Categorie archief: REISVERSLAGEN PERIODE 2009 -2015

Hier zul je minder recente reisverslagen terugvinden van reizen uit de periode tussen 2009 en 2015.

Zweten in “de” Gambia

DOOD AAN DE BOTERVIS

Voila, een namiddagje en een volledige dag zitten erop in Gambia. Je kunt hier moeilijk ontkennen dat je in Afrika zit; het loopt hier zwart van het volk (zeker niet bedoeld zoals het Vlaams Behang het bedoelt), het verkeer gaat alle richtingen uit én dan vooral in de richting van de eenzame fietser, de loden ploert in de lucht knuppelt onophoudelijk op mijn Vlaamse kop en de armoede is méér dan zichtbaar. Maar hoe trots dragen die Afrikaanse Gambianen dat ! Geen gezeur, geen lange gezichten, neen: lachen is het devies en er het beste proberen van te maken en “en passant” die rijke toubabs (blanken) een klein bedragje afhandig maken. We spreken dan over bedragjes in de orde van 10 cent tot 1.50 euro. Peanuts voor ons maar voor hen maakt dat een wereld van verschil.

Gisteren arriveerde ik dus om 12.00 in Gambia en jubelt ende juicht, mijn bagage én fiets waren mee. Een klein uurtje gewacht op Peter, de Oostendse coördinator van de stedenband die er bestaat tussen Oostende en Banjul en netjes afgezet aan mijn klein hotelletje.
Fietsje in elkaar geknutseld, duik in het zwembadje gepleegd en meteen de fiets opgesprongen voor een eerste verkennende fietsrit van de onmiddellijke omgeving. De Gambiaanse kust staat vol van resorts in alle mogelijke prijsklassen en dat trekt dus heel wat bleekscheten aan. Een hele hoop bleekscheten bij elkaar doet mij meestal de andere kant ophollen en dat is ook wel het plan maar pas voor overmorgen. Het is namelijk ook eens leuk om die zee te zien en nog eventjes van gevarieerd voedsel te kunnen genieten. Dat zal dus vanaf overmorgen heel wat anders worden. Dan trek ik met mijn fiets (die hier heel wat bekijks krijgt) het Gambiaanse binnenland in. Ten noorden en ten zuiden van die stroom strekt de Gambiaanse landmassa zich slechts enkele kilometers uit zodat we kunnen spreken van een zeer smal landje. Een dikke 340 km oostwaarts van de Atlantische oceaan houdt Gambia ook op.
Vandaag zat ik al aan het ontbijt om 08.00 u en om 9.30 zat ik al op de fiets richting Banjul. Mijn eerste halte was het stadhuis van Banjul waar ik op sleeptouw werd genomen door Peter en vermoedelijk alle medewerkers, secretarissen en -essen, de ruimdienst, de IT dienst, de mecaniciens en chauffeurs de hand heb geschud. Er stond zelfs nog een oude Oostendse vuilniswagen te pronken en van die vuilbak-bakfietsen. Na de middag en een lang aanslepend middagmaal zowat alle straten van Banjul doorfietst, postkaartjes gekocht, een Gambiaanse simkaart aangeschaft en gretig gebruik gemaakt van mijn nieuwe aanwinst; een kleine camera die op mijn fiets gemonteerd staat en zeer discreet maar o zo ongenadig alles vastlegt. Mensen kun je hier niet ongevraagd fotograferen, laat staan filmen, maar dit toestelletje zit onopvallend op mijn vork gemonteerd en middels een kleine afstandsbediening schiet dit vernuftig toestelletje onmiddellijk in gang. Nu is het zo dat Gambiaanse (en bij uitbreiding Afrikaanse) derrières bijna een eigen leven leiden en de draagster ervan bijna constant dreigen uit koers te slaan waardoor de vrouw in kwestie in de berm zou kunnen belanden. Dit ontgaat mijn kameraadje, cameraatje natuurlijk niet en het feit dat dit ding dan nog op achterwerk-hoogte op mijn fiets vastgesjord is zorgt ervoor dat ik wel heel wiegende beelden kan schieten.
Nu dien ik wel een kanttekening te maken, dat het nooit mijn doel is om achterwerken te verzamelen op pellicule. Af en toe zo’n dansend ding in beeld zien komen en weer verdwijnen geeft toch ook wel een zekere meerwaarde aan de video’s.

Zo belanden we bij deze avond, op dit eigenste moment waarop uw verlaggever gezeten aan een tafel, links van hem de ruisende Atlantiek en rechts van hem de rijkgevulde bar op het punt staat om zijn tanden in een gebakken “botervis” met gebakken banaan en pikante notensaus te zetten. Ik kan me een oneindige reeks slechtere momenten voor de geest halen.
Om af te ronden; ik heb hier extreem snel mijn draai gevonden, ik begin zo’n beetje een zicht te krijgen op de gangbare prijs van menig eetbaars, mijn fiets snort als nooit tevoren. Regen of sneeuw zal hier nu niet vallen (sinds de onafhankelijkheid zo’n 48 jaar geleden heeft het hier eigenlijk niet meer gesneeuwd en zal het voor alle duidelijkheid ook nooit doen), enfin we stellen het goed.
Zo, nu ga ik nog een fris biertje drinken, nog wat verder rotzooien op mijn iPad, mijn fietszakken in staat van paraatheid brengen voor  de eerste bepakte fietsdag morgen en voor het slapengaan nog wat vliegende bloedzuigende ettertjes doodkloppen.
Een volgend verslagje zal waarschijnlijk pas op het eind van de reis komen, want buiten de zee, bleekscheten en hete douches zal ook het internet wegvallen. Kuifje goes brousse.
Bij leven en welzijn, tot later

MINTI, MINTI

“Minti minti” sprak de inboorling, waarop de fietsende “toubab” (blanke man) er in verschillende gradaties van welwillendheid het volgende op antwoordde: “Yes, yes”, “haha” en “no thank you”. “Minti minti” is het Mandinka voor “geld, geld”, tja… fietsende, wandelende, ja zelfs  halfdode of kruipende toubabs worden geacht rijk te zijn en in zekere mate gaat dat wel op, want de lokale inboorling heeft eigenlijk bitter weinig. “Lokale inboorling” hoor ik je denken ?  Buitenlandse inboorlingen moeten inderdaad nog uitgevonden worden. We wijken af.
Gisteren vertrokken vanuit mijn tijdelijke uitvalsbasis 12 km ten westen van Banjul, en grotendeels de drukke kust gevolgd over lekker fietsende tarmac. Eenmaal Brufut gepasseerd, laat je de drukke en door blanke toubabs gedomineerde kustzone vrolijk achter je en wordt de kust een pak minder bevolkt en bebouwd. Uiteindelijk werd ik in Gunjur bijna letterlijk van de weg geplukt door een overenthousiaste inboorling die zijn voedsel en logement aan de voorbijfietsende toubab probeerde te slijten. De gedachte aan eten speelde al een dik uur door mijn bolle hoofd, want van fietsen krijg je honger. Van niks doen trouwens ook. Tijd om te eten dus, en al vlug stond er een bordje vis met slappe frieten voor mijn neus. Omar de baas van het zaakje was nogal van het enthousiaste type, praatziek ook een beetje en ik besliste om er ook te overnachten. Bagage van mijn fiets gehaald en de resterende km’s tot aan de noordelijke grens van zuid Senegal (haal er de kaart bij, en veel wordt duidelijk) gereden. Daar kun je in krakkemikkige kano’s (pirogue heet dat hier) lekker illegaal de grens oversteken. Ik hou het liever legaal en keerde aldus mijn stalen ros. Mijn schitterende op achterwerkhoogte gemonteerde bulletcam (zie hoger) leverde weer eens schitterend werk toen ik mijn parmantig voor een militaire checkpoint posteerde en al pratend de nietsvermoedende militairen filmde.
Eenmaal terug aan mijn logies wandelde het al even enthousiaste neefje van Omar-de-guesthouse-baas mee tot aan de atlantiek, waar buiten twee Nederlandse toeristen, ik de enige toubab was.

Vandaag 6 maart vertrok ik schandalig laat vanuit Omars optrekje. Tien uur, rijkelijk laat dus. Eerste kilometers waren terug supergladde tarmac, maar dat veranderde drastisch. Ik had het lumineuze idee om ipv een grote ommetoer via Brikama richting south bank road te rijden, de korte route te rijden. Ik wist gelukkig wel dat dit volledig onverhard ging zijn, maar de savanne lonkte en Kuifje ging eens de lokaalste en plattelandste inboorling goeiedag zeggen. Nog nooit zoveel de weg gevraagd als vandaag, maar het moet gezegd, eigenlijk niet verkeerd gereden. Met dank aan die lokale inboorlingen overigens. De staat van de zandwegels waren zoals het eerste woord in dit samengesteld woord doet vermoeden: zanderig. En dan moet zelfs een rijke toubab afstappen en duwen. Tot overmaat van ramp constateerde ik dat omstreeks km 16 mijn achterste nogal verdacht raar deed. Achterste van de fiets bedoel ik. Een snelle blik resulteerde in een “verdomme” uitroep. Platte band begot! Ik was nog maar pas begonnen of een bejaarde man op de fiets stopte en begon mij simpelweg te assisteren. In nog geen 15 minuten lag de reserve binnenband erop en fietste de oude man voor mij weg. Niet verder fietsen betekent stilstaan en daar raak je ook nergens mee, dus vervolgde ik mijn weg van dorpje naar dorpje over het zand, soms verhard, meestal niet, constant de weg vragend aan de mensen. En dat ging heel goed, onder het aanhoren natuurlijk van menig minti minti en schel geroepen toubab. Op het einde van de savanneroute nog een nietsvermoedende militaire post gefilmd en uiteindelijk op de verharde south bank road beland.
Een mogelijk logies lag nog een superhete 35 km verder, en ik twijfelde eerlijk gezegd of ik dat nog ging halen, want behalve een flink ontbijt en rond 13.30 een klein broodje (tapa lapa in de volksmond), en enkele druivensuikers en veel vocht heb ik niet veel meer binnengespeeld. En wat ik in mijn tweede jeugd meer en meer ervaar, is dat ik meestal zo een tijdje voor het bereiken van mijn eindbestemming de man met de moker tegenkom. En ik kreeg zowaar twee meppen  van zijn moker. Eventjes bibberend en schuddend op een boomstam gaan liggen, 4 druivensuikers naar binnengespeeld en het restje tapa lapa, 5 minuutjes wachten en ik kon weer een eindje fietsen.
Stipt om 18.00 uur arriveerde ik dan in Bintang bilong, een schitterend logies, waar ik niet het flauwste vermoeden van had hoe het ging uitvallen. Maar wat een schitterende locatie ! Een goeie 80km verwijderd van de kust is de heerschappij van de zee nog altijd oppermachtig want het zeewater stroomt met gemak zo diep landinwaarts de rivier in . Die “zee-arm” – rivier is hier verschillende honderden meters breed en majestueus omzoomd door mangrove bossen.  Knal in die mangroven hebben ze hier een “lodge” gebouwd, houten individuele paalwoningen met in je achtertuin mangrove bos, en vooraan een terrasje dat wiebelend balanceert boven het zilte water. Verschillende watervogels trippelen door de mangrove en vliegen verschrikt op en krabben maken grappige geluidjes met hun scharen. Ik vrees er een beetje voor dat ik hier morgen niet wegraak. Iets verder weg van het water, wijzen statige baobabs met hun takken naar de hemel.
Hutje geregeld, in mijn zwembroek gesprongen en nog oververhit van de bewogen fietsrit in het zoutige sop gesprongen. Wat een eind van een interessante dag. Zowat een uurtje geleden een kip gesmoord in een zeer lekkere saus gegeten, en tijdens het drinken van een drietal “Julbrew” biertjes begonnen aan dit verslag.
Met permissie stop ik nu met schrijven en ga ik mijmerend de donkerte in staren, de sterren proberen te tellen, luisteren naar de verschillende dierengeluiden en nippen van mijn derde en laatste biertje.
Ik kan me weeral ontelbare slechtere momenten voorstellen.
Groeten thuis en tot de volgende.

EEN EMMERTJE VOL 

Tot u spreekt een lichtjes gechauffeerde, op het kookpunt staande fietsreiziger die op dit moment enkel nog interesse heeft in een frisse cola, pint of fanta voor zijn rode neus, een boom die een rijkelijke portie schaduw op de grond werpt en een plaatsje waar de wind vrolijk kan ronddartelen, want HEET is het beste lezer, BLOEDHEET !
Dit verhaal zit ik nu te schrijven in Farafenni, een grensstadje op 1 km van Senegal, op de noordoever van de Gambia rivier. 8 maart geeft mijn horloge aan.
Gisteren (7 maart) waarlijk een helse dag beleefd, waar ik nu toch met enige trots op terugblik.
Ik kon me die morgen maar moeilijk losmaken van die heerlijke verblijfplaats in de mangrovebossen, wat resulteerde in een zeer laat vertrekuur. Om 10.15 vertrok ik vanuit Bintang Bolong voor wat een relatief kort (65 km) ritje beloofde te worden. De eerste 6 km gingen zeer vlotjes, wind in de rug. Toen kwam ik op de hoofdweg, sloeg linksaf en begon het stampen tegen de wind. Geen keihard loeiende wind, maar een behoorlijk vervelend tegenwindje. En het was warm, tropisch warm. Al na 25 km begon ik te merken dat het niet zo vlotjes ging als gewoonlijk, de wind dacht ik , maar mijn snelheid daalde met het halfuur. Na 35  km was ik maar al te blij om te kunnen stoppen en  eten, toevallig bij een grote fruit- en groentenmarkt. Broodje met sardienen, 3 kleine bananen, een supergrote radijs (zo van die lange witte) en halve sloten water. Met enige tegenzin klom ik weer op mijn fiets en bij het zoveelste lichte hellinkje van hoop en al 400 meter dat ik aan een miezerige 10 km/u opreed, wel toen pas viel mijn dalasi (plaatselijke munt); hier klopt iets niet. Ik vond van mezelf dat ik genoeg dronk, maar toen ik een plaatselijke baobab besprenkelde met het weinige lichaamsvocht dat nog in mijn lijf circuleerde en constateerde dat het zeer geconcentreerd en geel was, viel mijn hele portemonnee dalasi’s helemaal. Deze jongen drinkt helemaal niet genoeg. Vreemd genoeg had ik niet direct een droge mond of schuimbekkende tronie, maar het was vocht waar mijn lichaam om schreeuwde. Recht evenredig met het toenemende aantal pauzes dat ik begon te nemen, steeg het drinken ook. Ik dwong me er zelf toe. Na iedere kleine helling kwam ik pompaf boven, happend naar adem en mezelf dwingend nog 1 of 2 km verder te fietsen vooraleer wéér te pauzeren onder een boom. Zo om de 4 à 10 km kwam ik kleine dorpjes tegen, maar buiten een verzameling hutjes, een moskee, en wat miniskule straatstalletjes die enkel maar zaklampen, flipflops, zakken meel en ajuinen verkochten was daar niets anders te verkrijgen. Daar is een gedehydrateerde fietser helemaal niets mee. Dus maar doorrijden tot de volgende nederzetting waar dan hopelijk flessen water te koop waren. Mijn resterende warm water was bijna op en mijn wil om te fietsen ook.  Met gebogen hoofd, hijgend van de inspanning en met bibberende benen naderde ik het zoveelste volgende dorpje. Nu moest ik werkelijk zien aan water te komen of het ging slecht aflopen. Mijn voorraad water was op. Ik stopte aan een waterput waar de inboorlingen hun water ophalen, maar die stond droog. Een vriendelijk jongetje bood aan om water uit een andere put voor mij te halen, maar vreemd genoeg bedankte ik het knaapje vriendelijk doch afgemat met het excuus dat ik toch ziek zou worden van het onbehandelde water, wat helemaal geen leugen was, maar ik kon er gerust een aantal Micropur zuiveringstabletten in kappen, half uurtje wachten en dan ervan drinken. Iets dreef me nog verder het dorp in. Ik was nu op het punt gekomen dat ik bijna niet meer op mijn fiets kon blijven en toen ik in de verte bij de brug een rood bord met de vertrouwde witte krulletters dacht zien te staan, sukkelde ik aan een slakkengangetje erop af. Rechts liep een electriciteitslijn, dat rode bord was onderdeel van een redelijk groot gebouw en toen ik dicht genoeg genaderd was, kreeg ik absolute zekerheid: Coca Cola, een werkende frigo en drank a volonté.
Nu zeggen wij soms wel eens: “ik zou je kunnen kussen” uit blijdschap of erkentelijkheid, maar dit was wat ik werkelijk deed. “I can kiss you” zei ik tot de potige barman, omhelsde hem en gaf hem een kus op zijn wang. Geen dichterlijke vrijheid, geen fantasie, zo deed ik het werkelijk. Ik bestelde een 300 cl Cola, en een anderhalve literfles koud water en op 10 minuten tijd was het hele zootje naar binnen gekapt, al na 15 minuten voelde ik mijn krachten terugvloeien, ik kocht nog 3 liter water, dronk nog een cola en na een half uur achtte ik mezelf weer klaar voor de resterende 25 km of zo. De eerste 15 km gingen vlotjes, ik had weer kracht om goed door te fietsen, te zwaaien naar de “toubab” roepende kindertjes, maar toen begon ik terug te verzwakken. “Is ’t weeral vandadde ?” dacht ik bij mezelf, ondertussen terug drie kwart liter water naar binnen kappend. De laatste 10 km gingen maar zozo, ik was toch niet volledig terug in mijn goeie doen en was dan ook maar al te blij na 79 km te arriveren in Tendaba river camp. Toen ik die dag herbeleefde en herdacht in mijn geheugen kwam ik tot de constatatie dat ik die dag tegen de 12 liter vocht naar binnen heb gewerkt. Da’s meer dan een emmer !
Leuke zij anekdote: in Bintang Bolong maakte ik kennis met een Braziliaanse, Spaanse en een Brit die hetzelfde traject als hierboven deden, zij met openbaar vervoer, ik met de fiets en we kwamen krak op dezelfde tijd aan in Tendaba ! In hun bus was het tot een vechtpartij tussen enkele mannen gekomen, bij het eerstvolgende politiebureau stroomde de bus leeg, werd de aanstoker van de vechtpartij voor een halfuur achter tralies gezet, maar toen het tijd was om te bidden, werd hij eruit gehaald, werd er gebeden, vervolgens met 15 paar handen uit eenzelfde grote kom rijst gegeten en de reis verdergezet alsof er niets gebeurd was.
Die avond zat ik om 22.00 in mijn bed en viel als een blok lava in slaap.

8 maart.
Vroeg ontbijtje met zijn vieren, de Spaanse en Braziliaanse gingen een plaatselijk boottochtje maken in het nabije tot natuurpark opgewaardeerde mangrovebos, John de Brit en ik gingen met een gecharterde pirogue (een groot uitgevallen kano met buitenboordmotor) verder varen naar Farafenni. Niet dat ik geen zin meer had om te fietsen, maar een relaxt tochtje van 3 uur op de brede Gambia rivier richting oosten leek me wel aantrekkelijk. En zo was het ook. Al was het begin eventjes moeilijk. Ontelbare malen moest de stuurman zijn buitenboordmotor herstarten, half ontmantelen, bougies kuisen enzovoort, terwijl het hulpje naarstig water uit de boot aan het scheppen was. Toen de stuurman dan nog een sigaret aanstak in de zeer nabije nabijheid van 2 vatjes benzine had ik niet veel fantasie nodig om onszelf vastklampend aan een van mijn waterdichte fietstassen overboord te zien springen het inferno achter ons latend en de hele kilometer naar de oever toe te zwemmen. Zover kwam het gelukkig niet. Na het aanmeren moest ik nog 6 km fietsen om in Farafenni te raken.
Hier heb ik samen met John mijn intrek genomen in Eddy’s place , een rechthoekig gebouwencomplex met groen en boomrijk binnenplein en het is hier waar ik gezeten onder niet nader geïdentificeerde bomen (van waaruit geregeld met een rotvaart harde vruchten ter grootte van een kiwi uit vallen) aan het schrijven geslagen ben. Want dat is de enige fysieke inspanning die ik mij getroost op dit onmenselijke hete uur van de dag. Ik vind het zeer jammer dat ik geen thermometer bij me heb, maar de inboorlingen verklaren hier één na één dat het kwikke kwik vlotjes tot net boven de 40 ° klimt.
Het ligt wellicht aan het gebrek aan tijd die ik heb om degelijk te acclimatiseren, want Katrien en ik  hebben nochtans al op andere plaatsen op deze aardbol in dergelijke temperaturen gefietst.
Morgen ga ik mogelijks iets heel gek proberen te verwezenlijken en dat is de ongeveer 110 km naar de atlantiek in één dag te fietsen. De hitte zal nog altijd hetzelfde zijn, maar ik zal toch 2 natuurfenomenen in mijn voordeel hebben; 1. ik plan (en wie mijn reisgedrag een beetje kent verklaart mij nu stante pede gek) om 06.00 te vertrekken, vooraleer de grote hitte rond 11.00 à 12.00 toeslaat en 2. ik zou (ja zou) de wind mee moeten hebben. Middels een  immense voorraad water en een immens innamevermogen zou ik de kust moeten kunnen bereiken. Ofwel ga ik voor Barra in Gambia (recht tegenover Banjul) ofwel ga ik voor een mooi gelegen guesthouse een beetje over de grens in Senegal. Haal ik het niet, dan moet ik onderweg zien te overnachten, maar er is nergens commercieel logies al kan je overal wel ergens wat regelen. Meer hierover in het volgende verslag.
Baai baai.

