidige) pillen die de slikker ervan het eeuwige leven gaven.

Enige smet op al dit moois was weerom dat we niet alleen waren. En dat geldt eigenlijk zo’n beetje voor het gehele Chinese grondgebied.
Ze zijn namelijk met heel veel en ze zijn overal, Tibet en de Chinese woestijnen uitgezonderd. En ze zijn er vooral wanneer een van de twee “golden weeks” aanbreken. “Golden weeks” zijn zowat de grote vakantie in China en duren welgeteld 7 dagen .
Deze golden week was er naar aanleiding van de nationale feestdag van China (1 okt).
Dan neemt iedere Chinees die over minstens een paar Yuan beschikt in volgorde van rijkdom ofwel 1. Een week vrijaf thuis, 2. de bus 3. de trein 4. de wagen 5. het vliegtuig. De overgrote meerderheid reist in eigen land en als je weet dat ze met 1.2 biljoen zijn, dan moeten we er geen tekeningetje bij maken denk ik zo maar een beetje.

Chinezen reizen ook bij voorkeur in groep. Dan loopt er een gids voorzien van megafoon of persoonlijk luidsprekersysteem én bijpassend vlaggetje op lange stok luid kwekkend van het ene punt naar het andere punt. Iedere groep heeft minstens een tiental eenheden die niets liever doen dan luid roepen en tieren. Wanneer een vergelijkbaar tiental in een andere groep op afstand dit hoort, moet dit beantwoord worden middels liefst nog luider gebrul en geroep.
Niet iets wat je met bergen vereenzelvigd.

Wat minder storend is, maar minstens even typerend is dat de doorsnee Chinese madam haar beste zondagse tenue aantrekt voor een uitje in de bergen. Denk aan gigantische sjacossen, korte minirokken met kousenbroeken, naaldhakken en hoeden die niet zouden misstaan op Waregem koerse.
Dan moet je wel weten dat als je iets wil zien van het gebied, onorthodoxe trappen met een onverbiddelijke steiltegraad (en ze komen zonder overdrijven per duizend treden opeenvolgend), liters zweet en gietende regen, hardnekkige mist en gierende wind, hoogteverschillen van 300 meter per stukje traject je deel kunnen zijn. Chapeau voor deze grotesk opgetutte madams, maar wij waren maar al te content met onze stoere bergstappers, rugzak voorzien van poncho, drank enz.

September 29 en 30 waren doenbaar qua drukte, oktober 1 en 2 waren circus.
Hou je niet van beklemmend veel volk, mijdt dan de eerste 7 dagen va oktober, ergens een week in mei, en Chinees nieuwjaar (februari ?)
Op andere dagen is er gewoon veel volk. Ze moeten natuurlijk ook ergens lopen, rijden, rochelen en roepen hé.

De fietsloze bekroning van deze fietsreis eindigde met de in twee stappen verlopende treinreis (2000 km) terug naar Peking, het fietsen van hotel 2 (waar al de rest van de bagage + de fietsen stonden) naar hotel 1 (waar de fietsdozen stonden en ons start- en eindhotel) en het prepareren van onze bagage voor de nu toch wel zeer nakende vliegreis naar huis.