LE TOURNESOL

“Le tournesol, le tournesol, n’as pas besoin d’une boussole ni d’arc-en-ciel pour se tourner vers le soleil”. Een waarheid als een zebu (plaatselijke koe). Deze Franse liedjestekst uit ver vervlogen tijden golfde mijn oor tegemoet tijdens het zoveelste toertje in mijn plaatselijk zwembad. Dit zwembad ligt op Senegalese bodem, in een nogal weelderig resort vlakbij de hier altijd aanwezige mangroven.
Mijn laatste berichtje berichtte over de poging om vanuit Farafenni in één dag tijd de Atlantische kust te bereiken, hitte, wind en afstand trotserend. Voor aanvang schatte ik mijn kansen vooral door de te voorziene bakoven eerder gering in, maar het ging deze keer gemakkelijker dan verwacht. Er was bijna helemaal geen wind, noch mee, noch tegen en de hitte sloeg  pas toe rond 10.00 à 11.00. Tegen dan had ik al een behoorlijke afstand afgelegd. Om 06.30 zat ik namelijk al op mijn ros richting atlantiek. En dat loont. Weeral iets bijgeleerd. Vroeg opstaan is nochtans niet mijn ding, ik heb er echt moeite mee zij het nu thuis of op reis, maar de hitte doet rare dingen met mensen.
In plaats van naar Barra te snorren (waar de ferry naar Banjul vertrekt), sloeg ik 20 km eerder noordwaarts af op een zandweg om zodoende zonder omwegen rapper aan de Senegalese grens aan te komen. Die bereikte ik om 14.00 en amper een uurtje later waren alle formaliteiten, incluis geld wisselen geregeld.
En zo ben ik nu druk bezig met de doorsnee toerist te spelen. Da’s zeer aangenaam als het snoeiheet is, maar als ik eerlijk moet zijn begint het toch wel een beetje te vervelen. De hoogste tijd om terug op mijn fiets te klauteren en nieuw horizonten te verkennen !
Vroeg vertrekken zal weer de boodschap zijn. Iedereen klapt hier van de chaleur en zeggen dat het in vlaanderen alweer sneeuwt en vriest. Als ik de inboorlingen hier vertel over het vriesweer in mijn heimat gaan de wenkbrauwen een halve meter de lucht in. Die mensen hier kunnen zich daar niets bij voorstellen, ’t is hier trouwens nog altijd wachten op de eerste sneeuw. Gisteren een aantal mooie vogels kunnen observeren en fotograferen waaronder twee variëteiten ijsvogel (waarvan eentje met vis in de bek) en een tot nader order niet geïdentificeerd vederig object met toch wel heel felle kleuren. Naar het schijnt sluipen hier ook hyena’s rond, maar tot op heden hebben deze beesten zich nog niet vertoond.
Deze middag was een grote groep militairen met getrokken klakkebus burgeroorlogje aan het oefenen in de zanderige straten van Toubakouta, en ja hoor, mijn digitale vriendje heeft weer alles gefilmd; ik denk dat ik dat apparaatje eens op mijn brandweerhelm of brandweerdweil ga monteren om de doorsnee leek eens een blik op het brandweerbestaan te gunnen; mogelijkheden zat. Maar praat me niet van werk, dat is voor thuisblijvers en die zijn er mijns insziens meer dan genoeg, en terecht !
Ondertussen gaat deze jongen nog een beetje ploeteren in het heerlijke water, seffens eens een souveniertje gaan kopen, gevolgd door een lekker maaltje hier in ‘t resort. Vanavond is er in het dorp de finale van de “lute”wedstrijd, een competitie Senegalees worstelen gepaard gaande met veel lawijt, couleur locale en dans. Je ziet, het leven van een toerist is niet bepaald gemakkelijk !
Wellicht volgt er nog één berichtje, want mijn dagen zijn geteld, maar of ik nog ergens draadloos internet vind is een ander paar mouwen, zoniet, bedankt voor uw aandacht en tot in dat koude trekgat aan de zee.

HET NEUROFEN INCIDENT

Onder een loden zon vertrok ik vanuit Toubakouta, over een aangename laterietweg (die rode grindwegen die je in zovele afrikaanse landen terugvindt) terug richting Gambia.  Ik passeerde Missirah, een onooglijk klein vissersdorpje en sloeg dan linksaf over een zanderig pad, tussen de bomen op weg naar de RN5. De aanwijzingen van de laatste mens aan wie ik het vroeg waren niet heel duidelijk en op de vermoedelijke splitsing was er niemand aan wie ik het kon vragen, dus eigenlijk een beetje onzeker sloeg ik dat pad in.
De richting bleek te kloppen volgens mijn kompas, maar de afstand bleek heel wat langer dan verwacht. Dat deed me twijfelen en hopen dat ik hier niet hopeloos in de brousse zou verdwijnen. Na een halfuren schipperen tussen zand, overhangende struiken, diepe sporen en lang gras kwam ik heel onverwacht op de verharde weg naar de grens.
Ik stopte nog eventjes in een plaatselijk drie-stoelen-restaurantje om wat kip met rijst naar binnen te werken, vooraleer me over te leveren aan het moeilijkdoenerij-lievende type bureaucraat dat zich nogal eens durft op te houden aan grensovergangen. Stempeltje voor het verlaten van Senegal, stempeltje en korte vraagjes voor het opnieuw betreden van Gambia en hopla de fiets op voor een twintigtal km tot aan Barra waar de ferry naar Banjul dagelijkse richting overkant ploetert.
Een schimmig persoontje kwam plots bij mij staan, haalde een beduimeld geplastifieerd naamplaatje boven en gebood me hem te volgen. “Drug enforcement police”. Ik zag er vermoedelijk het nogal verdachte type uit, met fietszakken vol narcotica, verdovende middelen en dergelijk fraais. “We want to look in all your bags” zei de man. Daar had ik nu eens absoluut geen zin in en trakteerde  het kereltje geheel onverwacht  een oplawaai van jewelste keurig gecentreerd onder zijn kinnebak.
Neen, zo is het uiteraard niet gegaan, maar ik had wel helemaal geen zin om al mijn zakken weer ondersteboven te laten halen door grijpgrage Gambiaanse politievingertjes. Maar hier had ik gewoon niets te zeggen en mooi mee te werken. En zo werden al mijn spulletjes één voor één uit mijn zakken gehaald. Om er zelf toch een beetje plezier aan te beleven begon ik alle voorwerpen die ze boven visten te benoemen en als extra service uit te leggen waarvoor ze dienden, zij het met wel een royaal scheutje sarcasme. En zo ging het dus onder andere van: “a bottle water ? to drink”,”sunscreen (zonnecrème) ? to keep toubabs white skin white”, “a tooth brush ? to brush my teeth” en “videocamera ? to make secret video’s of fools like you”. Enfin, niets wat ik bijhad bleek verboden of onwettelijk te zijn, maar in mijn laatste zak vonden ze waar ze al een aantal keer naar gevraagd hadden: “tablets”. Hun priemende ogen kregen extra glans en hun blikkerende tanden leken extra wit toen ze mijn medicijnendoos te pakken kregen. Elk stripje werd nauwkeurig bestudeerd en ik gaf telkens weer aan waar het voor diende. Eén strip Motillium en één pilletje  Neurofen werden apart gehouden en ik hoorde hen tegen elkaar murmelen in het Mandinka. Eén mannetje verdween naar zijn bureautje terwijl de ander me expliceerde dat hij iets ging opzoeken in ” the book”. Dat moet nogal een boek zijn, dacht ik bij mezelf, wil het alle medicamenten bij naam vermelden, maar eventjes later kwam nummer 1 terug, vezelde wat tegen zijn kompaan en werd me onmiddellijk verzocht mee te gaan naar het bureautje.
In een duister krocht van een bureau viel het verdict. Dat vermaledijde pilletje bevatte codeïne, dat stond er ook op trouwens. “This is forbidden” zei de ene, hij sloeg een evenzeer beduimeld naslagwerk open en wees op de naam codeïne. Toen begon ik uit te leggen dat in de gehele westerse wereld, de maan incluis, Neurofen een doordeweekse pijnstiller is dat zonder voorschrift bij de apotheker te verkrijgen is. ’t Mocht allemaal niet wezen want hij haalde er een ander boek bij en wees enkele zinnen en paragrafen aan. Ik las ze zonder ze uit te spreken, maar dit was niet wat meneer wilde. Ik moest het hardop voorlezen. Ik zat namelijk te lezen in het strafwetboek en las in een bepaalde paragraaf het volgende (vrij vertaald): Op het bezit van codeïne staat een straf van 250.000 dalasi (te vergelijken met de oude Belgische frank), of tot 3 jaar gevangenisstraf. Ik kruiste mijn beide armen en bood ze aan om geboeid te worden (echt waar), maar zo ver gingen ze het blijkbaar toch niet drijven. Ik had al lang door waar ze heen wilden; een “bribe” zoals ze in het engels zeggen, een afkoopsom, omkopen. Daar had ik nu ook weer eens geen zin in en gooide het over een andere boeg: ‘ik ben een brandweerman en ambulancier, en ik probeer zoveel mogelijk levens en mensen te redden’. Brandweermannen worden voor een illustere reden zeer gewaardeerd in de Gambiaanse samenleving en mijn tactiek sloeg aan. Ze bleven monkelend lachen naar mij, maar ik wilde geen halve dalasi smeergeld betalen. Uiteindelijk zei de ene: omdat je brandweerman bent en omdat het maar over één pilletje gaat, laten we je gaan. 3 jaar in een oververhitte Gambiaanse cel: daar had ik nu eens het minst zin in van al. Eind goed, al goed en ik sprong fluks op mijn fiets om de 20 km te overbruggen naar Barra.
Daar was de boot net aangekomen, braakte zijn inhoud uit, slokte de nieuwe in en aan een tergend traag slakkengangetje ging het naar Banjul. De ferry was er een eentje van Russische makelij en zou bij ons waarschijnlijk nog niet eens bij het oud ijzer mogen. Enfin, het ding ging vooruit, bleef vooral drijven en een uurtje later was de drie kilometer brede riviermonding overgestoken.
Ik bleef overnachten in Banjul, omdat het nu al donker aan het worden was en mijn geplande overnachtingsplaats nog een goeie 20 km verder was.
Dat heb ik dus vandaag gedaan (13 maart) van Banjul naar Lamin lodge gefietst. Terug een slaapplaats met een verhaal want 1. het is een krakkemikkige houten verzameling van balken en latten die balanceert boven het water en omringd is door mangroven, 2. net door zijn krakkemikkigheid is het nu gesloten en  wordt het gerenoveerd, maar mijns inziens kan dat nog eeuwen duren aan het tempo dat dat hier vooruit gaat.
De vriendelijke  en al even krakkemikkige Duitser die zichzelf eigenaar mag noemen van dit Mikado-achtig bouwsel gaf mij evenwel de permissie om hier te overnachten en zo heb ik op de eerste verdieping mijn tentje opgesteld zonder buitenzeil, enkele matrassen onder mijn tent geschoven, er staat een emmer water om me te wassen en ik ben buiten een kudde apen, vliegende vissen, klapperende krabben en nog heel wat andere diertjes die ik evenwel vanwege het duister niet meer kan zien, he-le-maal alleen. Zalig vind ik dat, een nachtmerrie voor de meeste mensen.
Morgen is mijn laatste volle dag in Gambia en gebruik ik om op mijn gemakjes terug naar mijn eerste hotelletje terug te fietsen aan de kust, fietsje dankbaar weer te demonteren en in de doos te stoppen, nog wat te zwemmen, vroeg in de doos, en de 15e maart om 14.00 terug naar België te vliegen om hopeliijk nog wat winterpret te kunnen beleven. Qua contrast kan dat wel tellen.
Daag

Klimmen zult gij ! Chillen op vier wielen in Armenië

Mysterieuze tunnel

Op 25 september rijden we via grenspost Bagratashen Armenië binnen. Vrolijk en ongegeneerd rijden we alle stilstaande wagens voorbij. De grensformaliteiten kunnen niet vlotter verlopen, de met een belachelijk grote kepie uitgeruste grenswacht knalt een nieuwe stempel in ons paspoort en onze Georgische Lari’s wisselen we om in Drams (sept ‘16: 1euro= 528 dram).

Een nogal groot zelfzeker blauw bord waarschuwt ons dat de M6 die door de Debed vallei loopt onderbroken is door werken. Bij de afslag naar de M16 rijden we gewoon rechtdoor. “Met onze fiets kunnen we wel door” denken we nog. Een paar km voor Alaverdi sla ik linksaf en begin aan een flinke klim via een bijna kapot-opgelapt wegje naar het 400 meter hoger gelegen Haghpat klooster (976 AD én werelderfgoed). Katrien fietst rechtdoor naar Alaverdi en bespaart zichzelf zo de felle klim naar Haghpat. Ze voelt zich verre van lekker. Een uurtje geleden doneerde ze zelfs heel genereus de inhoud van haar maag aan de Armeense wegberm.

Op de tweede dag van de Debed vallei route komen we uiteindelijk in de zone van de waarheid en passeren een eerste groepje wegarbeiders waarvan er eentje als een knipmes rechtveert en de weg verspert. “Onmogelijk om door te rijden” menen we te begrijpen van de brave man, maar bij gebrek aan een Armeense of Russische taalknobbel zijn we daar natuurlijk nooit zeker van. Het woordje “velociped” Russisch voor fiets, doet hem twijfelen en van deze twijfel maken wij snode westvlamingen gebruik om door te fietsen. Helaas schapenkaas, een volgend groepje wegwerkers maakt ons wel heel duidelijk dat er van doorfietsen geen sprake kan zijn. “Tunnel” zeggen ze en vormen een kruis met hun armen. “Geen tunnel, kapotte tunnel, halve tunnel, afgesloten tunnel ?” Geen mens die het ons verstaanbaar kan maken. We rijden een km of twee terug en slaan een onverharde weg op en beginnen onmiddellijk uit de Debed vallei te klimmen. Het is ondertussen 16.00 u. en veel tijd hebben we niet meer, maar de rustige route en de bosrijke omgeving maken veel goed. Uiteindelijk belanden we na een heleboel haarspeldbochten en een heel slijkerig stuk waar we bijna dreigen te verzuipen in de modder op een mooi kampeerplaatsje in het bos bij een klaterende bron.
De volgende morgen – we zijn nu op het plateau ten oosten van de Debed vallei – rijden we door het dorpje Dregh waar we na heel wat babylonische spraakverwarringen een tweedehands fietspomp kopen. De vorige fietspomp hebben we gewoon in puin gepompt en fietsen zonder pomp voelt zo’n beetje aan als breien zonder breinaalden. Een korte vinnige afdaling van een goeie 450 meter brengt ons terug in de vallei en uiteindelijk in de late namiddag in de op 1350 meter hoogte gelegen stad Vanadzor, Armenië’s tweede grootste. Dankzij het mysterieuze tunnelprobleem was deze route zalig verkeersluw en de rurale bypass die we noodgedwongen fietsten, maakte dat dit een leuke en mooie aan te raden fietsroute was (wegwerkzaamheden gepland tot en met 2018).

“Vanken” à volonté

Na een rustdagje in Vanadzor (regendag) beginnen we aan een – op onze Reise know-how kaart althans – veelbelovende en vooral klimmende route. Een interessant wit lijntje loopt van het grote dorp Margahovit naar de stad Hrazdan. “Zo vermijden we de grote weg die via Dilijan naar het Sevan meer loopt” gniffelen we.

De eerste 300 hoogtemeters vanuit Vanadzor verlopen steil maar perfect over biljart-vlak asfalt. In Margahovit hebben we enige moeite de afslag te vinden naar de Margahovit pas. Wat we verwachtten van deze route blijkt dus niet te stroken met wat onze Duitse kaart suggereert: het is helemaal geen (veel)gebruikte route want er rijden absoluut geen wagens op. Waarom de doorsnee Lada of Kamaz er niet rijden wordt al snel duidelijk.

De eerste km is verhard, de rest loopt in ontelbare haarspeldbochten over variërend zanderige en stenige ondergrond. Het is eigenlijk best befietsbaar maar wel zwaar. De uitzichten en de oorverdovende rust zorgen ervoor dat we ondanks de gevorderde moeilijkheidsgraad dik genieten. Na de pashoogte die op 2.650 m hoogte ligt volgt een veel slechtere afdaling over een stenig pad, dat meer en meer overgaat in kniehoog gras. Af en toe moeten we grote ondergelopen stukken omzeilen. Tot overmaat van ramp rijd ik een scheur van 4 cm in mijn buiten- en binnenband. Ondanks een gejaagde bandenwissel arriveren we die avond in het donker in de buitenwijken van Hrazdan.
Via Sevanavank (vank=klooster) aan het gelijknamige meer dat op een alpiene 1900 m hoogte ligt stampen we geholpen door een rugwind verder naar het zuiden van Armenië. Op nog geen 200 meter van het Hayravank (9e eeuw) klooster poten we onze tent neer op een stukje gras dat niet zou misstaan op een golfterrein. Een perfect gepositioneerde groep rotsen beschut ons van de koude wind die uit het noorden komt aanwaaien.

De volgende morgen vertrekken we met opzet laat, maar dat is niet moeilijk want de wind is gevallen en de zon blikkert als vanouds op de besneeuwde bergen en het Sevan meer en we houden een heuse fotosessie met de kerk, het meer, de bergen en onszelf in de hoofdrollen. Bedoeling is dat we in de latere namiddag arriveren in Noratus, een namiddagbezoekje garandeert immers optimale fotografische omstandigheden. Dit dorpje is namelijk bekend voor zijn grote groep khachkars; eeuwenoude rechtopstaande en zeer verfijnd gegraveerde grafstenen. De oudste dateren van 900 en ter plaatse kun je met een geplastificeerd A4’tje laveren tussen deze indrukwekkende “kruis-stenen”.

Vertelden we trouwens al dat praktisch alles wat maar enigszins te bezoeken valt in Armenië gratis is ? Ik dacht het niet. Met uitzondering van de Griekse tempel in Garni (zie verder) hoefden we nergens entreegeld te betalen. Neem daarbij dat de prijs voor accommodatie, levensmiddelen, benzine en gegidste uitstappen een stuk lager ligt dan pakweg bij ons en je begrijpt al snel dat een reis naar Armenië geen castratie van je portefeuille betekent.

Pools applaus

Via Martuni – gelegen aan de zuidelijke rand van het Sevan meer – klimmen we over de zeer rustige M10 naar de 2.410 m hoge Sulema (ook Vardenyats) pas. De glooiende landschappen achter ons maken abrupt plaats voor een diep ingesneden vallei voor ons omgeven door hoge spitse bergen. Al sinds mensenheugenis trekken over deze pas reizigers en handelaars en daarvan getuigt nog steeds de net onder de pas gelegen en meer dan 700 jaar oude Orbelian caravanserai. Het is de best bewaarde middeleeuwse herberg in Armenië. Gewapend met een pot honing gekocht bij de verkoper met de schattige blauwe Lada storten we ons in de voor ons liggende diepte. We zijn van plan door te fietsen tot in Yeghegnadzor maar in Shatin veranderen we van gedacht. De Yeghegis vallei die links van ons de bergen in klieft ziet er in de late middagzon bijzonder indrukwekkend uit. We twijfelen eventjes maar wanneer we het bordje “Sofya B&B” in de smiezen krijgen, rijden we bergop het B&B tegemoet. Een drietal km uit het dorp ligt deze landelijke B&B en omdat we de volgende dag een wandeling plannen, blijven we er direct twee nachten. ‘s Avonds wordt ons een avondmaal geserveerd van heb-ik-je-daar-eventjes en Max – een Poolse collega toerist – vertaalt alles netjes wat er gezegd wordt.
Op deze fietsloze dag combineren we tijdens een lange maar aangename wandeling het hooggelegen Tsakhatskar kloostercomplex met het op een smalle kam gesitueerde Smbataberd fort dat duizelingwekkende vista’s biedt op twee valleien.

In heel Armenië vind je ontelbare kloosters en kerken, maar telkens valt op dat de stichters van deze gemeenschappen toch wel bijna altijd voor haast onbereikbare en prachtig gelegen locaties kozen. Dat maakt dat je bij het bezoeken van dergelijke historische gebouwen bijna telkens in schitterende en woeste natuur terecht komt.

Nog zo’n mooi voorbeeld daarvan is het Noravank klooster dat op het einde van de Noravank kloof ligt te schitteren in een bijna-keteldal van rood/okergele massieve rotswanden. Wanneer we zwalpend de steile slotmeters oprijden beginnen een twintigtal Poolse toeristen te applaudisseren als waren we Peter Sagan en Jolien D’Hoore verwikkeld in een bitsige eindsprint. Na het bezoekje planten we ons tentje op een smalle richel met uitzicht op het klooster en de canyon; alweer een droomplekje om niet snel te vergeten. We zijn nu op het meest zuidelijke punt van onze tocht en vanaf nu brengt elke pedaalslag ons terug naar het eindpunt van onze route; de luchthaven in het Georgische Tbilisi.
We beginnen onze laatste week Armenië vanuit Noravank met de 8 km lange afdaling naar de M2 hoofdweg om via de Tukh Manuk pas (1798 m) een aantal km voorbij de pashoogte rechts af te slaan op een rustige landelijke weg die nog verder klimt tot 2.000 meter. Dan volgt een lange afdaling over zalig asfalt via Vedi tot bijna aan de Armeense/Turkse grens nabij het Khor Virapklooster. Nog net voor het donker zetten we ons tentje op tussen de wijnranken van een wijngaard op een kleine km van het klooster. ‘s Morgens verlichten de eerste zonnestralen de witte kruin van Mount Ararat en genieten we van het spektakel van de veranderende kleuren (en de aanrijdende toeristenbussen). Wel vervelend voor de Armeniërs dat “hun” mythische berg tegenwoordig op Turks grondgebied ligt. De Armeense genocide wordt niet erkend door Turkije en bij gesprekken met jonge en oudere inwoners merken we dat die genocide nog steeds zeer gevoelig ligt.

Orgels en waterkers

De 57km tussen Khor Virap en Garni is niet bepaald ver te noemen, maar het wordt toch een pittige dagetappe. We zijn ondertussen 6 oktober en het eerste deel van de route loopt tussen de appel-, perziken-, granaatappel- en perenbomen met af en toe een strookje walnoten en wijngaarden. Het is een drukte van jewelste op de velden en boomgaarden. Wanneer we dan eens halt houden stoppen de boeren ons al vlug wat van deze lekkernijen toe en betalen is uit den boze ! In deze tijd van het jaar kun je hier gewoon overleven met wat in de bomen hangt of valt. Armenië doet ons overigens veel denken aan – althans onze – “all time”kampioen in gastvrijheid: grote buur Iran.

Eénmaal voorbij het bijna leeg verdampte Azat reservoir degradeert de verkeersluwe en slechte weg naar een zanderige afdaling in 6 haarspeldbochten om dan weer verder te klimmen tot in Garni.

Dit kleine stadje ligt aan de rand van het Khosrov natuurreservaat op amper 40 km van Yerevan. Het is een goede uitvalsbasis voor tochten in het reservaat (permits nodig) en om de Griekse “tempel” en het op 8 km gelegen Geghard klooster te bezoeken.

De tempel, een Parthenon lookalike, is waarschijnlijk eerder een tombe voor een plaatselijke heerser geweest en staat op een stuk vooruitstekend land dat hoog boven de kloof uittorent. Voor we de volgende dag naar Yerevan willen fietsen, besluiten we nog eventjes de kloof in te wandelen. Net voor de ingang naar de tempel daalt links een verharde weg steil naar beneden. Als we beneden bij de rivier gekomen links afslaan (stroomopwaarts) belanden we plots in een stenen wonderland. We lopen langs en zelfs onder gigantische basalten orgelpijpen. Onder het overhangende basalt sijpelt water langs de rotswand en wilde waterkers klampt zich vast in de barstjes van het harde basalt. Op andere plaatsen zien we wonderlijke plooien in het gesteente en zeshoekige “zitbankjes”. Niet te missen. Een kasseiweg ter hoogte van de forellenkwekerij zorgt dat je er een mooie (relatief korte) luswandeling kunt van maken.
De rit naar Yerevan klimt aanvankelijk nog tot 1615 m hoogte maar dan volgt een lange afdaling en een hectische rit in het centrum van Armenië’s hoofdstad tot aan het Hrazdan hotel. Het ligt net buiten het centrum en door de vele ramen die alle kamers rijk zijn heb je een schitterend zicht op de stad, Ararat en de Hrazdan kloof. Die avond lijkt het bijzonder druk in en rond het centrum en we besluiten de grote mensenstromen te volgen tot we uiteindelijk aan het grote centrale plein (Plein van de Republiek) komen. De statige imposante gebouwen zijn mooi verlicht en uit de boxen schalt Charles Aznavour’s stem. De fonteinen voor het museum spuiten op de maat van de muziek ter ere van de 2798ste verjaardag van de stad !

“Na zdorovje”

Stadsmussen zijn we niet en gaan we waarschijnlijk ook nooit worden, maar toch genieten we nog een tweede dag in deze bijna altijd zonnige stad en op 10 oktober laten we Yerevan achter ons via de Hrazdan kloof aan ons hotel. Via de stad Yeghvard klimmen we verder op de oost- en noordflanken van de uitgedoofde Arailer (Ara) vulkaan. Zoals gebruikelijk wordt er weer wat afgetoeterd. Dat doet de doorsnee Armeen niet uit agressie. Dat doen ze om ons te waarschuwen dat ze er aankomen of zelfs om ons aan te moedigen. In de vele dorpjes die we passeren trekken we trouwens ongewild alle aandacht naar ons toe en heel wat mensen zijn bijzonder geïnteresseerd in wat een koppel van ietwat gevorderde leeftijd begot op een fiets zit te doen. Toch jammer dat we geen woordje Russisch of Armeens spreken, dat zou tot ongeziene inzichten leiden !

De wederom bijna verkeersvrije route (jawel, we zoeken ze op) stijgt tot 1920 meter en de laatste 8 km voor we de drukkere M3 oprijden veranderen zonder aanwijzing van goed naar bar slecht. Pal voor ons zien we de witte tanden van de Aragats vulkaan blikkeren. Die nacht kamperen we in het sparrenbos vlakbij het stadje Aparan en stoken we een groot kampvuur want de temperatuur hier mid oktober op bijna 2.000 m is niet bepaald warm te noemen.

Na een uitgebreid ontbijt met het lekkere Armeense “Lavash”-brood (groot, ellipsvormig, dun en plooibaar) met honing en in het kampvuur opgewarmde choco klimmen we verder naar de Pamb pas (2.152 m).

Daar volgt een frisse – want het weer slaat om – afdaling tot in Spitak stad. Deze stad werd in 1988 bijna compleet verwoest door een zware aardbeving. Een kebab met salade later dalen we nog wat verder af tot aan de westelijke rand van Vanadzor op circa 1400 m.
De M3 slaat hier linksaf en baant zich noordwaarts een weg naar de Armeens/Georgische grens. Vermits de parallel lopende M6 (weet je nog: de door de mysterieuze tunnel versperde weg) een alternatief biedt om in Georgië te raken zijn we bang om op een zeer drukke weg te belanden. Dit is evenwel niet zo. 9 km na de splitsing en al op 1750 m hoogte hebben we de keuze: 1. twee km tunnel door of 2. op de oude pas 300 hoogtemeters verder klimmen. Ik geef Katrien de keuze en ze kiest ook voor de klim. Dat beklagen we ons niet. Het stijgingspercentage is menselijk en de totale klim is maar zeven km. Er is geen verkeer en we zitten in tegenstelling tot de tunnel lekker in het zonnetje. Op de Pushkin pas (2.037 m) staat er een ijzige die de door Iran gesubsidieerde 4 windmolens nijdig laat rondspinnen. In de bosrijke afdaling zien we zelfs berenkak op de baan liggen. Helaas kruist geen enkele pluizige vierpoter onze weg.
In het dorpje Gargar is er volgens mijn “Pocket Earth Pro” applicatie een B&B. De “Geologists house”. We rijden geleid door mijn iPod de straat in, doen navraag bij twee lustig tetterende inboorlingen die prompt naar hun wafelijzer grijpen en een jonge gast optrommelen om ons naar die bewuste B&B te begeleiden.

Daar gekomen is de uitbater net als ons blij verrast. “Hoe hebben jullie mij gevonden ?” Dat weten we zelf niet goed. Er stonden immers nergens bordjes of zo. Mijn app had het blijkbaar juist.

“Armen” de zoon van de ondertussen overleden eigenaar is zijn ouderlijk huis tot een B&B aan het ombouwen. Een ruime comfortabele kamer wordt prompt voor ons vrijgemaakt en ‘s avonds worden we vriendelijk uitgenodigd om aan het familiale diner deel te nemen. We mogen daar absoluut niet voor betalen en de wodka vloeit rijkelijk. Moeder heeft het beste van zichzelf gegeven in de keuken en af en toe komt er een buur binnenwippen om die exotische fietsers eens te zien. Wanneer Armen vraagt hoe oud ik ben, kan ik niet anders dan de waarheid te vertellen: “ik ben vandaag toevallig 46”. Wat volgt kun je al raden: een tweede fles wodka wordt er bijgehaald en de ene toost volgt de andere op in een onverbiddelijk tempo waardoor ondergetekende omstreeks 02.00 met behoorlijk onzekere tred naar de gastenkamer strompelt. We hebben de hele avond en nacht zitten discussiëren en palaveren over alles wat de mensheid aangaat en oververzadigd aan informatie maar vooral alcohol stort ik gistend neer naast mijn reeds diep slapende wederhelft.
De onverantwoord snel volgende morgen ben ik natuurlijk “perte totale” en na een hmm… karig ontbijt vertrekken we pas om 13.00 u.Via Stepanavan sukkelen we verder tot de grenspost Gogavan. Ook daar verlopen de grensformaliteiten – in tegenstelling tot mijn gastro-enterologische toestand – bijzonder ahum… vloeiend.

Waarom er zo weinig verkeer zat op de M3 Vanadzor – Georgische grens wordt direct pijnlijk duidelijk: de weg Georgië in, is zo slecht dat geen enkele weldenkende trucker of automobilist dit ook maar overweegt. Dat, daarentegen beste mensen is een ander verhaal.

Fietsen in en rond Peking (okt ’13)

Ni hao” (“gegroet” in het Chinees, maar dat had je al lang door)

Het is de doorsnee Zandvoordenaar waarschijnlijk nog niet opgevallen, maar het is dezer dagen zeer moeilijk om ons ergens te vinden in onze contreien.
Dat komt omdat wij eigenlijk met onze fiets door de Chinese provincies Beijing en Hebei aan het snorren zijn. Snorren is een groot woord want er moet hier dagelijks heel wat afgeklommen worden.
We zijn zo ergens de derde september ’s morgens in Peking aangekomen en hebben onze intrek genomen in een groot Pekinees hotel van 26 verdiepingen hoog.
Die dag hebben we buiten wat comateus geslaap enkel nog onze fiets in elkaar geknutseld en zijn we ’s avonds vroeg de doos ingekropen.

HINDERNISSEN PARCOURS

De volgende dag hadden we uitgetrokken om uit te vissen of we onze fiets een beetje gemakkelijk op de trein konden krijgen om vervolgens naar Shanghai te sporen en daar ten zuiden van de stad te beginnen fietsen.
Place to be was Beijing South station waar alleen supersnelle, hypermoderne treinen aan een gezapige gemiddelde snelheid van 300 km/h vertrekken.
Na veel gerondvraag uiteindelijk een vriendelijke Chinese dame gevonden die ons wilde helpen met het stellen van de nodige vragen aan de uiteraard ééntalige ticketbalie. Bleek dat het wel mogelijk was om een fiets per trein te versassen, maar dat de fiets in een doos diende te zitten. Diezelfde doos die we de dag voordien deskundig van rond onze fietsen hadden gepeld dus. Ik had redelijk wat tijd nodig gehad om mijn fiets in elkaar te steken, worstelend met heel wat aanpassingen en zag het eigenlijk niet meer zitten om die fiets terug uit elkaar te trekken, weer in die doos te plooien om vervolgens de volgende dag die fiets weer in elkaar te puzzelen (en dat proces nog een keer te herhalen voor de terugkeer). Thuis hadden we twee mogelijke routes in gedachten: 1. ten zuiden van Shanghai fietsen 2. fietsen in een grote straal rond Peking. Optie 2 werd het dus.

Fietsen in Peking zelf valt eigenlijk reuze mee; er lopen brede fietspaden doorheen de hele stad, maar er zijn een aantal addertjes onder het macadam. Niettegenstaande er aan weerskanten van de wegen een breed fietspad is, rijdt iedereen in de richting die hij het best vindt en auto’s vinden zo’n breed fietspad ideaal om lang op te parkeren. Afslaand verkeer houdt enkel rekening met rollend materieel dat groter en dus potentieel gevaarlijker is dan henzelf. De vele collega-inboorling-fietser zwalpt ongecontroleerd over dat fietspad en houdt enkel rekening met zichzelf  terwijl je elektrische brommertjes (of liever: scootertjes) nauwelijks hoort aankomen. Verkeerslichten dienen enkel ter decoratie, dus kruispunten nemen doe je best na een achttal keer van links naar rechts te kijken en boven al dit fraais zijn afstanden in Peking zijn niet te onderschatten, vrolijk geparfumeerd met de nodige roetdampen.
Ondanks al deze venijnige addertjes slaagden we er toch in met behoud van lijf en leden ons in deze krioelende miljoenenstad fietsend voort te bewegen.

Peking staat zo’n beetje synoniem voor “Grote Muur, Tian’ Anmen en Verboden Stad” (heden ten dage heet deze stad-in-de-stad Palace Museum).
De grote muur komt later aan bod, maar het plein van de Hemelse Vrede (nog niet zo lang geleden toch wel iets minder vredig, toen er wat tanks over de stenen rolden) en de Verboden Stad stonden vandaag op het lijstje.
Die stad waar de Ming en de Qing (Qing als laatste) dynastieën (ongeveer van 1400 tot 1900) huis hielden is behoorlijk uitgestrekt (zo’n 2 km lang en eentje breed) en staat vol met belangrijke en imposante gebouwen. Gebouwen waar de keizer audiëntie hield, gebouwen waar de nieuwe maankalender werd voorgesteld, plaatsen waar de keizer zich voorbereidde op een audiëntie, enz.
Aansluitend bezochten we nog het Jingshan park, een bescheiden molshoop van rond de 100 m met 3 tempels erop van waar je een overzicht hebt op de ommuurde verboden stad. Best wel indrukwekkend.

GIJ ZULT NIET KOKEN

Terwijl Katrien bij de groentenleverancier vóór het hotel wortels aan het kopen is en de Chinees tegelijkertijd introduceert in onze rijke Vlaamse taal met het aanleren van het woord “workel”, zit ik hier naarstig als maar kan een nieuw verslagje te typen.
Er staan inmiddels al vier Chinezen strategisch rond Katrien gedrapeerd, enthousiast “wolkel” aan het scanderen in de volle oveltuiging dat dit een Engels woold is. Hahaha, altijd lachen met die Chinezen (en zij met ons zijt daal maal zekel van).
We zitten hier momenteel op een dakterrasje met een frisse 600 ml Tsingtao pint, uitzicht op een sectie Chinese muur en eventjes aan het bekomen van een pittige driedaagse fietstocht om hier te raken.
Hoe dat verliep lees je nu direct. Accrochez vous.

Met 57 km op de teller van alleen in het Pekinese stadsverkeer te rijden navigeerden we met behulp van een pas aangekochte Chinees/Romaans schrift-kaart naar de regio ten noorden van de hoofdstad.
Dat ging heel vlotjes mede dankzij die tweetalige kaart, want de meeste verkeersborden en wegwijzers staan meestal alleen in het Chinees aangegeven, flink lastig voor een westerling.
50 km nadat we ons hotel verlaten hadden, kwamen we op een eerste splitsing die niet op de kaart stond en de Chinese karakters vond ik ook niet terug.
Gokje gewaagd en een kruispunt verder stond er wel iets dat we op onze kaart terugvonden. Onmiddellijk veranderde het landschap drastisch van urbaan  naar weelderig groen bergachtig gebied. De toon werd onmiddellijk gezet; vanaf nu was het klimmen en dalen geblazen.
Een poging ietwat verder om aan een litertje benzine te raken in een benzinestation liep teleurstellend af. Om zelf te kunnen koken hadden we aan een klein litertje benzine genoeg voor ons gasbrandertje. Helaas: geen benzine te krijgen voor brandstofflessen of geen benzineleveringen onder de 50 liter. Je probeert dan  duidelijk te maken met woordenboekjes, handgebaren en dergelijks dat je dat litertje écht nodig hebt om te koken, maar een vastberaden Chinees die de wet respecteert en hoofdzakelijk de sancties vreest bij het niet naleven van die wet, ga je niet op andere gedachten brengen. Ze wijzen dan naar een A4tje vol met Chinees geschrift en denken dat je dat kunt lezen en blijven je daarbij bestoken met Chinees gebrabbel. Dat A4tje vermeldde waarschijnlijk iets dergelijks: “Gij zult geen benzine verkopen aan bleekscheten op fietsen zelfs al betekent dit voor hen de hongerdood“.
Gelukkig vonden we een tiental km verder een basic hotelletje waar we trouwens in de verte een eerste blik op een stukje Chinese muur konden werpen. De uitbater en zijn entourage transformeerden op slag van een lethargische staat naar een bijna molenwiekende euforische staat bij het aanschouwen van onze westerse high tech fietsen en het bijpassend charmerend en intrigerend exotisch man- en vrouwvolk. Na een ietwat onrustige nacht op harde bedden en een op zijn zachtst gezegd vreemd ontbijt (maïspap met pickels, een rood brokje kweetniewat en een vet dik eierkoekbrood) klommen we terug op ons aluminium ros voor het vervolg van het traject richting Simatai alwaar een maagdelijk stukje Chinese muur op ons lag te wachten.
Onder een stralende zon werd ons direct een fikse beklimming gepresenteerd en op de rustige weg werden we constant ingehaald door Chinezen op koersfietsen, mountainbikes, plooifietsen. De tenuetjes varieerden van semi professioneel naar jaren 80 kledingstijl tot het soort samenraapsel van kleren dat onze Zandvoordse Alain M. dagelijks op zijn fiets rondshowt. Blijkbaar heeft de meer welstellende Chinees ontdekt dat je niet alleen een fiets vol kunt stapelen met allerhande producten maar er ook tochtjes mee kunt maken bij wijze van nuttige vrije tijdsbesteding. Ze gaan er op vooruit.
Boven op het colletje stonden de rappe arriveerders de tragere aan te moedigen en wij werden op een heuse staande ovulatie getrakteerd. Er volgde een verfrissende afdaling gevolgd door een volgende fikse beklimming nu naar 1180 m. Geen fietsende Chinese medemens meer te zien ook.
Toen onze krachten zowat grotendeels opgesoupeerd waren en we tegen 18.00 een etablissement in de smiezen kregen dat zo’n beetje op een hotelletje leek, was de keuze ook snel gemaakt. Afstappen, afladen en inchecken. Een welverdiende 600 ml pint volgde en nog later tijdens het avondmaal een tweede.

HET DORP IS WEG

Vertrekkende vanuit ons hotelletje (vlakbij Liulimiao voor de van detailkaart voorzien lezer) begonnen we direct aan een pittig klimmetje en na km drie rolden we een prachtig decor in. Een mooie bergweg kronkelde langs diepe ravijnen en grillige bergtoppen verder het landschap in. Diep onder ons baande een rivier zich een weg door het mooie bergmassief en achter iedere bocht werd het decor indrukwekkender. Op een bepaald moment stond er een filmcrew standby, wachtend op parapenters die in de bergkloof gingen overvliegen.
We reden later langs een groot meer – al flink vermoeid en in het vallende duister – richting Simatai, een plaatsje dat ideaal gelegen is voor een bezoekje aan een mooi stuk Chinese muur.
Dat was echter buiten de naarstigheid van een lokale Chinees gerekend. Simatai is in 2 à 2,5 uur via de expressweg vanuit Peking bereikbaar en daarmee ideaal voor dagtrippers voorzien van een automobiel of aanverwant vervoermiddel. In 2010 zijn ze blijkbaar begonnen met de renovatie van het stuk muur in de buurt  van het dorpje en zoals in China al eens meer gebeurt : de volledige omgeving incluis. Er worden kosten nog moeite gespaard. Dit houdt dan meestal in dat volledig dorpen van de kaart worden geveegd, nieuwe dorpen elders worden neergepoot, een resem nieuwe wegen wordt aangelegd enz. Voor een Chinesobeet (mens die geen Chinees kan lezen of schrijven) die afgepeigerd en scheel van de honger en voorzien van een niet zo gedetailleerde kaart af komt gefietst in het duister en tegengehouden wordt op een gloednieuwe weg die er volgens zijn kaart niet mag zijn is dit uiterst verwarrend en demotiverend. Met behulp van een ontoereikend woordenboekje probeer je dan uit te vissen hoe je in het dorpje dient te geraken, waarop de manspersoon die je de weg verspert een Chinese woordenvloed over je heen kiepert.
En dat is nu eens iets waar wij met ons polderverstand eens niet bij kunnen. Als je als Chinese inboorling nu een persoon voor je hebt die duidelijk niet van de streek is, laat staan continent, die vreemde klanken uitstoot en heel vreemd reageert op hetgeen je in het Chinees (want dat is nu toch een taal die iedereen spreekt?) tegen hem zegt en bovendien een boekje onder je neus steekt en zinnetje aanwijst die zegt “ik spreek geen Chinees“, dan leuter je toch niet verder in het Chinees ? En dat is dus geen alleenstaand geval hé. Elke Chinees die wij aanspreken kwettert onverstoord verder in het Chinees terwijl wij uit pure armoede in het Zandvoords antwoorden en eigenlijk hilarische “gesprekken” voeren. We gaan er eens eentje filmen, dan wordt het heel duidelijk.
Dus nu ook deze Chinees. Wij maar teken doen dat we het niet verstaan en stilletjes aan de moed verliezen (want moe en hongerig en nood aan wat rust) terwijl het kereltje tot vervelens toe waarschijnlijk hetzelfde vertelt.
Uiteindelijk doet hij teken hem te volgen wat we bij gebrek aan alternatief dan ook maar doen. Met zijn elektrisch snorfietsje sjeest hij ons voor terwijl wij gelukkig makkelijk bergaf kunnen volgen. Een drietal km verder rijdt hij ons in het stikduister een pas neergepoot dorp binnen, spreekt een paar mensen aan en verdwijnt weer in het duister. Een ander manspersoon komt op ons afgestapt en zegt : “ I hotel“. Zo’n overdaad aan verstaanbare informatie zijn wij natuurlijk niet gewoon, maar gedwee volgen we de man naar een huisje zoals er wel nog een paar honderd identieke exemplaren van staan in het dorp. Ik vraag hem “is this a hotel ?” waarop hij een verlichte zuil naast zijn deur aanwijst waarop staat “Folk inn”. Blijkt het dus een soort homestay of B&B te zijn. In China begot. De Chinezen gaan ervoor me dunkt. Hij toont ons onze kamer, een ruime mooie kamer met twee bedden en een functionele en westerse badkamer even verder. Eigenlijk heel Europees.
Maar eerst moeten we nog eten en de kerel neemt ons mee naar de hoek van de straat waar een 6 tal personen zitten te kaarten. Eentje stuift er direct in zijn keuken en een kwartiertje later zitten we al te smullen van een lekker doch laat avondmaal.
Een beetje moe van de verloren kilometers en het wat latere uur, kruipen we rond 20.30 in ons bedje.
Simatai dorp, de muur en heel de inboedel is dus gesloten (en dat al sinds 2010), dus sturen we onze bolide in de richting van Jinshanling, een zo mogelijk nog kleiner dorpje net aan de andere kant van de bergkam. Onderhevig aan zwaartekracht én per fiets zijn we genoodzaakt op een weg te fietsen en die lopen dus in veel gevallen niet zomaar de bergen in, maar er vlijtig rond. Nu ook, maar de “omleiding” valt mee en bedraagt slechts 25 km. Rond de middag arriveren we  in het kleine dorpje Jinshangling in de provincie Hebei.
We vinden er vlug een hotel, hebben al direct uitzicht op een stukje muur in de verte en houden ons de rest van de dag onledig met wat slenteren door het dorpje en het schrijven van wat verhaaltjes voor deze site.
Morgen plannen we dus onze eerste bestorming van de Chinese muur, een bouwsel dat tot spijt van wie ’t benijdt NIET vanuit de ruimte te zien is.
Hoe dat verliep en het vervolg lees je verder.

 SLECHTE BUUR = GROTE MUUR

Chinezen hebben altijd al iets gehad met muurtjes. Muurtjes zijn multifunctioneel: je kan er tegen plassen, het breekt de wind, het bemoeilijkt de doorgang van alles wat zich over de grond beweegt, enz.  Het muurtje waar ik hier gewag van maak is er echter eentje van een buitenproportionele omvang. De oud-Chinese medemens was er indertijd al vroeg mee begonnen wat mede verklaart waarom dit bouwwerk zo omvangrijk is geworden. “Indertijd” mag je redelijk ruim nemen, t.t.z. tussen 684 en 645 voor Christus. Aanvankelijk was het eerst een muur van aangestampte aarde, later adobe, nog later stenen en eindigend in baksteen. Er zijn verschillende periodes geweest in verschillende gebieden waarop de muur en zijn nut voorbijgestreefd waren, maar telkens kwamen er nieuwe dynastieën die opnieuw renoveerden, bijbouwden en verbeterden.
De laatste golf van bouwwoede (en dat mag je ook letterlijk nemen want er sneuvelden ontelbare Chinese zieltjes tijdens al dat gesleur, gemetsel en gekap) kwam er tijdens de Ming dynastie (zowat tussen 1372 en 1644).
Na 1644 werd de muur definitief aan zijn lot overgelaten en zorgden weer en wind, plantengroei én de mens voor het verval van dit immens bouwwerk.
Grote misvatting is ook dat de muur een aaneengesloten muur is. Vele stukken zijn compleet vernield en verdwenen, andere stukken zijn ruïnes en een heel kleine minderheid is in verschillende fases en tijdstippen in onze moderne tijd gerenoveerd (en ook op verschillende manieren).
Het stukje waar wij vandaag op gingen lopen, een behoorlijk aaneengesloten stuk slingert imposant als een langgerekte draak over de bergkammen. Om de zoveel meter wordt de muur onderbroken door een grote wachttoren of door een aftakking.

Al vlug ondervonden we dat het geen tochtje op de zeedijk ging worden maar ongemeen klimmen en dalen met variërende graden van steilte. Katriens korte beentjes hadden soms de grootste moeite de bijna halve meter trappen in één keer te nemen. We hadden geluk met het weer, want de wazige lucht begon op te klaren en rond 10.00 u was het zicht onbeperkt. Zover je kon kijken groen beboste bergen en heuvels en daarin een kilometerslange stenen muur slingerend en kruipend door berg en dal.
Jinshanling en de aangrenzende Simatai (mits geopend) en Gubeikou secties zijn daarentegen iets minder makkelijk bereikbaar dan bijvoorbeeld Badaling (het beeld dat iedereen in zijn hoofd heeft van dé muur) en zijn daardoor stukken en pakken rustiger. Badaling is één grote kermisattractie, maar omdat het nog steeds de moeite waard is om te zien ook op ons programma later. Jinshanling overtreffen zal een beetje mission impossible zijn denken we. De massa die erop af komt en de bijbehorende Chinese aanpak van volk lokken én entertainen en het blijkbaar bijbehorende arsenaal aan kermistoestanden en pure kitsch is iets waar de inboorling wild van wordt. Een westerling krijgt hier meestal schuim van op de lippen en een onverklaarbare jeuk op niet nader te noemen plekken op het lichaam.
Jinshanling heeft dat dus niet, is lang genoeg om aan de 75% luie toeristen te ontsnappen als je maar ver genoeg stapt en klimt en afdaalt en klimt en afdaalt.
Bij het ter perse gaan van dit artikeltje is onze klimtocht op de Jinshanling sectie reeds  driedagen passé composté, maar nog altijd doen de bovenbeenspieren én de kuiten pijn bij het nemen van trapjes.
Voor elke would-be China reiziger: Jinshanling, Gubeikou en SimataiMutianyu – en Huanghuacheng zijn de te prefereren stukken muur waar je zonder al te veel kwelende, kwekkende Chinezen én dito kermisattracties mooie muurwandelingen en klimpartijen kunt maken.

KATHEDRAAL VAN LAPSCHEURE

Wat die kwekkende Chinezen en kitscherige attracties betreft (en we hebben helemaal niets tegen Chinezen), wel: da’s eventjes wennen, maar eerlijk gezegd went het niet en irriteert het wel een beetje.
Een Chinees wordt volgens ons behoorlijk ambetant en voelt zich waarschijnlijk zeer ongelukkig wanneer het stil is. Ze hebben een voorliefde voor veel lawaai, praten niet tegen mekaar maar roepen bijna. Vorige nacht nog een zeskoppig groepje jonge snaken proberen diets te maken dat je rond 23.00 u. best niet tegen elkaar staat te roepen vlak voor je hoteldeur in een gang die zo’n beetje de akoestiek heeft van de kathedraal van Lapscheure. Ze kijken dan schaapachtig en doen – zich niet bewust van hun kabaal – ongestoord verder, tot je na nog tweemaal acte de présence te geven denkt je pointe duidelijk te hebben gemaakt. Ze druipen dan af en de stilte omhult je eindelijk als een zacht deken. Denk dan ook maar niet dat je dankzij je doortastend en kordaat westers ingrijpen hen andere oorden hebt laten opzoeken. Oh nee, ze hebben je zeker niet verstaan en zijn waarschijnlijk weg gegaan omdat ze zelf moe werden.
De kennis van het Engels van de gemiddelde Chinees begint en eindigt in het beste geval met een kordaat tot zeer luid “Hallo“. Daarbij scoren ze dan ook meteen bij de omstaanders. Als er dan eens eentje tussen zit die wat Engels kan spreken, moet je je oren spitsen tot in het oneindige, want de hoeveelheid haar die op het Engels staat is vergelijkbaar met de wintervacht van een yak.

Genoeg geklaagd. Is China dan het te mijden land voor lieden die van rust en ingetogenheid en alles wat wij prijzen houden ? Misschien wel, misschien niet, maar er zijn genoeg mogelijkheden om toch rust en stilte te vinden. Vermijd gewoon drukke steden en wegen en blijf weg van de grooooote attracties. Of neem die grote trekpleisters tot je in gecontroleerde doses. Op tijd en stond een portie lawaai kan ook wel eens leuk zijn, maar bij voorkeur niet als er geslapen moet worden.
China is trouwens het land bij uitstek om je eens uit te leven in de miljoenen restaurantjes die het land rijk is. Buiten een zeer gevarieerde én lekkere keuken is het gewoon leuk omdat alles wat bij ons niet kan, hier wel kan. Ondergetekende vindt dit zeer leuk en imiteert zonder gène de inboorling. Hoe dat dan precies is ? Lees verder mijn beste.

Neem pen en papier en kopieer.

Wordt door iedereen gedaan en zijn gewone tafelmanieren:
1. slurpen als een bezetene (slurpen is een manier om je hete noedels gekoeld naar binnen te werken)
2. smekken en eten met open mond. Extra punten voor wie daarbij nog kan praten
3. boeren. heel beleefd; betekent dat je maaltijd heeft gesmaakt
4. servietten, botjes, beentjes alles wat je niet wenst in te slikken: één adres: de grond. Hoe ? gewoon spuwen tiens (op tafel mag ook).
5. van spuwen gesproken: (enkel in eenvoudige etablissementen), de keel eens goed schrapen en ferm rochelen op de grond. extra punten als de eigenaar of ober erover uitglijdt
6. Scheten laten ? Geen probleem. Van al dat methaan in je darmenstelsel wordt je toch maar ongemakkelijk.
7. je spreekt geen Chinees en weet niet wat te bestellen? Ga eens rondlopen in het zaakje, begluur alle borden, haal de ober erbij en wijs gewoon aan wat je wenst te eten. Je maakt er alleen maar nieuwe vrienden mee. Moet je bij ons eens proberen; hà.
8. Verstokt roker ? opsteken die handel ! extra punten voor wie een Havana opsteekt.

Met uitzondering van puntje 5 en 8 (ook de Havana optie) doen we alles op dagelijkse basis. Kwestie van het weer af te leren bij thuiskomst.
Zijn Chinezen dan barbaren ? Neen. Hier gelden gewoon andere regels én zij denken en doen heel anders. Zo is dat trouwens overal ter wereld.

Nog wat pluspunten van onze Chinese medemens ? Er zijn er genoeg:
1. Een Chinees is altijd aanspreekbaar, zij het op restaurant, in het toilet, in gesprek met iemand anders, op de fiets, in de politiewagen, liggend en werkend onder een vrachtwagen,…kwestie van ze gewoon te verstaan en vice versa en daar wringt het schoentje
2. een Chinees krijg je haast niet boos. Boos worden en schelden is “gezicht verliezen” en dat proberen ze ten allen tijde te vermijden. Een Chinees gaat jezelf ongewild eerder boos maken dan andersom
3. ze zijn best hulpvaardig, kwestie van ze uit te leggen wat je wil en hun antwoord te verstaan (zucht)
4. 95% van de Chinezen is zo eerlijk als wat
5. Chinezen bedoelen het in bijna alle gevallen goed, en hebben het beste met je voor (al lijkt het soms wel anders).
6. Je hoeft geen engels te kunnen spreken. Verstaan de meesten toch niet. Met vlaams of eender welke taal geraak je ver genoeg. Bespaar je de moeite in andere talen te denken. Ze worden er trouwens niet ongemakkelijk van. De meesten ratelen ook gewoon door in het Chinees zelfs nadat je uit je vertaalwoordenboekje het volgende zinnetje hebt aangewezen: “ik spreek en lees geen Chinees).
7. Een Chinees lacht gemakkelijk en apprecieert snel een universeel erkend vriendelijk gebaar. Wel opletten met “universeel” want veel van onze gebaren betekenen iets anders in China. Haha, ’t blijft spannend.
Ik ga maar stoppen, want de helft van jullie heeft misschien al afgehaakt, maar deze blog dient ook nog een beetje om de gaten ter grootte van een gemiddelde emmenthaler in mijn brein virtueel te dichten. Memories, overpeinzingen, anekdotes, veel vervliegt, papier blijft bestaan.
Volgend verslagje beschrijft de fietstocht van de Jinshanling muur naar de Badaling sectie én de wandeling erop. En wat meer is: ik hou het kort, want kort is ook goed en lang is een Chinees.
Salut

 NAAR DE KERMIS

Met een tiental kilometer muur in de kuiten ging het fietsen een stuk minder vlotjes. Onze route vandaag liep langs een verzameling van kleine witte lijntjes op mijn primitieve landkaart. Geen drukke wegen dus, maar wel degelijk een potentieel groot risico op radeloos verkeerd rijden.
De witte lijntjes in kwestie bleken inderdaad kleine wegen te zijn waar amper verkeer op zat en wegwijzers of borden stonden er gedurende de hele dag niet. Toch zijn we geen enkele keer verkeerd gereden en dat dankzij volgende strategie: 1. schrijf op een stukje papier een aantal dorpjes die op je kaart staan (in Chinese karakters natuurlijk) 2. vraag bij elke splitsing aan de hopelijk aanwezige inboorling welke richting je uit moet fietsen 3. vraag het even verder nog maar eens voor alle duidelijkheid 4. spreek de naam van het dorp niet uit maar wijs gewoon naar je blaadje papier. Deze aanpak werkt dus écht heel goed en daardoor arriveerden we diezelfde avond na een heerlijk rustige rit in het nietige Tanghekou in een even nietig en simpel logement.

De volgende dag reden we constant in een diepe kloof langs een brede rivier, maar het zicht op de nochtans zeer nabije bergen was ver van klaar. Het liep voortdurend lichtjes bergop en op het einde van de canyon kwamen we bij een stuwdam. Een 8 km lange klim gevolgd door een iets langere afdaling bracht ons die avond in Yongning.
De 43 km die ons van Badaling scheidden waren rap weggefietst en al vlug zaten we goed en wel geïnstalleerd bij een ouder koppeltje die van hun boerderij een logies gemaakt hadden. Met een dagje muurklimmen in het verschiet gingen we even de boel verkennen. De weg naar de ingang van de Badaling sectie van de Chinese muur wordt geflankeerd links en rechts door souvenirzaakjes en andere commercie bedrijvende etablissementen. Een hardnekkige mist en koude wind dreven ons snel terug naar ons kamertje waar we direct spontaan op onze knietjes vielen en twee uur lang tot de weergoden baden om mooi weer voor morgen.

En dat geschiedde ook. Een stralend zonnetje, blauwe lucht en nauwelijks wind. Ideaal om wat te gaan afzien op de muur.
Al vlug werd het duidelijk dat we niet alleen waren.
Hele bussen en treinladingen vol waren al op weg naar de muur.
Bij de ingang kun je zowel links als rechts aan de muur beginnen, maar rekening houdende met de stand van de zon en het zicht op de rest van de muur kozen we om met het rechter gedeelte te beginnen. Dat was duidelijk minder bevolkt dan het linker gedeelte. De muur hier is volledig gerestaureerd en is best indrukwekkend. Misschien wel iets te gerestaureerd. Sommige stukken waren zo steil dat menig Chinese mede toerist zich krampachtig aan de ijzeren leuningen vastklampte ter ondersteuning (in Jinshanling -ter vergelijking- zijn er nog steilere stukken zonder die ijzeren hulpstukken).

WORTEL TERREUR

Het linker gedeelte was op zijn zachtst gezegd een pak drukker. Als een processierups wrongen we ons tussen de toeristen door naar boven. Het meest te ontzien gedeelte is tussen het stuk waar je het hoogste punt van de muur bereikt (rond de 880 m) en de kabelbaan. Er was bijna geen doorkomen meer aan. Voetje voor voetje schuifelend naar boven omsingeld door honderden kwelende, kwekkende Chinezen en af een toe een handjevol westerlingen. Voorbij dat hoogste punt duikt de muur als een waterval naar beneden en op slag is de massa verdwenen. Je bent er wel nog niet alleen, maar het scheelt al een stuk. Hoe verder je dan gaat, hoe minder druk. Op een bepaald punt kom je aan een dichtgemetselde wachttoren wat meteen het einde betekent van het te bewandelen stuk muur. Je ziet de muur evenwel nog kilometers lang in de verte weg kronkelen tot het bouwsel na de zoveelste bergkam uit het zicht verdwijnt.

Terugkeren naar het beginpunt kun je door op je stappen terug te keren om nogmaals die flessenhals te doorworstelen of je kunt de weg  nemen die terug naar de ingang leidt. Daarbij passeer je nog tientallen souvenirstalletjes en twee plaatsen waar een aantal zielige beren om worteltjes zitten te bedelen. Voor 3 yuan mag je dan wortelen gooien. Zeer groot was mijn goesting om de wortelcommercant samen met zijn oranje attributen in de put tussen de beren te katapulteren. Ik had er graag 30 yuan voor betaald. Enkel China’s meedogenloos rechtssysteem weerhield mij hiervan. Een gemiste kans.

 KORT LONTJE

Met Badaling nog vers in de kuiten begonnen we aan het vervolg van ons fietstripje.
Een 2 of 3 tal dagen fiks door stampen had ons moeten in Wutai Shan brengen maar de immer presente rimpelingen in het landschap zorgden ervoor dat drie dagen uiteindelijk zes dagen werden. De rimpelingen muteerden van korte klimmetjes naar lange beklimmingen, culminerend in een epische beklimming van Wutai Shan.

Over de eerste vier dagen kunnen we relatief kort zijn: we opteerden voor de meest directe route richting Wutai Shan, daarbij kiezend voor de “groene” wegen op mijn kaartje. “Groen” staat voor de iets rustigere weg, maar in China weet je maar nooit. Onze fietstocht in de ruime omgeving van Peking op die groene wegen was een meer dan welkome afname in druk verkeer t.o.v het hectische Peking zelf. De groene wegen waar we nu op zaten waren echter een stuk drukker en werden fel gefrequenteerd door luid toeterende kolenvrachtwagens. De regio rond Peking en Datong is steenkoolgebied en dat hebben we aan den lijve ondervonden. Niet door smog, maar juist door die vrachtwagens en de vele steenkool-verdeel-bedrijfjes langs de weg. Voeg hierbij nog een heel legertje “rekketeks” (zo noemen wij die driewielerige kleine vrachtwagentjes naar het geluid dat ze produceren) die dikke zwarte roetwolken onze richting uit spuwen  en nog een ferme kudde grote en kleine bussen en je begint al te begrijpen dat er leukere fietsroutes zijn. Als het droog is, heb je heel wat opwaaiend stof en krijg je bijna spontaan stoflong. Als het regent zie je eruit als Bart Wellens na een slijkerig cyclocross wedstrijdje.

Hoogtepunten tijdens die 4 dagen? Waren op één hand te tellen: 1. het hangende klooster nabij Hunyuan (als een zwaluwnest hangend aan een imposante rotswand zo’n 70 meter boven de begane grond) 2. China’s oudste en hoogste houten pagode in Ying Xian. 3. Katriens steeds imposanter wordende kuiten 4. Henks steeds korter wordend lontje.***

Op dag vijf veranderden we van rijrichting bij het verlaten van Ying Xian en stevende onze route recht af op de als een muur voor ons liggende bergen.
Zonder pardon liepen de eerste drie kilometers steil de bergen in en na een korte afdaling klommen we iets minder steil verder in een mooie bergkloof om in de late namiddag al te arriveren in Sha He. Het was amper 15.30, maar een volgende beklimming lag al te wachten op ons en die was niet van de poes. Dachten we. Dus einde rit.

Tijdens een avondmaal in buffet-stijl in een overdruk volksrestaurant hoorden we buiten een hele reeks knallen en ontploffingen. Vuurwerk zoveel was duidelijk, maar een reden of aanleiding voor deze buskruiterige uitspattingen hadden we niet meteen. Al moet er niet direct een reden zijn, want Chinezen en vuurwerk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Pak de Chinees zijn vuurwerk af (het stinkt en maakt een hels kabaal, woehoe) en het volk verliest direct zijn reden van bestaan. Maar de intensiteit en de duur van deze vuurwerkorgie moest toch wel een verklaring vinden in een of andere feestdag of zo.
En zo was het ook: mid-herfst. De westerling die niet door de uiteenspattende vuurpijlen, gillende keukenmeiden, en kettingbommen (of hoe heet je zo’n oneindige reeks klappertjes die klinken als mitrailleurvuur?) afgeleid is, kan her en der kleine “altaartjes” met offergaven ontdekken. Een bedanking richting zwerk én goden voor het voorzien van zovele vruchten en groenten tijdens de oogst? Mogelijk.
Ooit al eens iemand met een brandende sigaret vrolijk een vuurwerkwinkel zien binnenstappen ? Hier geen probleem. Het arsenaal aan vuurpijlen en dergelijke dat zo’n doorsnee prutswinkeltje verkoopt is naar onze bescheiden mening genoeg om het ruimteveer Challenger naar Sirius en terug te schieten.
Toch één Chinese jonge vrouw met verschrikt gezicht, tranen in de ogen en vingers in de oren zien vluchten voor al dat geweld.

CHINESE COL BUITEN CATEGORIE

Dag zes dan; de rit van Sha He naar Wutai Shan en een rit die wel eens de koninginnenrit zou kunnen worden. Dachten we. Starthoogte 1000 meter, eindbestemming 1700 meter, met naar alle waarschijnlijkheid een welriekend colletje daartussen.
Wutai Shan zelf is de naam van de hoogste bergtop (3050 m) en één van de vele locaties met tempels en kloosters in een ruimer gebied. Dit gebied is één van de vier belangrijke gebieden in China voor het Boeddhisme.
De klim begon onmiddellijk bij het buiten rijden van het hotel en zou zo’n 35 km lang aanhouden. De weg bleef maar eindeloos in een schitterend berggebied naar boven kronkelen om zo op 2520 m hoogte uiteindelijk weer af te dalen tot in Taihuai, het dorpje met alle toeristische voorzieningen. De klim was lang maar was eigenlijk best vlotjes verlopen en in de vroege vooravond hadden we al een dak boven ons hoofd. We waren beiden wat verkleumd, want daarboven was het goed fris en tijdens een afdaling krijg je niet veel warmer. Het weer was bovendien weeral eens van morgenzon naar sluierwolken en laaghangende soep geëvolueerd, dus dat bevordert ook niet echt het warm krijgen.

Na zes dagen onafgebroken fietsen en eigenlijk nog maar twee “rustdagen”, was het wel weer eens tijd om een dagje ter plaatse te blijven. Die twee “rustdagen” waren eigenlijk ook verre van rust, er kwam weliswaar geen fiets aan te pas, maar het beklimmen van die duizenden steile trappen op die twee stukken muur is
ook behoorlijk intens.
Een echte rustdag dus nu, met het gezapig kuieren in en rond enkele mooie buddhistische tempels en kloosters en het gemoedelijk kuieren in de vele winkeltjes en streekproduct stalletjes.

Hoe we ons verder door China bewogen lees je in een volgend en laatste verslagje.

*** Het samenvallen van druk verkeer, stof en lawaai, steenkool partout, de Chinese drang naar vooruitgang ten koste van vooral natuur en het ontbreken van die mooie natuur en gewoon de globale lelijkheid zorgden ervoor dat ik toch wel wat mokkend en humeurig op mijn fiets rondreed. Katrien had er minder last van, maar ik miste vooral de rust en de natuur

ZIMBABWAANS BRUIN

Compleet gekloosterd en klaar voor het vervolg van onze fietsreis trokken we de hoteldeur achter ons dicht en onder een volledig dichtgetimmerd wolkendek lieten we Taihuai achter ons. Na een 25 tal km zachtjes bergaf te sjezen, volgde een korte heftige klim van zo’n 200 hoogtemeters. Intussen waren we ook helaas dat dichtgetimmerd wolkendek in gefietst. Spreek je nog van mist als je klimmend de wolken in fietst ? De korte klim werd gevolgd door een zeer lange afdaling tot bijna zeeniveau doorheen een machtig decor die duurde tot we onze eindbestemming van de dag bereikten. Klein detail was dat we door dat wolkendek dat als het ware met ons mee afdaalde weinig van dat machtig decor konden zien. Hoe weten we dan dat het een machtig decor was ? Hmm. We dwalen af. Wie zich dat ook afvraagt moet maar mailen.

De volgende dag begon onder een zo mogelijk nog meer dicht-getimmerd uitspansel.
Tot een flink stuk in de namiddag trotseerden we een felle regen en bevuilden we ons zelve met al dat nat geworden prut van de weg. Slijk, kolengruis en Chinezenmochels* (de inboorling schraapt de keel luid- keels en rochelt*** dan vol overgave richting wegdek) en meer van dat fraais. Voorbij stuivende vrachtwagens lanceerden die onverkwikkelijke mix van op de weg recht op ons en zorgden ervoor dat we al snel zo smerig waren als het wegdek zelf.
Voor we ons hotel binnengingen die avond gaven we onszelf buiten een flinke afspoelbeurt onder de waterkraan. Vergeet alle flacons zelfbruiner, en fiets gewoon een uurtje bij regenweer langs Chinese wegen en je ziet vanzelf Zimbabwe-donkerbruin tot zwart.

Onze landing uit het hooggebergte vond zijn hoogtepunt (laagtepunt eigenlijk) op zeeniveau in Baoding. Een zoveelste stad waarbij je eerst tientallen in aanbouw zijnde woonblokken tot wel 30 hoog passeert vooraleer tot de chaotische kern door te dringen. We aten rond de middag een volledige eend met bijhorende deegwaren en groenten en dat smaakte bijzonder goed. Vanaf heden bekijk ik de nobele Zandvoordse Keignaert-eend met geheel andere ogen. Wie mij eerstdaags kwijlend langs de Keignaert oevers ziet strompelen weet wat er in mij omgaat. Zouden de verschillende soorten anders smaken? Een wetenschappelijk doch ervaringsgericht onderzoek dringt zich op.

We hadden geen zin om opgeslokt door het drukke en stoffige verkeer de Chinese hoofdstad binnen te karren en besloten de 130 km die Baoding van Peking scheidt per bus te overbruggen. Na heel wat Babylonisch over en weer gecommuniceer in het grote busstation geschiedde aldus.

De km teller stond ondertussen op 1300 km en gezien onze ervaringen de vorige dagen op stoffige en drukke wegen met net iets te weinig natuurpracht en rust, hadden we  besloten om de laatste week van onze vakantie  per trein (én zonder fiets) naar het zuiden van China te sporen.
Of dat lukte verneem je in het allerlaatste verslagje van deze 2013 reis.

***de mochel wordt uitgescheiden d.m.v. de rochel (of was het nu vice versa?) Voor vragen; één eamailadres

LI-MET-DE-PET

Na een zeer zonnige smogloze Pekingdag die o.a. diende om treintickets te regelen naar het zuiden (terug tickets hadden we online al geregeld) stonden we op 26 september als twee glunderende peuters op de eerste schooldag klaar om de G101 Bullet trein van Peking naar Shanghai te nemen. China’s paradepaardje op treingebied is een mooi staaltje technisch vernuft op zijn Chinees. Een slanke gestroomlijnde witte HST (hard sjezende trein) stond stampvoetend op ons te wachten. Amper een aantal km weg van het station haalt het beest al alles uit de kast. Aan een rotvaartje van 306 km/h knalden we de 1350 km naar Shanghai in 5 uur 30. Het kan nog rapper, maar deze Bullet hield een viertal maal halt.

Hop de taxi in, verkassen naar Shanghai Zuidstation om 2 uur later de K181 naar Yushan te nemen. Afstand: 700 km ongeveer. Deze lange-afstandstrein van Shanghai naar Kunming deed er ongeveer 7.30 u. over.
Topsnelheid: 80 km/h. “Hard seat” wat betekent : goedkoopste ticket en drukste coupés. Tussen de Li-met-de-pet.
Vriendjes gemaakt met mister Li, die ons bij aankomst in Yushan om 22.50 u. meetroonde naar de wagen van zijn wachtende broer en ons  vijf minuten later afzette aan een hotel en alles regelde voor ons. De volgende morgen had ie beloofd ons de resterende 50 km naar Jinshan te voeren, maar een overijverige baas eiste zijn enige vrije dag op en dus kon hij ons alleen maar naar het busstation voeren. En dat lag een duizelingwekkende 200 meter van het hotel. Maar meneer Li stond er die morgen, reed de 200 meter, begeleidde ons mee naar het busstation en betaalde zowaar ons busticketje.
Een uurtje later stonden we in Jinshan aan de voet van Sanqing Shan (shan spreek je uit als san en betekent berg). Hier planden we vier dagen om de vele wandelpaden te verkennen van deze berg.

Het berggebied is (bij gunstig weer) ont-zet-tend mooi en zou de komende dagen de spreekwoordelijke pleister op de tekort-aan-natuur-wonde moeten worden.
Wie ooit al eens de plaatselijke meeneem Chinees heeft bezocht thuis, heeft waarschijnlijk al dan niet bewust de kitscherige schilderijen en kalenders gezien met grillige scherpe pieken, groen bebost en gehuld in mysterieuze nevelen. Zo ziet het er hier uit !

DUIZELINGWEKKENDE AFGRONDEN

Gewapend met een nogal primitief kaartje trokken we met gemengde gevoelens (want toch wel zeer dikke mist) de eerste morgen de bergen in. De eerste 800 hoogtemeters pleeg je in een kabelbaantje (kabelbaantjes, lawaai, vuurwerk, toeteren, rochelen, copieuze maaltijden waar je maar een vierde van opeet, groepsactiviteiten, de sigaret, de rekketek én de auto zijn allemaal onmisbaar en noodzakelijk voor een gelukkig en voorspoedig Chinees leven).
Op 1200 m stap je uit het bakje  en wacht een redelijk uitgebreid netwerk van wandelpaden op de toerist.

De term “paden” is echter relatief. Het betreft  hier namelijk een bont samenraapsel van houten steigers door naaldwoud, steile trappen tussen rotsen en betonnen “zwevende” steigers. Vooral die steigers stelen de show en dragen bij tot de majestueuze uitstraling van het gebied.
Die betonnen steigers zijn namelijk best lang (variërend van enkele meters tot bijna 4 km.) en zijn veelal aan loodrechte rotswanden verankerd. Wanneer je dan over de balustrade kijkt, eist een duizelingwekkende diepte al je aandacht op. Voor je, naast je, achter je, boven en onder je zie je ontelbare grillige granieten rotspieken en formaties die treffende namen gekregen hebben zoals: king monkey looking at treasure, 2 pinguins presenting peach, giant boa, fox gnawing at rabbit, eastern goddess, sea lion eating moon enz.
De benamingen lijken vergezocht, maar veel fantasie moesten we niet aanboren. Het leek wel alsof een aantal artiesten druk in de weer waren geweest met het beeldhouwen van die rotsen. Niet dus. Puur natuur.
Als kers op de taart staan knoestige en door weer en wind geteisterde naaldboompjes krampachtig (maar met succes) houvast te zoeken in het graniet. Check de foto’s die volgen en veel zal duidelijk worden.

De eerste dag echter niet zo bijster veel gezien wegens de dikke mist met uitzondering van een tweetal uur waar de wolken een niveautje hoger gingen hangen en we eindelijk vat kregen op het landschap.
Maar net die mist/wolken maakt ook de charme uit van dit berggebied. Als het bijvoorbeeld in flarden rond of tussen bergen hangt, of als het dal in wolken is gehuld en de pieken vrij zitten.

De volgende drie dagen waren qua weer ronduit schitterend en onze digitale kameraadjes transfereerden ontelbare megabytes richting memorycard. Ze gloeien nog altijd na.

EEUWIG LEVEN ! IEMAND ?

Het is niet enkel een wreed schone bergzone, maar ook één van de weinige plaatsen waar het Taoïsme ongehinderd kon verder floreren en waar de vele tempels niet vernield werden tijdens de culturele revolutie onder grote roerspaan Mao (zonder kabelbaantje en betonsteigers behoorlijk ontoegankelijk).
De monniken waren destijds (nu iets in mindere mate) op zoek naar het eeuwige leven en hadden -zo beweren althans sommige tongen – bronnen die het eeuwige leven boden. Ze maakten zelfs (kruidige) pillen die de slikker ervan het eeuwige leven gaven.

Enige smet op al dit moois was weerom dat we niet alleen waren. En dat geldt eigenlijk zo’n beetje voor het gehele Chinese grondgebied.
Ze zijn namelijk met heel veel en ze zijn overal, Tibet en de Chinese woestijnen uitgezonderd. En ze zijn er vooral wanneer een van de twee “golden weeks” aanbreken. “Golden weeks” zijn zowat de grote vakantie in China en duren welgeteld 7 dagen .
Deze golden week was er naar aanleiding van de nationale feestdag van China (1 okt).
Dan neemt iedere Chinees die over minstens een paar Yuan beschikt in volgorde van rijkdom ofwel 1. Een week vrijaf thuis, 2. de bus 3. de trein 4. de wagen 5. het vliegtuig. De overgrote meerderheid reist in eigen land en als je weet dat ze met 1.2 biljoen zijn, dan moeten we er geen tekeningetje bij maken denk ik zo maar een beetje.

Chinezen reizen ook bij voorkeur in groep. Dan loopt er een gids voorzien van megafoon of persoonlijk luidsprekersysteem én bijpassend vlaggetje op lange stok luid kwekkend van het ene punt naar het andere punt. Iedere groep heeft minstens een tiental eenheden die niets liever doen dan luid roepen en tieren. Wanneer een vergelijkbaar tiental in een andere groep op afstand dit hoort, moet dit beantwoord worden middels liefst nog luider gebrul en geroep.
Niet iets wat je met bergen vereenzelvigd.

Wat minder storend is, maar minstens even typerend is dat de doorsnee Chinese madam haar beste zondagse tenue aantrekt voor een uitje in de bergen. Denk aan gigantische sjacossen, korte minirokken met kousenbroeken, naaldhakken en hoeden die niet zouden misstaan op Waregem koerse.
Dan moet je wel weten dat als je iets wil zien van het gebied, onorthodoxe trappen met een onverbiddelijke steiltegraad (en ze komen zonder overdrijven per duizend treden opeenvolgend), liters zweet en gietende regen, hardnekkige mist en gierende wind, hoogteverschillen van 300 meter per stukje traject je deel kunnen zijn. Chapeau voor deze grotesk opgetutte madams, maar wij waren maar al te content met onze stoere bergstappers, rugzak voorzien van poncho, drank enz.

September 29 en 30 waren doenbaar qua drukte, oktober 1 en 2 waren circus.
Hou je niet van beklemmend veel volk, mijdt dan de eerste 7 dagen va oktober, ergens een week in mei, en Chinees nieuwjaar (februari ?)
Op andere dagen is er gewoon veel volk. Ze moeten natuurlijk ook ergens lopen, rijden, rochelen en roepen hé.

De fietsloze bekroning van deze fietsreis eindigde met de in twee stappen verlopende treinreis (2000 km) terug naar Peking, het fietsen van hotel 2 (waar al de rest van de bagage + de fietsen stonden) naar hotel 1 (waar de fietsdozen stonden en ons start- en eindhotel) en het prepareren van onze bagage voor de nu toch wel zeer nakende vliegreis naar huis.

 

Slalommen tussen buffels en olifanten (Tanzania okt ’11)

Jambo, Jambo,

Of nog beter, hujambo , Swahili voor ; “hoe gaat het met je ?

Vooreerst, het is hier verdraaid moeilijk om internet te vinden en als je er dan al gevonden hebt verdwijnt je volledig getikte tekst in het cybernieks door één van de dagdagelijkse stroompannes. Ferm frustrerend.

FIETSEN DOOR EEN WILDPARK

Het begin van onze reis verliep zeer voorspoedig vanuit Dar Es Salaam over de drukke Tanzam highway die Tanzania met Zambia verbindt in een globaal geziene noord-zuid richting.

De kindjes stormen vanuit hun hutjes naar de weg, “mzungu !!!” roepend (witte mens), soms gillend uit hun prille longetjes en de volwassenen doen iets gelijkaardigs, maar een beetje minder enthousiast.

Qua eten is het leven hier behoorlijk simpel, ofwel is het kuku met chipsi of wali (kip met friet of rijst) ofwel is het mbuzi (geit) met diezelfde combinatie en als je geluk hebt is het stadje of dorpje een rivier of meertje rijk en serveren ze er de vis uit. Is de plaats iets toeristischer, dan vind je ook wel iets anders op het menu, lees: meer westers.

Op de derde dag van onze reis moesten we Mikumi nationaal park doorkruisen per fiets waar naar het schijnt heel wat actieve en carnivore creaturen in rondlopen. 50 km lang loopt de doorgaande A7 door dit wildpark en op foto’s op Google earth (check maar eens) zie je groepjes leeuwen langs de kant van de weg liggen.  Best spannend kunnen we verklappen, want niettegenstaande leeuwen gedurende de dag zelden jagen (wegens de hitte) zijn we toch niet heel zeker dat ze kunnen weerstaan aan twee weldoorvoede, sappige voorbijfietsende vlamingen. Continue de weg afspiedend passeerden we het controlehutje  waar de parkwachter ons eens vluchtig bekeek en vervolgens verder kletste met zijn collega. Er stond een lichte wind en de weinige bladeren ritselden ongestoord in de wind.  50 km lang scanden onze ogen en oren de onmiddellijke omgeving af. Geregeld zagen we olifanten, buffels, apen, giraffen vanop de weg door de savanne struinen, maar de gevreesde leeuwen waren niet op de afspraak. Waren we nu ontgoocheld of opgelucht ? Ik weet het nog altijd niet.

De leeuwen hebben we later ten overvloede gezien vanuit de comfortabele veiligheid van een safariwagen. Op een bepaald moment was de afstand leeuw – Henk slechts één meter.  Zo geruisloos mogelijk en ietwat nerveus schoof mijn linkerarm naar het hendeltje om het raampje omhoog te draaien.

De fietsen houden zich goed, niettegenstaande de wegen hier soms nauwelijks wegen te noemen zijn.  De Chinezen zijn hier opvallend “en masse” neergestreken om alles in de tarmac te gieten. Dus; gravel lovers: haast je voor de Chinees hier alles verhardt.

Wij zitten nu in Babati, een stoffig nest (net als zovele andere plaatsjes) op twee dagritten van Arusha. We hebben net twee verschrikkelijk harde dagen achter de kiezen.  De weg vanuit Dodoma (hoofdstad) richting Arusha is hier namelijk geen weg meer te noemen maar is één grote zandbak met keien afgewisseld met ingewand onvriendelijke ribbelstroken, wasbord voor de kenners. Onze vooruitgang was dan ook te vergelijken met die van twee kreupele palingen in een confituurpot. Maar desalniettemin bereikten we elke avond ons doel. Morgen wacht ons een zalige strook asfalt all the way  naar Arusha.

In Arusha  gaan we proberen een wagen te huren voor een week teneinde het fameuze Ngorogoro park en het even fameuze Serengeti park te bezoeken en “en passant”  Ol Doinyo Lengai, een actieve vulkaan te beklimmen. Als we die vulkaan effectief gaan kunnen opkruipen zal afhangen van: 1. kunnen we een wagen ritselen ?, 2. kunnen we gemakkelijk ter plaatse raken (we zitten hier per slot van rekening niet in de polders) ? én 3. kunnen we een gids ritselen ?
Voor den elektriek hier weer uitvalt post ik vlug dit berichtje en groet jullie cordiaal vanuit het tropische Tanzania.

IN EN ROND ARUSHA

Het heeft bloed, zweet en tranen gekost om in Arusha te raken. Giftige hellingen, strakke tegenwind, maar vooral een bar slechte weg persten beetje bij beetje alle jus uit onze vlaamse kuiten. Maar vlaamse kuiten kunnen heel wat aan. Eergisteren (13 oktober) werden we aangenaam verrast door een strook biljart effen fluisterasfalt, niettegenstaande onze kaarten nog stoffig en ribbelig grind beloofden. In pure extase draaiden we de pedalen rond als twee hamsters in zo’n draaimolentje en om 12.00 uur hadden we al 68 km op de teller. Wat asfalt al niet vermag. Nooit en te nimmer klaag ik nog over de slechte staat van bijvoorbeeld de Oostendse Velodroomstraat of het voormalig Gistels kassietje, want dit zijn/waren juweeltjes van wegenkundig vernuft in vergelijking met dat onding hier.
Maar het levert wel mooie plaatjes op; veel inboorlingen verplaatsen zich op oubollige Indische of Chinese fietsen voor korte tot middel lange afstand en meestal hangen daar dan nog 3 plastic tonnen met water aan vast, of een stapel hout, of een fikse bundel suikerrietstengels, of een gevlochten mandje met kippen of iets dergelijks erin.
Naarmate we Arusha naderden kwamen de Masai steeds prominenter in beeld. Meestal langs de kant van de weg hun geiten of koeien leidend, ook veel op de fiets gewapend met traditionele stok, autobandsandalen aan de voet, en omwikkeld met rode, paarse doek.
4 van die masai hebben we ook specifiek om een foto gevraagd, maar die waren dan ook schitterend geschilderd op het gezicht.
Hier in Arusha zijn we na aankomst direct aan het onderhandelen geslaan om een jeep te huren voor een aantal dagen en om een actieve afgelegen vulkaan te beklimmen ( Ol Donyo Lengai). Morgen vergelijken we verder prijzen en hopen dan op 16 oktober effectief te vertrekken. Parken die we zullen we binnenrijden : Manyara, Tarangire, Ngorongoro en Serengeti. Hopelijk zien we eens van die gespikkelde snellopers (cheetahs) of luipaarden want die ontbreken nog op ons lijstje.
Wanneer ik dit berichtje kan posten weet alleen Joost, want internet en de betrouwbaarheid van den elektriek kunnen euhm…heel wat beter laat ons zeggen. Tot de volgende

PARKEN EN VELE VELE DOLLARS

Hujambo folks,

Jawel, het huren van een Landrover Jeep is gelukt al zijn daar toch wel enkele uren over gegaan. Auto’s huren wordt hier zelden gedaan en als je probeert te huren zit er meestal een chauffeur/gids aan vast zodat de totale vrijheid een utopie blijft. In het beste geval kan dat kereltje teen en tander leerrijks uit zijn mouw schudden maar onze vorige twee chauffeurs/ gidsen hun commentaar hadden we zelf wel kunnen verzinnen. Bij het naderen van een olifant zeiden ze ” olifant” en bij het zien van een giraf: “giraf”. Tja, beter alleszins dan “giraf” roepen bij het zien van een olifant, maar veel wijzer word je daar niet van. Vroeg je om een naam van een vogel, dan bleef het arctisch stil.
Zonder gids dus, zelf dat robuuste staaltje Brits technisch vernuft besturen en hopen niet te verdwalen in de onmetelijke afrikaanse vlaktes.
En zo reden we respectievelijk Tarangire, Manyara, Ngorongoro en Serengeti National Park binnen. Een zeer prijzige bezigheid daar je per park van 35 tot 50 $ per persoon en per 24 uur dient te betalen, vermeerderd met 30 $ per persoon per nacht voor een basic kampeerplaatsje, plus nog eens 10.000 Tanzaniaanse shilling voor een binnenlands geregistreerde wagen. Afdalen in de Ngorongoro krater kost je 200 $ per wagen en je moet er nog eens een gids bijnemen én je mag max. 6 uur ín de krater vertoeven.
Als je dus een aantal van die parken combineert, is de Tanzaniaanse schatkist een flink stuk rijker geworden (x duizenden toeristen). ’t Is dan ook des te wraakroepender dat met die gigantische geldstroom niet veel gedaan wordt.
Maar de residerende beestjes zijn dus waar je voor komt, en met een beetje geluk zien je van knappe tot heel knappe dingen. Onze eerste luipaard zagen we in Tarangire een uur voor zonsondergang uit een boom glippen, recht op onze auto afstevenen, voorbij de neus van de wagen stappen, en regelrecht de savanne in op zoek naar iets warmbloedigs om zijn/haar scherpe bijters in te zetten.
Leeuwen hebben we in overvloed gezien; meestal slapend/luierend onder een boom in de schaduw, soms spelend met elkaar, soms vervaarlijk grommend naar die pesterige dingen in die blikken dozen op wielen (de safarist-toerist) en heel af en toe eens gedreven knagend en trekkend aan een dode olifant of iets dergelijks eetbaars.
Tijdens de ochtend van de dag dat we omstreeks de middag het befaamde Serengeti national park uit moesten zijn, viel onze robuuste Landrover Defender (door mezelve ondertussen “onze trusty steed” ofte ons trouwe werkpaard genoemd) volledig onverwacht in een Tanzaniaanse panne. Pannes komen meestal onverwacht en nu was het niet anders. Plat op de buik onder de wagen want van daar ergens kwam een nogal verdacht en ongezond geluid en speurend naar een onderdeel dat ofwel weg was, ofwel in verwrongen of gespleten staat. Al snel kreeg ik de linkerachter schokdemper in het snotje en zag daar iets wat me niet echt zinde. Een kapotte amortisseur ! Terdju, wat nu ? Een 5 tal minuten later stopt er een gemotoriseerde inboorling en samen plaatsen we de twee losgekomen onderdelen terug in elkaar en kunnen we “pole, pole” verder rijden.
Maar een 15 tal kilometer verder schiet diezelfde schokdemper terug in een deuk wanneer we iets te snel over een ferme bobbel rossen en zijn we terug bij af. We beseffen nu dat die schokdemper ons in die staat geen 250 km over bar slechte grindwegen all the way naar Arusha zal brengen. Aan 20 km/h sukkelen we met een kapotte achtervering naar de entrance gate waar we 1. terug ontvangst hebben op onze gsm en het verhuurbedrijf kunnen bellen om instructies, 2. eten en drinken voorhanden is en 3. misschien iemand is die ons beter kan helpen. En dat blijkt ook te zijn; het verhuurkantoor heeft overal zo zijn mannetjes en één van die mannetjes vervangt onze kapotte demper met een 6e handse demper en geeft voor vertrek een hele exposé en uitleg waarvan ik slechts één iets versta: pole,pole; het Swahili voor rustig rustig. Dat proberen we ook te doen, maar wanneer je de Serengeti uitrijdt, kom je in de Ngorongoro conservation area terecht, dien je 50$ per persoon te betalen, zelfs om er gewoon te passeren (terwijl dit een “gewone” weg is die twee steden verbindt, zonder enig ander alternatief) en moet je rekening houden dat de entrance gate (voor ons de uitgang) om 18.00 u sluit. We hadden geen proviand meer, en hadden geen zin om nog eens 2 x 30 dollar uit geven voor een simpele camping. M.a.w.; de pole pole, werd een jachtige westerse variant. We haalden de gate op tijd, de schokdemper hield zich bewonderenswaardig kranig en nog voor het donker stopten we in Mto wa Mbu en zochten er logies. De volgende dag leverden we onze, iets mindere “trusty steed” braafjes af bij het verhuurbedrijf in Arusha.

LAKE NATRON EN NOG MEER DOLLARS

Voorzien van een nieuwe “trusty steed”, haspelden we de honderd en zoveel km’s van Arusha naar Mto wa Mbu terug af. Buiten mezelve en Katrien zaten nu ook Ariane en Deborah, twee –zo zou later blijken – taaie françaises. Die hadden we opgescharreld nadat Ariane Katrien had gevraagd of we met onze Landrover toevallig niet in de richting van Lake Natron gingen. Katrien antwoordde negatief want we hadden deze lus aanvankelijk wel gepland, maar dit ging ons nog wat extra dagen kosten (dagen die we minder konden fietsen) en de naar verluidt slechte weg erheen gecombineerd met lichtjes alarmerende berichten over rivaliserende stammen en onenigheid hadden ons doen besluiten Lake Natron en de nabije actieve vulkaan te laten voor wat het was.
Actieve vulkanen oefenen echter een aantrekkingskracht op mij uit vergelijkbaar met de aantrekkingskracht die een fris glas water op een bruistablet uitoefent. Deze twee meiden met hun rugzak probeerden ondanks alle moeilijkheden (lange slechte weg, geen openbaar vervoer, onzekere veiligheidssituatie) toch tot bij Lake Natron te geraken en wij, met de forse Landrover ter onzer beschikking gingen dat gewoon overslaan ?
Neen dus, mijn hersenen gaven groen licht, Katrien was akkoord en voor we het wisten zaten we met vier gepakt en gezakt in een nieuwe Landrover.

De eerste dertig km was de staat van de weg nog behoorlijk goed, maar dat veranderde drastisch daarna. Af en toe veranderde de weg in een doorploegd zandveld, waar je probleemloos een halve auto in kwijt kon. Was er geen diep zand te doorploegen, dan was de route rijkelijk voorzien van die ribbels die ervoor zorgen dat alle loszittende onderdelen van je wagen eraf rammelen. Af en toe konden we gelukkig wel de route verlaten en parallel over iets minder gecorrodeerde tracks rijden. Maar bovenal was het landschap weids, bezaaid met candelabra cactusbomen, verre hoge bergen, de grote slenk rotswand, Masai herders en krijgers.

Na een 40 tal km echter stonden we vast voor een barrière waar we eventjes 40 dollar (10 per persoon) mochten ophoesten.
20 km verder naderden we terug een controlepost. Ariane en Deborah hadden al een slaapzak klaargelegd en aangekomen bij die post zaten ze allebei gehurkt tussen de zetels en bedekt met die slaapzak verborgen. Terug moesten we 10 dollar per persoon ophoesten en met een bang hartje ging ik betalen en hoopte ik dat de truc zou lukken. Het kereltje keek eens naar de auto, liep naar de slagboom en opende die. Slik. Toch wel spannend
Toen we op een aantal km van Lake Natron kwamen, daagde voor de derde keer een controlepost op. Terug hetzelfde scenario, maar nu kon ik het niet meer laten om toch eens ferm van mijn foert te maken over al dit gemakzuchtig geldgewin. Niet dat we kostenloos mochten passeren, maar inwendig gniffelend hadden we toch weer een mouw gepast aan dit hebberig “tol-betalen-voor-onze-barslechte-weg”.
We installeerden ons op de eerste campingplaats die we zagen en hadden direct al contact met een gids voor de beklimming van de Oldonyo Lengai vulkaan die als een bijna perfecte kegel lag te pronken onder een staalblauwe hemel. Voor 100 dollar zou een plaatselijke Masai ons diezelfde nacht berg op leiden. Vannacht mag je heel letterlijk interpreteren, want de beklimming wordt meestal rond middernacht gestart. Zo kun je ontsnappen aan de moordende hitte van overdag, maar wat blijft en bleef is de moordende hellingsgraad, maar meer daarover in het volgende bericht.

In de buurt waren nog een aantal bezienswaardigheden, zoals een waterval, een gefossileerde voetafdruk van een vroege mens en Lake Natron uiteraard met zijn flamingo’s (zie ook de film: The constant gardener). Daarvoor moesten we samen met onze gids naar het nabijgelegen dorpje Engare Sero rijden om er in het plaatselijke kantoortje te gaan betalen, want de 100 dollar voor de gids moch niet direct aan hem betaald worden.

In dat kantoortje werd ons al snel duidelijk dat de hele streek besmet was met dezelfde ziekte: hebzucht. Voor elke (pietluttige) bezienswaardigheid moest per persoon 10 dollar betaald worden. Ik ga hier niet beschrijven wat ik allemaal tegen dat ambtenaartje hebben gezegd, ik ben beleefd gebleven, maar ik heb hem heeel duidelijk gemaakt, dat dit niet kon, dat dit zelfs voor westerse toeristen bijna onbetaalbaar wordt en heel moraliserend en toch wel een beetje over mijn toeren heb ik daar een hele speech gehouden. Het eind van de speech was zo ongeveer: “ok, jij doet ook maar wat je opgedragen wordt, ik betaal met plezier de 100 dollar voor de gids, dat is een redelijke prijs in relatie met geleverde prestaties, maar die andere attracties interesseren mij al lang niet meer (wat niet waar was), ik weiger daar voor te betalen en jullie hebzucht geeft deze hele onderneming een zeer bittere smaak. Salut en de kost“. Niet dat het allemaal veel zal uitmaken, maar het moest gewoon gezegd worden.

Tijdens het terugrijden naar ons kampement, begon Daniel, onze meegereisde gids zelf aarzelend en een beetje terughoudend: ” maar IK kan je wel naar die plekken brengen en dan geef je mij persoonlijk maar iets”. Pardon ? nu was ik toch wel een beetje verrast, maar mijn interesse was gewekt, en met plezier ging ik die gast een faire en mooie fooi geven voor het ons op sleeptouw nemen naar die bezienswaardigheden.
Uiteindelijk huren wij een jeep om autonoom en zelfstandig dingen te ontdekken en zien, maar hier gaat dat niet zomaar, gidsen en vooral, betalen (fors betalen) komt er helaas haast altijd bij. “De mzungu is drager van een portefeuille gevuld met van die groene amerikaanse flappen, en ’t is da da we moeten hebben” is helaas de heersende gedachte in het noorden van Tanzania.

Terug op de camping aten we een vervroegd avondmaal en kropen rond 20.00 u in de tent in de hoop nog een tukje te kunnen doen vooraleer de beklimming te starten.
In mijn geval ging dat niet goed; ik kon niet echt de slaap vatten, temeer daar het nog altijd drukkend heet was en er geen wind stond die door het gaas van ons compleet openstaand tentje kon circuleren.
Katrien had beslist niet mee te gaan, ze voelde zich niet echt goed en we wisten ook dat de beklimming niet simpel ging zijn.

Om 23.30 hoorde ik de ritssluiting van de tent van onze franse buren opengaan en struikelde ikzelf ook uit onze tent. Amaai, nog nooit zo vroeg opgestaan om een wandeling te beginnen.
De Merapi in Indonesië beklommen we om 01.00 u., maar dit was het absolute record.
Ariane, Deborah, mezelve en gids Daniël plus een “autobewaker” die voor 50.000 shilling op onze jeep ging passen (jawel, ze zijn zeer vindingrijk in het vinden van bijverdiensten) moesten eerst nog een halfuur in het stekeduister richting vulkaan rijden vooraleer we de beklimming konden beginnen.

FRANSE KONTJES

Onder een fonkelende sterrenhemel en in volslagen duisternis begonnen we aan de klim naar de bijna 2900 meter hoger top van de vulkaan.Onder een fonkelende sterrenhemel en in volslagen duisternis begonnen we aan de klim naar de bijna 2900 meter hoger top van de vulkaan.

Onmiddellijk was het al vollen bak naar boven, maar ondergetekende ging zich niet laten doen door de twee Françaises en zo ging het ook de eerste twee uren maar toen schakelde de vulkaan een tandje hoger en ging de hellingsgraad van 45° tot rond de 50° graden gecombineerd met een ondergrond die je gewoon het best kunt vergelijken met los zand zoals we hier in onze vaderlandsche duinen terugvinden, maar dan gitzwart.
Ik had mezelf – voor de tropen althans – warm ingeduffeld, maar al vlug speelde ik mijn fleece uit, ritste vervolgens mijn broekspijpen van mijn broek en zette zelfs de rits van mijn broek open teneinde een tochtje (“trek” zoals we hier in de westvlaanders zeggen) te creëren. Allemaal vergeefse moeite, want het tempo bleef verschroeiend hoog, niemand wou onderdoen voor de ander, de breaks waren schaars en kort, en de helling wees ongenadig en constant richting hemel.
Ik begon het nu wel heel moeilijk te krijgen, en toen ik tijdens de eerste twee uur nog gezwind samen met de gids op kop liep, moest ik nu de derrières van beide dames bekijken, er zijn ergere dingen.
Maar ik had moeite om het blitse tempo te volgen. De Françaises hadden elk wel twee wandelstokken ter beschikking en dat bleek hen wel ferm te helpen op die onstabiele mensonvriendelijke ondergrond. Met behulp van alle ledematen die ik tot mijn beschikking had kroop ik af en toe achter de dames aan.
Iets voorbij halfweg, haalden we nog een klein groepje in. Samen waren we dan ook de enige mensen op deze veeleisende vulkaan.
Na een lange en heftige beklimming bereikten we omstreeks 04.30 de top van de vulkaan, we waren dan al enkele fumarolen gepasseerd. Da’s zo een beetje hetzelfde als eens goed snuiven boven een schaaltje rotte eieren en is niet direct bevorderlijk voor een goede ademhaling, maar ik heb al erger geweten (Kawa Ijen op Java bijvoorbeeld).
De vulkaan bestaat uit een diepe krater (enkele jaren geleden was diezelfde krater nog helemaal gevuld, maar de laatste eruptie zorgde ervoor dat de vulkaan zijn keel leeghoestte zodat we nu terug met een gapend gat zitten) en een tweede kratertop er vlak naast, maar die is voorlopig niet actief.
Vermits het nog stikdonker was en er frisse wind stond, zochten we ze goed als mogelijk een beschut plaatsje om de te wachten op de komst van de zon.
Na 10 minuten met zijn vieren dicht bij elkaar te zitten koukleumen, sprong ik recht en begon de kraterwand op en af te wandelen. Nu was die wand niet zo fameuze breed, maar liep ie wel bijna horizontaal en kon ik zo goed doorstappen om mezelf warm te houden.
En toen kwam de zon op en konden we het spektakel aanschouwen; vlak onder ons een 150 meter diep gat waar op verschillende plekken rook uit opsteeg, in de verte de massieve Ngorongoro krater, het blinkende Natron meer, de Serengeti in de verre verte, en letterlijk overal diepe kloven die van de kraterwand steil naar de basis van de vulkaan liepen; een schitterend schouwspel.
Nu konden we volop genieten in de wetenschap dat het zwaarste gepasseerd was.
De afdaling was vooral in het begin op bepaalde punten behoorlijk tricky en was je gewoon genoodzaakt om als een vierpotige krab, naar beneden te kruipen. Nog nooit zo’n steile beklimming/afdaling gehad.
Zonder ongelukken arriveerden we omstreeks 9 uur terug beneden bij de Landrover en lagen we een halfuurtje later vol-ledig uitgeteld op onze matrasjes in de schaduw van de kleine boompjes. Het was ondertussen al weer snikheet.

We probeerden allemaal wat te slapen, maar in mijn geval bleek dat niet echt te lukken en bleef het bij wat rusten en dommelen. Rond de middag was de temperatuur al weer onnodig hoog en alleen maar nadenken was al lastig genoeg. Met een uiterste krachtinspanning hees ik mijn gepijnigd corpus recht en sleepte het linea recta naar het vrolijk fris klaterende riviertje waar Katrien en één der Françaises al bruistablet-gewijs zaten in op te lossen.
3 kwartier later en nu toch een beetje afgekoeld en schoongespoeld reden we nog met de Landrover naar het Natron meer voor een nabij kijkje op de grote flamingokolonie die er in het zilte water naar algen aan het vissen was.

Die avond zorgde onze Landrover nog voor een onwelkome verrassing; de dieselfilter bleek lek en de meer dan 200 km lange rit terug naar Arusha zou niet te halen zijn met zo’n lekkend onding. Een plaatselijke mechanieker kwam na een hele ingewikkelde procedure (die ik jullie wil besparen) met een oplossing, maar zo was ook de rekening die ons later werd gepresenteerd.
Er kwam weer heel wat onderhandelen, voet bij stuk houden, boos worden enzoverder aan te pas, want het was maar al te duidelijk dat dit een zoveelste poging was om dollars uit de reeds uitgeperste mzungu te persen.

En zo verlieten we met een dubbel gevoel deze desolate, geldonvriendelijke kontreien. Met een lichtjes gepimpte oude dieselfilter (de originele lekkende dichtingsring werd gewoon door een ander rubbertje vervangen) stoven we terug naar Arusha, zetten de Françaises af in Arusha en doken ons bedje in.
Nog vier dagen waarvan twee fietsdagen scheidden ons van het finale einde.
De eerste dag stopten we in Moshi aan de voet van de Kilimanjaro, de avond erop arriveerden we in Same.
Nu werd het wel heel duidelijk dat we niet al fietsend Dar es Salaam zouden kunnen bereiken, dus zochten we ons heil in het gemotoriseerd vervoer. ’s Morgens vroeg vertrokken we fietsend uit Same en gewapend met een sullig kartonnetje met de tekst “lifti dar” (lift naar dar es salaam aub) erop hoopten we dat een vrachtwagen of forse jeep ons zou meenemen all the way tot in Dar.
Telkens een potentiële lift ons naderde, stak ik het bordje in de lucht, maar 40 km verder en verschillende voorbijstekende vrachtwagens later moesten we wel besluiten dat we er zo niet gingen raken.
Bij het eerste gehuchtje hielden we halt, haalden de zakken van onze fiets en een goed halfuur later zaten we al in een met ijzerdraad en bouten aan elkaar gehouden gammele bus op weg naar Dar.
De volgende dag na het obligate fietsje demonteren en in doos steken, nog een ultieme aanval op souvenirs ingezet, in een taxi en ’s avonds het vliegtuig in richting België.;

 

Met een ijsbaard onder het noorderlicht (lapland feb ’11)

Zal ik even de dokter voor je bellen ?” “Wacht eventjes, ik zoek snel het adres op van dat gerenommeerd psychiatrisch centrum”.
Voor me staat een collega die hard aan het twijfelen is. Aan het twijfelen over mijn geestelijke gezondheid. Ik heb hem net proberen duidelijk te maken dat ik in putje winter van plan ben in Fins- en Noors lapland bepakt te gaan fietsen.

Een paar weken later rond de middag landt mijn vliegtuig op het kleine vliegveld van het Finse Kittilä. Ik bevind me nu al ruim één graad ten noorden van de 66°30′ breedtegraad die de noordpoolcirkel aangeeft. Onmiddellijk krijg ik af te rekenen met pech want mijn fiets heeft blijkbaar de overstap in Helsinki niet gehaald. Pas de volgende dag wordt mijn aluminium strijdmakker netjes afgeleverd in het kleine stadje Muonio waar ik onderdak vond bij een Warmshower contact.

Onmisbare spijkertjes

Op 4 februari begin ik dan eindelijk met fietsen naar Noorwegen. Ik vind haast automatisch een ritme en het klimaat doet wat het verwacht wordt te doen. Het is een knisperige -14° en daar valt aangenaam in te fietsen al moet ik niet veel stil staan want ik merk dat ik afkoel in recordtijd. Mijn handen zitten comfortabel warm in lichte handschoenen. Daar overheen heb ik nog een paar warme wanten met windstop eigenschap. Alleen mijn voeten krijgen koud in mijn bergschoenen. In een grote winkel sta ik een kwartier te overwegen en te kwijlen bij een paar warme laarzen die beloven voeten warm te houden tot ver onder nul. In ruil voor een aantal blauwe euroflappen ben ik even later de trotse bezitter van een paar Finse ‘Talvikas Parkano’ gevoerde laarzen.
Wanneer ik de volgende dag vertrek zie ik op mijn pas aangekochte traditionele thermometer die ik vastgemaakt heb aan mijn remkabel vooraan dat het -21° is. Later zou ik thuis bij een ijking merken dat de thermometer 3 graden te weinig aanduidt. -24°, dat begint er al een beetje meer op te lijken!
In het donker (want het is reeds 17.00) bereik ik bij “Muotkatakka” Finlands hoogste punt op 565 m hoogte. Net daarvoor kreeg ik een hongerklop van formaat. Een kwart van mijn chocoladevoorraad later en 8 km na de ‘pas’ strijk ik moe en voldaan neer in mijn logies in Kilpisjärvi.
Fietsend langs de heilige Saana berg rij ik de volgende morgen over de Fins/Noorse grens en het landschap verandert drastisch. De glooiende landschappen met afgeronde bergen maken plaats voor een kloof waar ik in afdaal en spitsere bergen priemen richting hemel. Een gladde afdaling ook naar fjordengebied. Mijn Nokian Hakkapeliita W106 spijkerbanden wil ik ondertussen voor geen chocolade ter wereld nog missen. Die 212 (106 per band) metalen ‘spijkertjes’ zorgen ervoor dat ik zoals het hoort op mijn fiets blijf en niet andersom. In deze regionen wordt er trouwens geen zout gestrooid, dat is hier volkomen nutteloos. Er wordt wel sneeuw geruimd, maar er blijft altijd een centimetertje achter dat door het verkeer en de temperatuur vlug in ijs wordt getransformeerd. Hier fietsen zonder spijkerbanden is net hetzelfde als met honing ingesmeerd een mierennest om spitten. Animatie gegarandeerd!

Kapitein Iglo

Na een warme nacht in een hut in het Noorse Skibotn rij ik langs de Storfjorden naar Olderdalen, maar zoals op zoveel plaatsen in Noorwegen zorgt de Kåfjorden ervoor dat je weliswaar de eindmeet in zicht hebt, maar je wel nog eventjes die hele fjord arm rond moet !
Met de ferry vaar ik over een dampende Storfjord van Olderdalen naar Lyngseidet. De opstijgende damp zorgt voor een surreëel effect. Wat deze damp veroorzaakt is mij niet geheel duidelijk. Het relatief warmere water ten opzichte van de zeer koude lucht? Feit is dat het kwik terug een flinke duik neemt wanneer ik door de “Lyngense Alpen” fiets, een zeer imponerend stukje Noorwegen. Ook de route verder naar Fagernes en uiteindelijk Tromsø is landschappelijk duizelingwekkend mooi.
In “het Parijs van het noorden” zoals Tromsø ook te boek staat, hou ik een dagje halt en hoor ik voor het eerst deze reis het geluid van gedrup. Gedrup van daken en goten. Het is hier nu rond het vriespunt en voorzichtig smelt de sneeuw een beetje. De hoogste tijd om deze tropische toestanden te ontvluchten ! Om 18.00 u. rij ik mijn fiets op de “Nordstjernen”, één van de elf legendarische “Hurtigruten” boten die de volledige Noorse kust afvaren. Tijdens de vier uur durende tocht naar Skjervøy komt de kapitein, een echte captain Iglo lookalike, op het dek uitleg geven over het prepareren van de befaamde Noorse droogvis. Een uurtje later wordt via de intercom afgeroepen dat er “nordlys”- noorderlicht te zien is. En zo is het ook. Groene slierten dansen tussen de sterren terwijl de Njordstjernen tussen de eilanden door laveert. Een magisch moment !!

Het weer is mij gunstig gezind tijdens deze trip, niet alleen is het meestal zonnig, het vriest ook dat het kraakt. Telkens ik inadem door mijn neus vriezen mijn neushaartjes kortstondig aan elkaar (fractie van een seconde). Een gevoel dat ik helemaal niet onprettig vind.
Vanuit Skjervøy fiets ik voor het eerst onder een fjord door. De weg duikt in een tunnel die steil, meer dan honderd meter afdaalt tot onder de fjord. Eenmaal voorbij de fjord klimt de tunnel terug naar zeeniveau.

Noorse tunnels kunnen trouwens best vervelend zijn. Vervelend omdat je er als fietser niet door mag. In de zomer kun je dan nog meestal de oude weg volgen die er al voor de nieuwe tunnel lag, maar in de winter heb je die optie niet. Pakken sneeuw maken het gewoon onmogelijk, dus fiets je simpel weg die tunnel in en gebaar je van kromme aas. Nog nooit een negatieve reactie gekregen trouwens.

Vrieswonden

Een eindje voor Alta bereik ik mijn meest noordelijke positie ooit op het noordelijke halfrond (70°13’) en via Alta stoom ik door naar Kautokeino. Ter hoogte van Alta verdwijnt de spectaculaire fjordenkust en maakt plaats voor een iets tammere kustlijn.
Die laat ik sowieso achter mij want Kautokeino ligt diep in de Noorse Finnmark provincie en is één van de koudste streken van Noorwegen. En dat ondervind ik aan den lijve wanneer ik op drie dagen van het einde vanuit Kautokeino naar het Finse Hetta rijd. De zon schijnt en ik rij door een majestueus winterlandschap maar ik voel dat de koude harder bijt dan de vorige dagen. De thermometer bevestigt mijn vermoedens; -32°! Woehaa, een nieuw record ! Op de grens vlucht ik snel eventjes de grenspost binnen. Niet dat ze geïnteresseerd zijn in mijn paspoort, maar gewoon om even op mijn gemak een kopje thee uit mijn thermos te drinken zonder ogenblikkelijk aan de grond vast te vriezen. Wanneer ik ’s avonds in mijn hut arriveer zie ik dat er een halve kilo ijs aan mijn baard, snor en wangen hangt. Waar het ijs direct op mijn vel vastzat, zitten nu zwarte sporen; vrieswonden !
Lichtjes gealarmeerd stop ik de volgende morgen in een apotheek en krijg een zalfje toegeschoven. Hopelijk helen die vlekken mooi of ik kan mijn op stapel staande internationale modellencarrière wel vergeten*
Tijdens mijn laatste twee nachten kan ik nog volop genieten van het hemelse noorderlicht. Met een voldaan gevoel stap ik terug in Kittilä op het vliegtuig en blik ik terug op een geslaagde winterse expeditie.

*de vrieswonden zijn een maand later volledig verdwenen

Terreur in de wadi (Oman april ’14)

De inwoners wachten er nog steeds geduldig op de eerste verwoestende sneeuwlawine én de aanleg van een gemengd naturistenstrand. Een combinatie van beide lijkt heel onwaarschijnlijk.

Het is ook niet het eerste land waar je aan denkt als je een fietsvakantie plant; de Verenigde Arabische Emiraten. Toch vertrokken wij ergens begin april voor een tiendaagse fietstocht doorheen zes van de zeven emiraten.

Over de eerste twee dagen in Dubai kunnen we kort zijn. De moeite waard, veel te zien maar zeer druk verkeer en hectische verkeerswisselaars waar je soms volledig het noorden van kwijt raakt. De wegen hebben bijna altijd een brede pechstrook dus valt het fietsen in dergelijke metropool nog best mee. De regen die Dubai de laatste twee dagen echter te verwerken had gekregen zorgde voor onwezenlijke taferelen in een woestijnstaat: ondergelopen straten, door auto’s veroorzaakte tsunami’s en draaikolken boven rioolputjes. We waanden ons eventjes ergens in India tijdens de moesson.

Polderhoofden

Anderhalve dag in een stad, méér moet dat niet zijn voor ons en een beetje onbezonnen maar vooral nieuwsgierig reden we op vrijdag op de E102 richting Khalba. Aanvankelijk was er nog druk verkeer, maar al snel dunde dat verkeer danig uit zodat het best aangenaam fietsen werd op onze brede pechstrook.
Het stedelijk beton had ondertussen vriendelijk plaats gemaakt voor de woestijn en de meedogenloze zon timmerde nadrukkelijk en onophoudelijk op onze polderhoofden.
Ondanks al dat stellair geweld begon er zich toch een verontrustende gedachte onder mijn verhit schedeldak te roeren. “We hebben niet genoeg water bij ons”. Dat was ook zo want in ons enthousiasme hadden we elk één litertje vocht gekocht en gingen we onderweg wel bijtanken.
Toen we na 35 km eindelijk een benzinestation zagen opdoemen was mijn opluchting evenredig met het zonnegeweld. Zelfverzekerd en van plan de hele winkel leeg te kopen, botste ik in mijn onstopbare dadendrang bijna met mijn neus tegen de glazen deur. “Gesloten ?” “Nu ?” Op twee meter van mij vandaan, weliswaar aan de andere kant van die treiterige glazen deur was een werknemer de rekken aan het vullen. Met gebarentaal vroeg ik hem de deur te openen, maar hij wees onvermurwbaar naar een bordje dat aan dat glazen onding hing. “Prayer Time”, “from 11.00 till 15.00”.
Dat we met de fiets waren maakte geen enkel verschil uit voor deze noeste rekkenvuller. Waarom hijzelf niet aan het “prayen” was zal altijd een raadsel blijven. Gelukkig was er bij het benzinestation ook een klein moskeetje. Moslims worden geacht handen en voeten en nog wat meer onderdelen te wassen vooraleer de moskee te betreden. Dit betekent dus dat er altijd water te vinden is.

Een drietal uur later vonden we een schitterend kampeerplekje ver weg van alles nabij Jebel (berg/heuvel) Fayah aka “Fossil rock”. De ondergaande zon kleurde die avond de ruige bergen mooi oker/rood en de hoge zandduinen deden hun best de bergen in kleur te overtreffen. Toen we de volgende morgen vertrokken werden we op gepaste wijze uitgezwaaid door een kudde kamelen.

Star Academy

In een piepklein winkeltje kochten we een vreemde combinatie aan snacks, fruit en drank. Voorzien van voldoende proviand stevenden we nu resoluut af op de eerste internationale grens, eentje die we in de komende dagen nog wel een paar keer gingen overschreiden.
De Omaanse grenswacht op ongeveer 20 km van Al Madam had niet de minste interesse in ons paspoort. Ietwat vermoeid maande hij ons vriendelijk wuivend aan vrolijk door te fietsen. We reden nu door een spectaculair maanlandschap met hier en daar een grote waterpoel tussen de grillige rotsen, restanten van de regen enkele dagen geleden. Na een lange, hete dag fietsen door een Omaans imposant berggebied, kregen we nog een tiental zware gravel kilometers te verwerken vooraleer we ons opplooibaar onderkomen konden neerpoten. Daarvoor hadden we de fotogenieke Wadi (je weet wel; een voor het grootste deel van het jaar droogstaande rivierbedding) Shuwayhah geselecteerd.
De diep ingesneden wadi maakte het ons niet gemakkelijk. Een opeenvolging van grote keien, mul zand en diepe plassen zorgde ervoor dat we na een een viertal kilometers in de wadi aan het uitkijken waren naar een geschikt plaatsje.
Dat vonden we uiteindelijk in een bredere bocht anderhalve meter boven waterniveau. Een klein risico want in wadi’s moet je altijd rekening houden met flashfloods; plotse vloedgolven van verzameld regenwater dat maar één uitweg heeft; de wadi.
Na een zalige wasbeurt in adamskostuum in een diepe poel, een hartige maaltijd, luisterend naar de stilte en genietend van het toch wel imposant aanwezig zijnde firmament werd het stilaan tijd voor de bedstede.
Na ongeveer een goed halfuur onder de wol doorbrak een toch wel verontrustend gedaver vlak naast de tent de immense stilte! Gewriemel naast me; Katrien had het ook gehoord! Terug een ongemakkelijke stilte.” ’t Is gewoon de wind” probeerde ik nog in een poging de gemoederen te bedaren. Maar Katrien was er niet gerust in. En dat baarde mij zorgen. Na nog een eeuwigheid dodelijke stilte weerklonk 10 maal versterkt door de bergwanden het ijselijke gebalk der Equus africanus asinus*. “Praise the Lord !” We waren door het oog van de naald gekropen! Terreur ? Jazeker: geluidsterreur. In de dierlijke versie van Star Academy zal de *ezel nimmer ofte nooit een eerste prijs behalen. En terecht !

Perenconfituur

De rest van de nacht kabbelde rustig voort zonder muzikale of animale onderbrekingen en prima uitgerust vertrokken we voor een nieuwe lange dag.
De route naar Fujairah bracht ons door wel zeer woeste bergen weer aan de grens met de V.A.E.
De met een belachelijk grote klakkebus uitgeruste militair was er eentje van het nieuwsgierige type. Niet naar ons paspoort, maar naar onze beweegredenen voor deze in zijn ogen toch wel heel vreemde manier van voortbewegen. Zijn Engels was dermate slecht dat het mij stukken makkelijker leek een conversatie te beginnen in het Swahili met een pot perenconfituur. Bij gebrek aan die confituur wisselden we vrolijk klanken met elkaar. Eén verstaanbaar woord liet hij echter om onduidelijke redenen meermaals vallen: “whisky”.

Langs schitterend asfalt en zonder al te veel verkeer doorkruisten we na onze “whisky-confituur conversatie” over een afstand van 40 km én in die volgorde de emiraten Dubai, Ajman, Ras-al-Khaimah, Sharjah en Fujairah. Gecompliceerd ? Jazeker.
De van potige Jeeps en hypersonische bolides voorziene Emirati hebben een zware voet maar gaven ons telkens de ruimte. We voelden ons nooit opgejaagd wild. Wel zie je aan hun verwonderde blikken dat ze die twee blanke snuiters verdenken van één of meerdere vijzen te missen. Een fiets is hier synoniem voor arm en onbelangrijk.
De zo befaamde Arabische gastvrijheid misten we hier wel een beetje. Zou de welvaart er voor iets tussen zitten ? Wij zijn er van overtuigd. Gastvrijheid hebben wij vooral ervaren in minder welstellende landen.

Langs de Golf van Oman en de steden Dibba, Ras-al-Khaimah en Ar Rams stonden we terug aan de Omaanse grens. Dit stuk Oman priemt als een wijzende vinger richting Iran (dat slechts 55 km verwijderd is) en ligt heel strategisch aan de Straat van Hormuz. Het wordt ook wel het Noorwegen van het Midden Oosten genoemd. Abrupte 1000 m hoge kliffen rijzen loodrecht uit de zee omhoog en het mag een wonder heten dat hier nog plaats was voor een weg.
In Khasab hielden we halt voor twee dagen en huurden een jeep om het onherbergzame gebergte in te rijden. We hadden dit zeer graag met de fiets gedaan, maar de tijd ontbrak ons. Bijkomend probleem is dat de “Al Qir” grens (bij Ash Sha’m) de enige officiële grensovergang is.
Een lange rit van Khasab (Oman) terug naar Dubai vormde dan ook meteen het einde van ons Arabisch avontuur.

Wie houdt van ruige en dorre berggebieden, woestijnen met veelgekleurde duinen en een zalig fietsweertje (enkel en alleen in onze wintermaanden) zit hier gebeiteld. Op geregelde tijden kom je dorpjes of winkeltjes tegen en de afstanden zijn nooit extreem. Hou wel rekening met veel klimmen en dalen wanneer je kiest voor het oostelijke deel van de V.A.E.

Into the Wild (Alaska sept ’14)

DAG 1

Amerikaanse nationale parken zijn populair en zo is ook Denali N.P. in de staat Alaska. Het zomerseizoen is hier echter van korte duur en bijgevolg sluit dit park mid september al zijn deuren voor alle gemotoriseerd verkeer. Vermits wij zelf de aandrijving van onze fiets zijn vallen wij niet in deze categorie.
Van begin af aan was dat al het plan; het park in fietsen en niet afgeleid worden door luidruchtige collega bezoekers. Wij en de wilde beesten.

Voor we effectief konden vertrekken kregen we eerst een video gepresenteerd en een uitvoerig gesprek/briefing met ranger Mike over alle gevaren die klaarblijkelijk als open vallen op ons lagen te wachten. We konden ook niet ontsnappen aan de “bear box”, een zwarte plastic ton waar je je voedsel dient in te bewaren wanneer je niet op de campsites overnacht.

Uiteindelijk vertrokken we om 13.30 en kregen we direct een 10% helling gepresenteerd voor enkele kilometers vooraleer we door een “denning” gebied reden. Een grassig gebied met heel wat naaldbomen en ideaal voor elanden. Die zagen we overigens enkel in de verte. Nog steeds onder een stralende zon passeerden we mijl 15, de plaats waar het asfalt overgaat in gravel en na nog wat klim- en daal werk kwamen we aan mijl 29 waar een gezonde slagboom alle verkeer onherroepelijk terugstuurde.
Klaarblijkelijk reden we daar het magische dierenrijk binnen want nog geen mijl verder hobbelde op zo’n 500 meter afstand een grote bruine gedaante in de rivierbedding. Een grizzly ! Het was ondertussen 17.50 en onze avondbestemming – Igloo Creek campground – was niet meer veraf. “misschien is kamperen niet echt verstandig” bedacht ik eventjes intern, maar een andere optie was er helemaal niet. 85 mijl (137 km enkele richting) tot aan Wonder Lake én terug zonder de minste toeristische voorziening of opvangnet (want géén gsm bereik), dat is wat voor ons lag. Maar goed dat onze gezamenlijke moedertjes niet wisten wat hun kroost zo ver overzee aan het uitspoken waren!
De campground schitterde in zijn eenvoud en verlatenheid. Het was ondertussen licht aan het regenen en we kookten ons potje onder het afdakje van het toilet, mooi op afstand van ons tentje dat we toch wel 150 m verder neergepoot hadden. Precies zoals ons geïnstrueerd werd. Koken en slapen moet je in berengebied strikt gescheiden houden en alle etenswaren moeten na de maaltijd in een metalen “food locker” (een metalen soort kist of kast waar bruintje ondanks al zijn intelligentie en kracht niet bij kan). Ook dat deden we volgens het boekje. Met beren valt niet te spotten en dat was deze jongen ook niet van plan.
Eenmaal in ons tentje was het best wel spannend. Elk geluidje analyseer je onherroepelijk. Toch vielen we relatief snel in slaap.

DAG 2

We werden wakker en na een korte body-check bleken we beiden nog geheel intact ! Hoeraa ! Géén nachtelijke beer die met één van onze ledematen of met het totaalpakket Katrien als een beer in de nacht was verdwenen. Zouden we die 6 dagen wildernis dan toch nog levend uitfietsen ?
Om 10.30 terug de fiets op onder een waterig waterzonnetje.
We zijn nog maar goed opgewarmd en de ochtendprut is nog maar net uit onze lodderogen verwijderd of Katrien merkt een paar honderd meter voor ons uit, op de weg, een vrolijk zwarte stappende gedaante op. “Kan een fietser zijn” merk ik snugger op, maar voor alle zekerheid memoriseren we de exacte positie en bedenken we een strategie voor het geval het een beer is en wat te doen wanneer we die plaats binnen een kleine minuut bereiken.
Op die exacte locatie is het eerste wat ons opvalt een bijna meterlange berenkak. Scat zeggen ze hier. Breed uitgesmeerd op de gravel, vol met onverteerbare bessenpitten en getuigend van, zeg maar, de spuitpoep. Van een aan diarree lijdende beer echter geen spoor. Spannend. Tot plots enkele struiken een paar tiental meter verder op mysterieuze wijze uit zichzelf beginnen heen en weer te wuiven niettegenstaande er geen zuchtje wind staat.
Er zit zo’n 50 meter tussen ons en de bewegende struiken en je moet geen wiskundig wonder zijn om te beseffen dat de bewegende struiken 10 maal dichterbij zijn dan de beer gisteren op 500 meter afstand.
En dan gebeurt het. Een meer dan gezonde (buiten de diarree gerekend) grizzly (ursus horribilis – de naam alleen al) verlaat het struikgewas en waggelt de gravel op. Volgens het boekje moeten we ons kenbaar maken als “mens” en moeten we ten allen tijde vermijden bruintje te verrassen. Beren houden niet van verrassingen en wij ook niet (toch niet van het onaangename soort). Dat doen we dus maar en tot onze verrassing (en tevens ook opluchting) stopt grizzlymans even zijn gewaggel, kijkt ons aan met een look van “onnozelaars” en waggelt dan onverstoord verder in de richting die ook wij uit moeten. Tof. Eventjes overleg.
De beer stapt nu vlotjes verder op de weg, hier en daar snuffelend aan struiken en ons totaal negerend. Dat doen wij niet, het negeren, integendeel: wij nemen de ene foto na de andere want de 50 meter tussen ons en de beer daarjuist waren net iets te oncomfortabel om wat plaatjes te schieten. Uiteindelijk beslist zijne beerlijkheid om net naast de weg een heuveltje wat nader te besnuffelen op iets eetbaars en wij zien onze kans schoon om van de gelegenheid in Tom Boonen stijl voorbij de beer te fietsen. Onze hartslag gaat ondanks de korte sprint van 175 terug naar 110, iets minder geagiteerd zeg maar. We nemen nog een paar duizend foto’s en beslissen dan om verder te fietsen want we moeten zien in Wonder Lake te geraken, een frisse 47 mijl verder het wilde park in.
Onder een steeds meer dreigende hemel trappen we westwaarts en amper 20 minuten verder stoten we op beer nummer drie. Dit park zouden ze beter Grizzly National Park dopen! Deze beer heeft ons direct opgemerkt en schudt verder de struiken dooreen op zoek naar iets eetbaars. Dit knuffelig beertje zit ook net iets te dichtbij om argeloos voorbij te fietsen, dus maken we wat menselijk lawaai (luid praten en zingen) om de beer ervan te overtuigen dat we geen bessen, wortels (van boomwortel) of een andere beer-lekkernij zijn (beren zijn opportunisten maar bovenal planteneters). Op zijn gemakje schoffelt hij/zij wat aarde dooreen, besnuffelt de struiken en hobbelt traagjes verder de heuvel naast de weg op. Een nieuwe sprint reduceert prompt de afstand tussen beer en mens. Oef, weeral goed afgelopen.
Sinds beer 2 hebben we onze fietsstijl drastisch aangepast. Voortdurend spieden we links en rechts het struikgewas af, produceren menselijk geluid wat gezien onze stembanden niet moeilijk lijkt, maar praat en lul maar eens constant tegen je partner. Uiteindelijk vallen we terug op het zingen van wat ons maar binnenvalt. “Ik spring uit een vliegmachien, alleen maar om jou te zien…”, of “vandaag is rood, de kleur van je lippen…”, en bij het naderen van elke onoverzienlijke bocht bellen we als gek met onze… hmmm fietsbel.
Het werkt, we ontmoeten nog beer 4 (iets verder en scharrelend in de rivierbedding onder ons) én beer 5, weeral iets te dichtbij om zomaar voorbij te fietsen. Ondanks alle adrenaline en dergelijke lichaamssappen zijn we zééér tevreden over deze fietsdag. Want de hoofdreden waarom we Denali N.P. met stip op onze kaart aanduidden was net het wilde, onvoorstelbare, wildlife en de schitterende uitzichten natuurlijk. Dit viel vandaag dik tegen want een dik wolkenpak verhinderde om de bovenste helft van de Alaska Range te zien, maar dat vonden wij helemaal niet erg want de “wildlife” was mééér dan aanwezig.

DAG 3

Genoeg over beren. Gisteren (dag 2) was beregoed, maar qua atmosferische omstandigheden was er nog wat werk aan de winkel. We reden toen over Polychrome pass, een veelkleurige met diepe afgronden gezegende bergpas en via de Toklat River (waar we middagmaalden) en Eielson Visitor Center (later meer daarover) bereikten we uiteindelijk op dag 2 omstreeks 19.20 (jawel, vrij laat) Wonder Lake, 137 km verwijderd van de bewoonde wereld.
Deze campground,vol-ledig ter onzer beschikking, werd onze thuisbasis voor dag 3. Een geplande rustdag zonder fiets.
Eén probleempje was het gebrek aan nabije riviertjes of meertjes. “Wonder Lake” hoor ik jullie denken ? Correctomundo, maar de campground en het meer lagen net iets te ver van elkaar als je water nodig hebt om te koken enz.
De campground was gelukkig voorzien van een “shelter” en een “walk-in food locker”. Een food locker om voedsel veilig uit de beer zijn klauwen te houwen en een “shelter” om droog te zitten bij vochtige meteorologische omstandigheden. Die food locker werd wegens zijn ruime afmetingen (een hutje zeg maar) ons logies voor 2 nachten, iets wat je niet zou moeten proberen tijdens het “seizoen”.
Vermits het meer en riviertjes te ver waren, haalden we water uit het dakje van onze shelter. Dat dakje was -zoals het in Scandinavië wel meer voorvalt – begroeit met gras en struikjes. We plaatsten onze kookpotjes onder de drup en in geen tijd waren die gevuld met kakelvers regenwater.
De Alaska Range bleef op dag drie verborgen onder en achter een dik pak wolken, maar van echte alles verzuipende regen mochten we zeker niet klagen.
We begonnen aan de McKinley Bar River trail deels om ons warm te houden, maar zeker ook om eens te voet de wildernis te trotseren.
Spannend was het heel zeker. Ver weg van alles beginnen aan een bijna 10 km lange wandeling doorheen “prime bear habitat” enkel gewapend met onze gepolijste stembanden en een bus pepperspray. Berensporen in het slijk vonden we genoeg, maar de beren zelf hadden belangrijke zaken te bespreken en desgevallend niet in de buurt en eigenlijk ontmoet ik liever een beer op mijn fiets dan in mijn wandelschoenen.
De sneeuw die we de morgen van dag 3 ontdekten toen we de deur van onze foodlocker openzwaaiden werd de rest van dag 3 aangevuld. Na het avondpotje koken kropen we ook vroeg onder de wol om ons klaar te stomen voor de grote terugkeer naar de beschaving én dag 4.

DAG 4

Ik open mijn ogen en door het roostertje in de deur van de foodlocker waar we in slapen zie ik een fel licht. Ai, nog meer sneeuw. Het zal moeilijk worden, zoniet onmogelijk om terug in de bewoonde wereld te raken.
Een beetje bezorgd zwaai ik de deur van de foodlocker open en sta ik in shock voor me uit te staren! Sneeeeeeuw, massa’s sneeuw.
Gelukkig ligt dat witte goedje voor ons in de verte op de Alaska Range en Mount Denali (aka Mount McKinley) en niet waar wij ons bevinden. Er is geen wolkje te bespeuren en staar me te pletter op dit onverwacht spektakel.
Na een aantal minuten word ik iets gewaar onder mijn middel. Het voelt fris aan. Kan ook niet anders want ik sta in mijn onderbroek te gapen naar het in het prille morgenlicht ontluikende gebergte voor me.
Noord Amerika’s hoogste piek baadt in een zacht ochtendzonnetje op zo’n 60 km in vogelvlucht. Wetend dat deze piek meer in de wolken zit dan wat anders, genieten we dubbel en stormen (met kleren aan) naar buiten.
Niet verwonderlijk dat we nu ook weer laat beginnen fietsen, maar we hebben onze terugtocht naar de Parks Highway over drie dagen gespreid en gepland. We zijn in 2 dagen tijd in Wonder Lake geraakt maar gezien het mooie weer en het gevoel zo lang als mogelijk in the wild te verblijven, willen we op ons gemak terugfietsen.
Het is quasi windstil, het vriest lichtjes en we fietsen in een winters landschap met een absoluut ongehinderd zicht op de Alaska Range. We hebben vandaag maar 22 mijl te fietsen en we genieten volop van wat zich voor onze wielen ontplooit.
Vandaag kruisen géén beren ons pad, enkel een schattige grondeekhoorn laat zich gewillig fotograferen. Na amper 34 km stoppen we bij het Eielson Visitor Center, netjes gesloten “for the season” en bijna hermetisch dichtgetimmerd voor het aanstormende wintergeweld. Onder een luifel zetten we ons tentje op en genieten in T-shirt uit de wind in de laatste uurtjes zon. Die avond gaat het kwik flink onder nul en zijn we blij met onze winter slaapzak en extra fleece slaapzakje.

DAG 5

Ondanks de zeer koude nacht hebben we goed geslapen dankzij onze slaapzakken en thermisch ondergoed.
Wanneer we de tent openritsen zit Mount Denali met zijn kop in de wolken. We ontbijten in wat de laatste zon van die dag zal zijn en vertrekken rond 10.00 u.
Zoals gewoonlijk rij ik voorop en amper 400 meter van onze kampplaats en juist in een tweede onoverzichtelijke bocht bots ik bijna met mijn ochtendlijke kop op een gigantische grizzly. Mijn ochtendlijke kop en humeur schakelen direct naar survival mode en ik knijp hartstochtelijk in mijn voor- en achterrem. Dat doet mijn fiets stilstaan en maar goed ook. De grizzly heeft ons opgemerkt en ook dat is goed. De harige viervoeter heeft gelukkig meer interesse in zijn al dan niet eetbare plantaardige omgeving wat ons de broodnodige seconden de tijd geeft om voorzichtig achteruit te trekken.
Beertje collargol trekt er zich allemaal niets van aan en trippelt rustig verder onze richting uit. Wij trekken ons voor alle zekerheid ook nog maar een beetje terug. We nemen ondertussen wat foto’s (ja, we kunnen spreken van een zekere gewenning) en zetten onze fietsen in de richting van de weg die steil daalt. Je weet maar nooit. De beer komt nu wel heel dicht bij ons en kiest plots drastisch voor een andere richting, weg van de weg en een klaterend riviertje in. Dit geeft ons de kans om voorbij te spurten en eenmaal voorbij de risky zone nog wat foto’s te nemen. Een grizzly is een uiterst dankbaar onderwerp om te fotograferen, maar niemand wil té dicht komen.
Dit was dus beer zes en met nog één dag te gaan in het park wellicht niet de laatste. Dat is ook zo, want we komen nog beer 7 én 8 tegen allemaal zonder kleerscheuren, ontbrekende ledematen, gapende wonden of in pulp getimmerde fietskaders.
Het moet gezegd, de beren van Denali zijn uiterst gemanierd en wel opgevoed !
Terug ter hoogte van Polychrome pass in een hevige sneeuwbui zie ik plots iets zeer snel mijn richting uit lopen. Een beer is het niet, daarvoor is de gestalte te klein, maar het heeft 4 poten, een wel heel pluizige staart en een kop waar ik niet direct een naam kan op plakken. Ik ben te druk bezig het dier te identificeren zodat de arctische vos mij totaal verwonderd voorbijstuift. Vlak bij Katrien houdt deze vos plots halt om een plasje te doen en iets eetbaars uit de berm te halen. Katrien -alert zoals altijd – grijpt direct naar haar digitale vriendje en neemt een aantal zuivere foto’s.
De prille ochtendzon van deze morgen heeft al lang het onderspit moeten delven en we zijn ondertussen al een aantal uur bezig in hevige sneeuwval aan het fietsen. Gelukkig blijft het wegdek befietsbaar en in de vroege avond bereiken we terug Igloo Creek Campground. Dat ligt er nog even onbevlekt en verlaten bij als bij onze eerste passage en we voelen ons een beetje thuis.
Het is nu bar koud en een kille ijsregen tovert onze groene tent in een mum van tijd wit. In plaats van onder het afdakje voor het toilet, koken we nu vrolijk in het toilet (ruime toiletten die dankzij een doordachte ventilatie helemaal niet naar toilet ruiken) en kruipen relatief vroeg onder de wol.

DAG 6

Onze witte tent van gisteren is nog altijd dapper wit wanneer ik rond 8.30 mijn kant openrits. Ook de omgeving ziet er zo’n beetje kerstmis-achtig uit. Niks mis met kerstmis al is het een beetje vroeg dit jaar.
We beginnen te fietsen richting uitgang (;nog een dikke 35 mijl te gaan) en binnen het halfuur komen we terug aan de slagboom waar de auto’s en campers terug mogen rijden. We worden er bij het oprijden van het viewing platform hartelijk onthaald door een familie Ecuadorianen die ons prompt enkele chocolaatjes presenteren. We scheppen natuurlijk op met onze 8 beer ontmoetingen !
Af en toe haalt een auto ons nu in of kruist ons en na een tijdje in perfecte stilte te hebben gefietst is dat wel even wennen. Maar heel vaak gaan de handjes of duimen van de bestuurders de lucht in en voelen we ons ware helden die de onherbergzame wildernis hebben overleefd.
Maar het is nog niet gedaan: we zitten nog altijd voor een dikke 30 mijl in het park en er kan nog heel wat ons pad kruisen.
En dat gebeurt ook daadwerkelijk.
In de “denning” zone, de zone waar de elanden verondersteld worden aan een nageslacht te werken, zien we plots een tiental meter naast de weg een groot gewei blikkeren tussen het groen.
Een gigantische elandstier (de eland is notabene de grootste hertachtige ter wereld met een schofthoogte* van meer dan 2 meter) met de tong uit de lange bek loopt zo bronstig als een dekhengst achter een vrouwtjes exemplaar aan. Wij springen van onze fiets, proberen een veilige afstand te behouden, want tegen alle verwachtingen in is zo’n bronstige stier stukken gevaarlijker dan de pluizige grizzly. Testosteron zorgt ervoor dat zo’n stier uiterst onvoorspelbaar en humeurig is. Vlak voor onze neus steekt het koppel rustig de baan over en een toevallige collega passant zet ongewild het hele plaatje in perspectief. Met een mens in de voorgrond zie je pas hoe geweldig groot zo’n eland is !
Nét op dat moment horen we op de achtergrond en in de verte een roedel wolven huilen. Neen we verzinnen dit niet om dit verhaaltje extra allure te verschaffen, het is echt zo gebeurd!
Dit park heeft ons gewoon alles getoond wat we wilden zien, horen of ruiken ! We prijzen ons echt gelukkig en zeer geprivilegieerd dit allemaal te hebben meegemaakt.
Met een zekere krop in de keel en met spijt rijden we na 6 dagen wildernis en 274 km op de teller Denali N.P. uit
*de afstand tussen de grond en schoft; het uiteinde van de voorpoot, ofwel de schouderhoogte

Over droog weer, rappe beren en straf bier (Washington-Oregon sept ’12)

 

 Howdy folks,

Jazeker, droog weer valt ons te beurt in de”joe is of ei”, en dat bevalt ons ten zeerste. Nog geen druppel regen hebben we hier op onze gehelmde hoofden gekregen en dat ligt niet aan onze helm die verhindert regendruppels te voelen, maar gewoon aan het schitterende weer. De mensen hier klappen er nog altijd van, en da’s normaal want het weer waar we van aan ’t klappen zijn is nog altijd gaande. Ons hoor je niet klagen; praise the lord !!

Genoeg gezwansd ! Harde feiten graag. 600 km gefietst over tien dagen, drie vulkanen in alle glorie bewonderd, één zwarte beer gespot, ontelbare duimpjes in de lucht (van gemotoriseerde yanks die er maar niet bij kunnen dat twee onverlaten al die bergen trotseren met al die kilo’s aan bagage en dan nog voor hun plezier én niét vet betaald), enzoverder enzovoort. Wat mij betreft mag dit nog een jaar of twee langer duren. Mmmmm, we’re loving it.

Tijdens de beklimming op USFS  (United States Forest Service) bosweg 26 heeft Katrien trouwens onze eerste zwarte beer gespot. Toen zij na de middaglunch voorop reed, kruiste een zwarte beer ons pad. De beer gebaarde van krommenaas, stak het wegje over en slenterde op zijn beers het struikgewas in. Katrien gelooft tot op heden niet dat ze een beer gezien heeft. Toen ik 2 minuten later passeerde was de beer al terminaal in de bossen verdwenen. Gelukkig zijn er hier in Oregon – waar we nu zijn – massa’s beren, dus de kans dat we er nog eentje frontaal aanrijden is relatief bestaande. Het is hier trouwens volop bessen- appel- en peren seizoen en naast mensen lusten beren daar ook wel van.

Momenteel, en dan komen we aan het “straf bier” waarvan sprake in de titel, zitten we volmondig bier te proeven in de “Double Mountain” pub met aanpalende brouwerij waar ze sterke bieren met een uitgesproken hopsmaak serveren ( en nu hoor je ons nog minder klagen, het wordt zelfs ijselijk stil). Ze maken hier trouwens gewag van Devil kriek. Letterlijk. Kriek gebaseerd op onze Vlaamse (vrouwelijke) godendrank maar een stuk zuurder dan pakweg een kriek Lambiek of zo. Enfin, dikke pret dus.

Vandaag hebben we vruchteloos gewacht op een verlossend telefoontje van het lokale autoverhuur kantoortje om tijdens onze eerste officiële rustdag een ritje te plasseren naar iets te veraf gelegen bezienswaardigheden, maar wegens niet gereserveerd en dus geen automobiel beschikbaar onze toevlucht gezocht tot het Amerikaanse gerstenat. D’r zijn ergere dingen denkbaar. So folks, als ik hier de spreekwoordelijke kemel schiet, have pitty on this poor soul, want het is de drank die hem parten speelt.

Waar we nu zitten ? Hood River. Een 7000 zielen tellend stadje  net “over” de Columbia rivier die de grens vormt tussen de staten Washington en Oregon.

Een baken in de duisternis als duisternis betekent; géén internet of géén gsm bereik. En eigenlijk vinden we dat wel leuk, duisternis, je weet wel; één worden met de natuur, het ruisen van de wind in de bomen, een knapperig kampvuurtje en een pruttelend kookstelletje dat heerlijke spaghetti of noodels in géén tijd klaarstoomt. Maar bovenal géénn Facebook, internet of gsm gezeur aan je intussen bijna in pulp gestraalde oren en hersenen.   Heerlijk ruiken naar rook, zwarte vingers van het as, luisteren naar de klanken van het woud. “Was dat nu een beer of een ordinaire eekhoorn die voorbijraasde of ritselde in de struiken ?” Mmmm we’re loving it !  Arm, arm Vlaanderen.  De natuur jongens, daar komen we van en daar gaan we allemaal op het einde van deze aardse rit naartoe. En als het eventjes kan, daar toeven wij ook graag zo lang mogelijk in. Dat is dus ook de reden waarom deze reis zo magertjes besproken en gedocumenteerd wordt; een zalig gebrek aan moderne media.

Als ik teveel filosofeer moet je ’t maar zeggen, maar ik hoor niets, dus doe ik maar lustig voort.

Morgen gaan we voor onze zoveelste koninginnenrit  (ik maak Katrien zo veel als mogelijk wijs dat we onze zwaarste etappe al  gehad hebben) klimmen van 75 meter hoogte (de Columbia rivier) naar 1500 meter hoogte aan de voet van Mount Hood. 25 kg bagage incluis natuurlijk. Met een dergelijke cargo rekenen we gemakshalve een stijgingstempo van 300 meter per uur. Verticale meter hé folks. Al wie de kleuterklas uitgedaan heeft berekent al snel dat we toch wel vijf uur zoet zullen zijn met dit okselfrisse klimmetje. Als we echt goed zijn ( zeker na een viertal straffe biertjes) halen we zelfs 400 meter per uur. En na deze klimdag, wel, dan zijn we weer goed voor vier à vijf dagen wildernis vol bomen, beren, vulkanen en hillbillies tot we de relatief verstedelijkte gebieden van Sisters en vooral Bend naderen. Je ziet; aan boompjes en natuur geen gebrek.

Ik ga hier nu mijn derde pint (paaint) bestellen, seffens nog een vervaarlijk riekende pizza naar binnen werken en dan als afsluiter nog een vierde paaint en dan gaan we ongetwijfeld morgen de berg opvliegen mét een klein bierscheetje hier en daar. Katrien kijkt voorlopig schaapachtig naar mij, hopend dat morgen niet al te zwaar zal  zijn en ik lach schaapachtig mee. Schapen zijn nobele beesten, zonder schapen geen kebab !

Voor mensen die een gelijkaardig tripje in deze staten ambiëren; we zijn vertrokken in Seattle (en volg nu op die gedetailleerde kaart die je ongetwijfeld ergens liggen hebt), zijn via Enumclaw en Greenwater in Rainier N.P. beland, vervolgens via Packwood, Randle tot in Mount Saint Helens national volcanic monument gereden en dan via zeer rustige boswegen (USFS) tot aan de Columbia rivier. Morgen dan van de Columbia rivier tot Government Camp, da’s een nestje dat aan de zuidkant van Mount Hood ligt. Mount Hood, één van de dode, slapende tot actieve vulkanen van de Cascades Range die we de hele reis volgen, kan je zo qua uiterlijk vergelijken met de Zwiters-Italiaanse Matterhorn-Cervino.

Je ziet; aan vulkanen en natuurschoon geen gebrek.

We gaan hier stilletjes aan afronden want een zeer hete pizza staat op het punt hierheen te dwarrelen en we moeten eventjes  onze resterende smaakpapillen aanspreken om ten volle te genieten van dit Italiaans gebakje temeer we de komende dagen “terugvallen” op CFK’s. Niet dat soort dat meestal duidt op die ozon vernietigende gassen, maar ONZE CFK’s ( Cuisine Forestière Katrien). Maar daar gaan we zeker niet op klappen en om alle feministes te tackelen : ik doe ook mijn part hé zoals hout sprokkelen voor het kampvuur enzoverder enzovoort.

Bij deze; een welgemeend excuus voor eventueel te veel gefilosofeer of gezever, nog een prettige navond of een nog prettigere voortzetting van uw etmaal en bij leven en welzijn, én als we ooit nog uit die onmetelijke bossen gefietst raken, tot ziens !

Kleine voetnoot: reacties zijn méér dan welkom want beren antwoorden niet, bomen nog minder en zelfs Katrien heeft haar grenzen.

Tataa.